Zeezeiler zoekt zuivere eenwording bij stoplicht

Bert van Balen, Zeezeiler, stoplicht

Strawberry fields

 

140, 139, 138, . . . De rode cijfers boven het stoplicht tikken de seconden weg. 137, 136, . . . onbewust staar ik naar de rode cijfers met mijn gedachtes totaal ergens anders.

Bijvoorbeeld mijzelf mentaal voorbereidend op mijn terugkeer naar Nederland. Voorgoed, of toch nog met een kans terug te keren. Het idee dat dit wel eens onmogelijk zou kunnen zijn door de beslissing van de Nederlandse overheid om per 1 januari 2017 de werelddekking uit de ziektekostenverzekering te gooien, doet mij beseffen dat het fort Europa heeft besloten dat je er niet in en ook niet uit mag. Tenzij je zo gezond bent dat een reisverzekering af te sluiten is die eventuele ziektekosten dekt waarbij chronisch zieken zeker worden uitgesloten. Een ziektekostenverzekering mag niet weigeren, maar een reisverzekering natuurlijk wel.

135, 134, 133 . . . Veel liever zou ik natuurlijk hier blijven. Waarom ben ik chronisch ziek, verwijt ik mijzelf. En waarom word ik als chronisch zieke gediscrimineerd. Ik heb er niet om gevraagd. Sowieso ben ik elk jaar al de eigen bijdrage in de ziektekosten kwijt. Een extra straf met straks ook nog een beperking van reizen. Wachtend, starend naar de wegtikkende seconden, zit ik mij vreselijk op te winden over het onrecht. Niet verstandig. Slecht voor de bloeddruk. Ik kan beter mijn gedachtes verleggen naar waar ik meestal aan denk. Aan mooie Thaise vrouwen en mijn mooie Thaise vriendinnetje die ik nu vier maanden moet achterlaten of misschien wel voorgoed. Mijn vriendinnetje zou ik best mijn vrouw willen noemen, maar ik heb al een vrouw.

Ik doe wat God verboden heeft

Mijn wettelijke echtgenote ligt precies deze maand elf jaar in coma met een zwaar hersenletsel. Kan nooit meer iets worden, maar het ademt in en het ademt uit en dit is volgens de Nederlandse wet voldoende om in leven te houden. Tenzij je uit een invloedrijke familie stamt, dan mag de stekker er uit. Erg triest hoor, vooral voor mijn werkelijke vrouw. Maar het hoort nou eenmaal tot de opgelegde morele waarden van de gewone burger het leven zo lang mogelijk te rekken. Wat is leven, kun je je afvragen. Elf jaar in een bed liggen en kunstmatig voeding toegediend krijgen, of gaan en staan waar je wil en alles doen wat God verboden heeft.

En dat laatste doe ik dus. Wat God verboden heeft. Een Thaise vriendin, waar ik van hou, met een in Gods ogen niet al te best verleden. Caddies mee uit eten nemen, erger nog, zorgen dat zij financieel een stuk wijzer van mij worden en soms een voorstel doend waar zij hartelijk om moeten lachen. ‘Old Man, ting tong’. Ik hou ook van mijn caddies. Ik zie dat ik ze gelukkig kan maken. Met aandacht, met een gevoel van liefde, met mededogen, en natuurlijk met geld. Het maximum van wat ik kan missen. Of ik dit mijn Thaise vriendin vertel? Natuurlijk niet. Dit soort misplaatst moralisme zou een groot gat slaan in haar geluk. Zij kan nog niet zo ver zijn dat zij het boeddhistisch gelijk christelijk moralisme van zich afschudt. Misschien, of eigenlijk wel zeker, nooit. Ik laat haar in haar droom, in haar waan. Zoals ik mijn wettelijke vrouw ook in haar droom en waan laat. Bij de laatste zoals de wet wil.

125, 124, 123, . . . Langs mij heen probeert een jong meisje met haar motobike te manoeuvreren om als eerste bij de stopstreep te staan. Het gaat moeizaam zonder mijn auto te raken. Ik laat het raampje zakken en vraag; ‘Sai Bai Dee Mai?’ Zij verstaat mij en keert haar gezicht naar mij toe. Prachtig. Jong. Chocolade bruin, lange zwarte haren en hagelwitte tanden. ‘Sai  Bai Dee’, antwoord zij vrolijk. ‘You speak English’, vraag ik in een poging een gesprekje met haar op gang te brengen nu zij zelf ook gemerkt heeft dat de doorgang naar de stopstreep te smal is. ‘A little bit’, antwoordt zij.

Ik vraag haar of zij studente is. ‘Yes’. Waar zij heen gaat. ‘Rimping’. Of zij zin heeft in een kopje koffie. ‘Sure’. Ik wijs naar de overkant. Naar een coffeeshop. ‘Oké’, zegt zij. Waar ben ik toch mee bezig, denk ik. Nog zestig seconden nu. Een volle minuut. Dan een U-turn, in mijn spiegel kijkend of zij mij volgt en dan ga ik haar trakteren op een kopje koffie en taart. Wat zij maar wil. Chocolate, Bananas of Strawberry. . .

