Willem Hulscher: ‘Geen wrok tegen Japanners, heel boos op Japan’

Willem Hulscher, Jappenkamp, Kanchanaburi, Herdenking

15 augustus

Ik voel me een beetje verantwoordelijk voor de herdenkingsbijeenkomst, althans voor het feit dat die in Kanchanaburi wordt gehouden en met name op 15 augustus.

Sinds jaar en dag organiseerden onze ambassadeurs op 4 mei een bijeenkomst op de ambassade ter herdenking van het einde van ‘de oorlog’. Daarvoor nodigden zij ook Thaise hotemetoten uit en die kwamen trouw, want de uitnodiging kwam tenslotte van een ambassadeur, ook al begrepen de Thais eigenlijk niet wat er zo bijzonder was aan die 4e mei. Immers, in Azië is de tweede wereldoorlog geëindigd op 15 augustus.

Ik heb toen op een helder moment voorgesteld de herdenking op die dag te houden en wel op de erevelden in Kanchanaburi. En zo geschiedde.

In de loop der tijd heb ik een aantal van deze ceremonies meegemaakt en het heeft me iedere keer sterk aangegrepen als ik de trompet de bekende melodie hoorde spelen op een veld met ontelbare witte kruisen. Ik herinner me vooral die keer dat ik maar liefst drie kransen heb mogen leggen. Eén krans was samen met een vriend van wie een dierbare daar lag begraven, een tweede krans was op verzoek van de ambassade omdat ik de oudste aanwezige was en tenslotte nog een krans omdat ik in onze groep de enige overlevende was van de Japanse interneringskampen in Nederlands Indië.

Over dat laatste wil ik het hier verder hebben.

De kampen

Ongeveer één kilometer stroomafwaarts aan de rivier van Kanchanaburi ligt een klein museum dat bestaat uit een kopie van het soort kampementen waarin de gevangenen waren ondergebracht die voor de Japanse overheersers moesten werken aan de Birma spoorlijn. Wel, precies zo zagen onze kampen op Java eruit, diezelfde houten britsen waarop je sliep zonder matras, mannetje aan mannetje in lange rijen, hetzelfde ‘kedèk’ (afscheidingswanden van een soort riet), dezelfde metalen kroezen waaruit we dronken, de nauwe ruimte, de sfeer van gebrek, de totale afwezigheid van privacy, de sfeer van onvrijheid.

Willem Hulscher, Jappenkamp, Kanchanaburi, HerdenkingIk was een kind van vier tot zeven jaar oud, en ik had honger, de hele dag en iedere dag. De portietjes rijst waren minimaal. Was dat erg? Daar praatte je niet over, dat had geen zin, omdat we allemaal honger hadden, iedereen. Maar een enkele keer sloop ik wel stiekem naar de keuken van het kamp, om te kijken of er echt niets meer in de lege pannen zat. Onze benen zaten vol zweren, want er waren geen geneesmiddelen, dat was vervelend, maar daar zeurde je niet over, want dat had geen zin en iedereen had zweren, en soms dysenterie of iets anders.

We waren gevangen, we mochten er niet uit.

Hoe erg was dat alles? Ik heb geluk gehad, ik heb altijd geluk gehad, want we waren met elkaar, we hebben het overleefd, en ik heb in die kampen een fijne jeugd gehad. Hoe kan dat? We waren met elkaar! We steunden elkaar, iedereen was gelijk, niemand had nog iets, maar we hielden de moed erin en wij kinderen mochten de hele dag spelen. Dat deden we met veel plezier, ook al had niemand speelgoed.

Veelzeggend is dat op een gegeven moment (dat was in kamp Solo) de order kwam ‘namens de keizer’ dat we niet meer mochten lachen. Niemand mocht nog lachen! Hoe kan een moeder aan haar zoontjes van vijf en zes duidelijk maken dat ze niet meer mogen lachen? Mijn moeder zei: Als je toch moet lachen en er is een Japanner in de buurt, dan kijk je maar vlug een andere kant op.

Maar niet iedereen heeft zoveel geluk gehad als ik en mijn broer en mijn ouders. Veel geïnterneerden hebben het niet overleefd en veel anderen hebben heel zwaar moeten lijden. Dat weten we en dat mogen we niet vergeten.

Oorlog

Krijgshandelingen heb ik niet meegemaakt. Pas na de capitulatie van Japan heb ik voor het eerst een vliegtuig gezien. Dat vloog over ons kamp (dat was toen Ambarawa) om voedsel te droppen. En toen de rampokkers begonnen met hun beschietingen op de kampen en de laatste geïnterneerden onder de britsen schuilden, waren wij al veilig in Bandung. Die ‘rampokkers’ noemen we nu vrijheidsstrijders en dat woord is misschien meer terecht. Ze hadden hun geweren van de Japanners gekregen. In Bandung werden we beschermd door de Gurka’s; dat waren Nepalese soldaten in dienst van het Britse leger. Van hen heb ik mijn eerste sigaret gekregen; ik was toen zeven jaar oud.

Mijn vader is in die oorlog alles kwijt geraakt: zijn baan, zijn pensioen, zijn huis, zijn bezittingen en zijn spaarcenten, maar niet zijn gezin en niet zijn gevoel voor humor. Berooid en met zware migraine kwam hij in 1946 met ons in Nederland aan. Met een tropische landbouw opleiding was het in de naoorlogse tijd niet eenvoudig om een baan te vinden. Maar we leven nog! Dat heb ik mijn ouders vaak horen zeggen in die jaren en dat gaf precies weer hoe ze zich voelden. En uiteindelijk is het allemaal best wel goed gekomen.

