Thailand. Bij de Shan in de schemer tussen dood en leven

Zielen zoeken

 

Manit was mijn vriend. Mijn gunsteling. Mijn zoon.

Tweeëndertig was hij toen hij tijdens een jachtweekend doodgeschoten werd. Vermoord, nu ruim anderhalf jaar geleden.
Pas achttien toen hij op mijn pad kwam, ik was driemaal ouder.
Ik zag in hem de jonge Peer Gynt van Ibsen.

Meer dan tien jaar woonden we samen in het huis dat we in zijn Shandorp hadden gebouwd.
Ik was buitenlander, hij een wilde jongen, maar onze omgang werd geaccepteerd.
Ouderen vonden hem een flierefluiter, een zwerver tussen akker en jungle: “hij toont geen respect.”
Voor de dorpsjongens was hij een echte vriend, een kameraad bij de jacht, als soldaat een maat, aanvoerder op het voetbalveld.
En hij mocht dan gay lijken, hij had een paar jaar ook een vriendin, en Yod werd geboren.
Vader en zoon adoreerden elkaar (1)(2)(3).

Dit als achtergrond voor die fragmenten uit mijn dagboek welke raken aan het schemergebied tussen dood en leven.
De tekst is voor het gemak van de lezer wat bijgeschaafd, de opmaak markeert de scheiding tussen losse fragmenten.

 

 – o –  – o –  – o –

 

Alex Ouddiep, Schemer, Zielen, Shan

Gewikkeld in een donkergroene doek hangt Manit aan een draagstok die op twee palen rust. Ik herken de contouren van het slanke lichaam, de lange benen, de heupen. De kleur van het kleed verdoezelt de al ingetreden ontbinding.
Het is doodstil. Vijftien jongemannen knielen, ze hebben in een tocht van twee dagen het lichaam door de bossen teruggebracht. Een monnik in oranje sprenkelt water. Zuivering, zegening?
De geruchten komen los. Manit zou gebonden zijn, met drie schoten geëxecuteerd. Snel begraven, een hand stak nog boven de aarde uit. Onze hond had twee nachten bij het graf wacht gehouden.
De jachtvrienden spreken nauwelijks, ik zie hun verdriet, pijn en angst.
Ziekenwagen, politie. Het lichaam mag het dorp niet in. Om geen herinnering te voeden, uit angst voor geesten? Een verklaring die geen verklaring is: het is gebruik bij een onnatuurlijke dood.

– o –  – o –  – o –

De dag van de crematie. Zoontje, voor de gelegenheid gehuld in oranje pij, volgt de monniken als een pop. Vlak voor de feitelijke verassing aanvangt, komt een politiewagen voorrijden en vertrekt met de kist, “er is nog onderzoek te doen.” Een loos ritueel volgt: lijkverbranding zonder lijk.

– o –  – o –  – o –

De jachtvrienden hebben doorlopend nachtmerries: de drie schoten die ze van grote afstand hoorden, onze hond, de hand waaraan ze Manit herkenden. En angst dat de moordenaars ook hen zullen ombrengen, als mogelijke getuigen van een duister drama.

– o –  – o –  – o –

Familieleden hebben een medium bezocht. Deze speelde de laatste minuten na, eindigend met de kreet: Schiet me niet dood, ik wil leven. Het medium vroeg wat Manit nu mist. Hij mist het bosleven, hij mist zijn zoontje en hij mist Alex. Heeft hij ook spullen nodig? Een stel goede laarzen en een mobiele telefoon, niet een nieuw jachtgeweer.
Maar, zegt de twijfelaar in mij, het medium is ongetwijfeld nog meer ingefluisterd wat in het verhaal aan mij niet voorkomt.

– o –  – o –  – o –

Naast de boeddhistische rituelen organiseer ik een eenvoudige bijeenkomst voor de vijftien dragers bij mij thuis. Ik dank hun uit het diepst van mijn hart, en reik enveloppes uit om hen schadeloos te stellen voor de gemiste inkomsten. Dit komt in mijn arme dorp van pas, eerder dan een bijdrage aan het monnikendom.
Ik leg in mijn beste Thais de opvatting van vriendschap uit aan de hand van de drie woorden: peuankin, peuantae en peuantaai: gezelligheidsvrienden, vrienden die elkaar bijstaan en vrienden tot in de dood. Hen noem ik daarnaast: vrienden in de dood.
Ik wil de gedachte overbrengen dat liefde en vriendschap hun hoogste uitdrukkingsvorm vinden in zorg.

– o –  – o –  – o –

Ik word wakker, ik zie Manit op het terras staan. Ik open de schuifdeuren, hij is verdwenen.