Bert van Balen, Zeezeiler, strawberry

…doe mij maar een strawberry …

Er loopt weer adrenaline door mijn aderen. Ik voel het als een lichte vorm van opwinding.

Nooit een studieboek ingekeken

Bijna tegelijk begint een stomvervelend calvinistische stemmetje te roepen dat dit niet kan, dat ik al een vriendin heb. Waarbij ik protesterend zeg dat ik alleen maar een kopje koffie ga drinken en er dus ook niet gezeurd moet worden. En trouwens, de vriendin hoef ik niet alles te vertellen, ik kijk wel uit. Ik ga haar droom niet verstoren, haar geluk niet in de weg zitten. Maar het valse morele besef moet mij dat ook niet doen, en trouwens, ik ga alleen maar kopje koffie drinken met een mooi jong meisje. Nou en?  ‘What do you study?, vraag ik om haar aandacht vast te houden. ‘Economics’, antwoord zij. ‘How many years all ready?’ ‘Four’, zegt zij. ‘Last year now’.

Jij hebt nog nooit, van je hele leven niet, één studieboek ingekeken. Is het niet? vraagt mijn calvinistische vriend. Mijn studieboek was het leven zelf, antwoord ik gevat. En toch nog wat bereikt. Met veel omwegen dus, krijg ik als antwoord. Ja misschien wel, maar ik heb genoten van het leven. Jouw omgeving ook? vraagt de idioot. Die moet dat zelf maar uitmaken, geef ik mijzelf antwoord.

38, 37, 36, . . . Als iedereen nou eens op een normale manier reageert op het groene licht, kan ik daar nog net in mee. Mijn koffiemeisje zal het wel redden, maar ik ben bepaald niet zeker of zij aan de overkant van de straat op mij gaat staan wachten. Ik ben wel eens vaker eenvoudige afspraakjes misgelopen door onvoorziene omstandigheden. Storm, ijzel, bliksem, van die typisch Hollandse zaken die de romantiek al in de kiem smoorden. Het is ook geen wonder dat Hollandse vrouwen zich niet zo snel laten verleiden tot avontuurtjes. De eerste de beste regenbui, en je kon fluiten naar dat afspraakje in dat leuke restaurant of eetcafé. ‘Nee, sorry hoor, maar mij te koud, te nat, te gevaarlijk met die sneeuw.’ Tjonge, maar goed ook want je moet er toch niet aan denken dat zo’n suikerpopje wel eens je vrouw had kunnen worden als toevallig de weersomstandigheden hadden meegezeten.

Vroeger was ik een zeezeiler. Ik voer jachten van anderen met als tegenprestatie dat ik die dingen onderhield. Dat onderhouden was vooral tijdens de wintermaanden natuurlijk klotenwerk, maar dit woog niet op tegen het vrij gebruik maken van tijdens de zomermaanden als de eigenaar geen tijd had om met zijn speeltje uit varen te gaan. En wat is nou mooier en verleidelijker voor een meisje van de tennisclub, om eens voor een weekend uitgenodigd te worden om met een jacht op zee te zeilen. Niks beters dan dat, totdat zij kotsend over de zeereling hing met een schipper aan het roer, zeemansliederen zingend met naast zich een fles jenever.

Ik was al vijftig toen ik mijn werkelijke vrouw ontmoette. Aan boord van een ander jacht. Zij kreunde niet, zij kotste niet, sterker, zij maakte maaltijden klaar op een slingerend schip zonder te mekkeren. Zo, dat was er dus één. Die wilde ik wel hebben. En dat kon. Tien jaar lang. Tien jaar lang, tot die allereerste vakantie in Thailand. Zoals zo vaak schiet mij weer het beeld voor ogen zoals zij daar lag. In het Samitivej in Bangkok. Verbonden aan talloze slangen en draadjes. Twee maanden om precies te zijn. ‘Wat moesten jullie daar ook, tussen die zwartjes’, zei mijn schoonmoeder medelevend na repatriëring in Holland.

Ik denk in aardbeientaart

20, 19, 18, . . . ‘See you there’, zeg ik wijzend naar de overkant. ‘Oké’, zegt zij nogmaals. Ik laat het elektrische raampje weer omhoog gaan en voel de airco zijn best doen om de temperatuur weer op een aangename waarde te krijgen. Alleen maar een kopje koffie, denk ik. En een stukje taart. Zelf neem ik Strawberry.

Bert van Balen, Zeezeiler, strawberryStrawberry fields for ever, neurie ik. ‘Nothing is real.’ Nee, niks is echt. Wat echt is blijft bestaan. Gaat nooit verloren. En ik ken niets wat onvergankelijk is. Of zou het misschien de liefde zijn. En dan niet die op extase geënte liefde, maar die liefde die mededogen in zich draagt. Waarbij het IK samensmelt met het andere IK. De zuivere eenwording waarbij het gebruik van taal overbodig wordt. Zoals het met mijn Thaise vriendin zou kunnen zijn. Nu is het een gebrekkige verbale communicatie in een voor ons beide vreemde taal. Zou toch heerlijk zijn niet meer te hoeven praten om iets uit te leggen.

Helaas is er van die zuivere eenwording geen sprake. En trouwens, ik bemoei mij nog veel te graag met andere vrouwen. Niet dat ik met hun een eenwording beoog, maar meer als voeding naar mijn onverzadigbare nieuwsgierigheid. En dan is er nog het culturele verschil met mijn Thaise vriendin. Ondanks dat sommige dingen binnen het boeddhisme mij wel aanspreken. In elk geval, aanspraken. Zeker toen. Tien jaar geleden. Een tempel vlakbij Sattahip. Een verpleegster in haar outfit mediterend bij een Boeddhabeeld. Hoe zij daar op haar knieën zat. Zachtjes heen en weer bewegend. Naar voren, naar achter. Enkele centimeters slechts. De ogen gesloten, haar handpalmen tegen elkaar tot onder haar kin gebracht. Ik keek er naar als aan de grond genageld. Kon er mijn ogen niet van afhouden. Zij was bezig met de eenwording tot zichzelf. “Alles is één. Twee bestaat niet”. Daar, in een milliseconde begreep ik het en kreeg het ultieme gevoel van vrijheid. Ik begreep het, maar verloor het weer. In het dagelijks bestaan gebukt onder valse morele onzinnigheid.

7,6,5, . . . Nog vijf seconden en dan gaat de boel in beweging komen. Ik volg de bumper voor mij op enkele centimeters. Mijn koffiemeisje krijgt nu vrijbaan en geeft vol gas. Zij maakt de U-turn. Onderweg naar de coffeeshop.

Bert van Balen, Zeezeiler, stoplicht

…. zij nam de U-turn…

Ik twijfel een moment en zing dan; ‘Nothing is real and nothing to get hung about,’ en rijd rechtdoor.

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

4 Reacties

  1. Mooi geschreven al had ik het idee dat ik het al eens eerder gelezen had. Ik zie dat Bert van zijn creatieve vrijheid gebruik heeft gemaakt om deze hersenspinsels in geactualiseerde vorm te herplaatsen.

    Bert, het is te zot voor woorden dat jouw vrouw nog steeds in een schijn leven wordt gehouden. Dat verdient toch geen mens? Mijn vrouw is verongelukt maar nadat het zo verschrikkelijk mis gegaan is in haar mooie hoofdje is haar tenminste een snelle dood gegund in plaats jaren lang als pop of kasplant moeten blijven voortbestaan.

    Ik ben benieuwd welke keuze je zal maken mocht je voor het blok komen te staan. Je zo inschattende zal je als butterfly man de dat teveel missen. Ik zie je nog niet snel wegrotten in het gure polderland. Spanje en Italië kunnen natuurlijk ook altijd een uitvalsbasis zijn, met mooi weer, jonge vrouwen en golfbanen, plus dekking vanuit de zorgverzekering.

  2. “Zeezeiler zoekt zuivere eenwording bij stoplicht” Hoe cryptisch kan een titel van een verhaal zijn, wekt natuurlijk wel nieuwsgierigheid op of de vlag ook de lading dekt.
    Het lukt Bert om een actuele gebeurtenis te versmelten met de geschiedenis uit zijn privé leven, en de titel wordt in de loop van het verhaal steeds meer ontrold.
    Het weergeven van de alledaagse Thaise werkelijkheid met zijn scherpe opmerkingsgave gecombineerd met ironische humor, doet denken aan de kronkels van Simon Carmiggelt, chapeau!

  3. Leuk verhaal. Maar, heb ik dit niet eens ergens eerder gelezen?

    Bert Vos
  4. Met die weemoed die over het stuk van Bert van Balen hangt, die weemoed die als een onvatbare Hollandse herfstnevel de felle zon van de Thaise dag tempert.
    Kunnen Thaise mensen ook weemoedig zijn, vroeg ik me af bij het lezen.
    Mijn vader barstte soms in zijn laatste jaren in snikken uit, omdat het hem voorbij leek. En dat was ook zo.
    Weemoed is ook zoiets typisch Duitse romantiek. Ikzelf kan in Azië veel harder zijn in doen en laten.
    Daarom ben ik er graag, niet weekmoedig.
    En toen viel me de lijfspreuk van het Nederlandse Koningshuis te binnen, toen ik las dat heer van Balen misschien in Nederland moet gaan wonen: ‘Je Maintiendrai’
    Doen, Bert.

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)