– o –  – o –  – o –

Manit komt de buitentrap op, ik hoor hem zijn herkenningsmelodietje fluiten, een dalend stukje van een toonladder die ook de lokroep is van een vogel in onze tuin. Ik heb dit toontje juist gekozen om verwarring te zaaien of ik het echt ben, zei hij ooit lachend. En dit lukt ook na zijn dood, elke keer dat de vogel fluit.

– o –  – o –  – o –

Ik vind eindelijk de moed om samen met Yod een video af te kijken: Manit zingt vreedzaam een oud Shanlied als hij samen met zijn zoontje op weg is naar de Poi sang long ceremonie (4).
Yod staat achter me en kneedt mijn nek: “Alex moet niet huilen, Alex is al groot”.

– o –  – o –  – o –

In de compound waar Yod woont, neemt een oude vrouw me bij de arm. “Hebt u gezien dat dit kind U altijd volgt?” En ze wijst op het meisje van bijna anderhalf dat ze op de arm heeft en dat aan mijn haar plukt. “Sinds ze kan lopen dribbelt ze achter u aan, trekt aan uw kleren en pakt uw benen als in een omhelzing.” En dan volgt een uiteenzetting in het plaatselijke taaleigen waar ik weinig van begrijp maar waar Manits naam en de dood vaak in terugkomen. Ze meent mogelijk dat Manits ziel in het meisje verhuisd is. Als de vrouw me naar de uitgang leidt, duwt ze het meisje tegen mijn schouder.
In de auto legt Yod alles in een paar woorden uit : zij ís papa, papa ís mijn nichtje.

– o –  – o –  – o –

Yod kijkt naar mij.
Ik kijk naar Yod.
Ik zie Manits ogen.
Ik zie Manits jukbeenderen.
Ik zie Manits zoenlippen.
Zelfde DNA, denk ik.
Dan vervloeien de beelden.

– o –  – o –  – o –

Yod en klasgenoot, twaalf, stellen me heel direct de vraag of ik van Manit heb gehouden. Ze zijn te jong voor nuances denk ik, en volmondig zeg ik: Ja ik hield van Manit.
De vraag was een opstapje. Aarzelend zegt het vriendje: “Hebben jullie elkaar ook omhelsd?”(5)
“Zeker, we hebben elkaar vaak omhelsd. Als je van elkaar houdt, omhels je elkaar toch?” Een laf antwoord, vind ik zelf, en het stelt hen teleur nu ik van het persoonlijke overga op het algemene.
Dan de afsluiter: “Als Yod groot is, houdt hij net zo van Alex als Papa.” Weet hij wat hij zegt?

– o –  – o –  – o –

Ik leg het verhaal van het meisje voor aan twee twintigers, christenen. Ze geloven niet in de verhuizing van de winyaan(6). Wel in zielen, maar die zoeken geen mensen. Ik werp tegen: jullie zijn bang voor pie(7), jullie lopen ’s nachts toch ook niet langs de crematieplaats? Geen respons. De oude vrouw, zeggen ze, is gewoon op zoek naar geld, ze hoopt dat ik het meisje net zo zal steunen als Yod.

– o –  – o –  – o –

Ik leg het verhaal voor aan Manits moeder, Peer Gynts moeder. We waren in de loop der jaren op vertrouwde voet geraakt. Manit was de zoon die ook mijn zoon werd. Samen hadden we ooit zelfs de steun van het dorpshoofd ingeroepen om Manit weer in het rechte spoor te brengen. Nu weert ze een gesprek af, ik kom te dicht op een terrein dat het hare is.
Uiteindelijk spreekt ze toch – kort, helder en beslist: “Het kan niet waar zijn. Het is onmogelijk. De winyaan van Manit zou kan alleen dan in het lichaam van een vrouw indalen als hij een slecht leven had geleid.”
Wonderbaarlijk dogma, wonderbaarlijke moederliefde.

– o –  – o –  – o –

Mas estremeço, lembrando-me dum filho que não tenho e está dormindo tranquilo em casa, dichtte Pessoa (8). Ik huiver, denkend aan een zoon die ik niet heb en die rustig thuis ligt te slapen.

 

 

– o –  – o –  – o –  – o –

Noten

(1) Alex Ouddiep: Mijn dorp in het dal (1)
(2) Alex Ouddiep: Mijn dorp in het dal (2)
(3) Alex Ouddiep: Mijn dorp in het dal (3)
(4) Alex Ouddiep: Poisanglong
(5) กอด koht, omhelzen
(6) วิญญาณ winyaan, zielen
(7) ผี pie, spoken, geesten die terugkeren uit het dodenrijk
(8) Fernando Pessoa, Ode marítima.