Willem Hulscher, Jappenkamp, Kanchanaburi, Herdenking
….we waren bij elkaar…
(archieffoto van www.mehrir.kawunganten.com)

In de interneringskampen hadden ze vrienden voor het leven gemaakt, want met elkaar waren ze tot de bodem van het bestaan gegaan. Als ze nadien een Hollander wel eens hoorden klagen over een of ander pijntje of ongemak van alledag, was hun meesmuilend commentaar: die heeft nooit in een kamp gezeten. De kampvrienden begrepen van elkaar wat ze daarmee bedoelden.

Japan en de Japanners

Mannen en vrouwen werden door de Japanners in verschillende kampen geïnterneerd, kinderen bleven bij hun moeders, maar jongens werden vanaf elfjarige leeftijd (!) naar een mannenkamp overgebracht. De gedachte daarachter was dat op die manier de Nederlanders en andere Westerlingen op de duur vanzelf zouden uitsterven in de bezette gebieden. Er wordt nog al eens beweerd: de Japanners waren nog veel erger dan de nazi-Duitsers. Ik verzet me tegen die opvatting en daarin ben ik niet de enige. De nazi’s hebben hardere methoden gehanteerd om het door hen gewenste uitsterven te bereiken. Maar hiermee wil ik bepaald niet zeggen dat de Japanners lieverdjes waren, verre van dat.

Koester ik nu een wrok tegen Japanners? Eigenlijk heb ik in die kampjaren slechts heel af en toe een Japanner gezien en bij hun gewelddadigheden ben ik gelukkig nooit zelf aanwezig geweest. Wat ik heb meegemaakt heeft niet tot een persoonlijke wrok tegen Japanners geleid. Haruki Murakami is een van mijn favoriete auteurs en ik heb grote bewondering voor iemand als Chiune Sugihara, die in de tweede wereldoorlog in Litouwen duizenden joden uit de handen van de Duitsers heeft gered. En verder lach ik uitbundig om de Japanse acts van Wendy van Dijk op de Nederlandse televisie. Dat is dan mijn revanche op die god-keizer die me destijds verbood om te lachen.

Willem Hulscher, Jappenkamp, Kanchanaburi, Herdenking
Dwangarbeid Birma-spoorweg

Maar ik ben heel boos op Japan. Nog altijd ontkennen de Japanse autoriteiten dat hun soldaten in Nangking een slachting hebben aangericht, waarbij ze in drie weken meer dan 300.000 Chinese burgers bruut hebben omgebracht, en nog altijd ontkennen ze de waarheid van de zogenaamde troostmeisjes. De gruwelen van de Birma spoorlijn, de dodenmars op de Filippijnen, Mantsjoerije en ga zo maar door. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki waren verschrikkelijk, maar als zonder die bommen de oorlog zes maanden langer had geduurd, hadden ik en honderdduizenden anderen het niet overleefd. We raakten in 1945 steeds meer ziek en ondervoed.

Bovendien zouden er naar schatting nog twee tot vier miljoen doden méér zijn gevallen op de slagvelden, zowel aan Japanse als aan Amerikaanse zijde. Professor Röhling, die in Nederland veel prestige genoot als oprichter van het Instituut voor Vredesvraagstukken in Groningen, heeft dat nooit goed begrepen.

Duitsland heeft na de oorlog intern een brede, diepgaande en pijnlijke discussie gevoerd over hoe het in ’s hemelsnaam mogelijk was dat men gedaan had wat men had gedaan en daarmee heeft het land zichzelf gereinigd. Zo’n discussie heeft in Japan tot op heden niet plaats gevonden.

 

©Willem Hulscher, De Tegel augustus 2015

Foto’s Australian War Memorial, BBC.com, Pinterest

 

3 Comments

  1. Het leven onder de Jap was bepaald niet makkelijk. Mijn grootouders konden zich weleens irriteren aan mensen die zeiden dat het zo ongelooflijk zwaar was in de oorlog met voedsel op de bon… Niet fijn maar toch niet zo onprettig als in een Jappenkamp zitten. Beide mogen van geluk spreken dat ze het overleefd hebben, zonder de atoombommen had mijn oma er waarschijnlijk niet meer geweest. Wrok? Nee. Opa had ook geen moeite met Japanse producten zoals auto’s en electronica. Oma had (heeft) daar toch meer moeite mee en wil eigenlijk op geen enkele manier iets met Japan te maken hebben.

  2. Wat een aangrijpende getuigenis van Willem Hulscher.
    Het leert ons steeds weer alles in zijn (historisch) perspectief te zien.

  3. Ik ben verre DE kenner van de beruchte Birma Spoorweg, vanuit het oogpunt mijner hobby (spoorwegen) en woonachtig zijn in Thailand, heb ik daarvoor wel een speciale interesse ontwikkeld en dan bedoel ik niet uitsluitend het verzamelen van feiten welke locomotief op welke dag waar heeft gereden. Zeer zeker ook de achtergronden, geschiedkundig zowel filosofisch, de vraag hoe het in Boeddha’s naam heeft kunnen gebeuren? Toen ik nog in Nederland woonde heb ik diverse malen een lezing gehouden voor de Nederlandse Vereniging van belangstellenden in het Spoor en Tramwegwezen (NVBS) in eerste instantie met nadruk op wat er vandaag de dag aan restanten rest doch ook het nogal brute verleden en aanleg van deze roemruchte spoorweg. Met een publiek in de zaal dat de verschrikkingen alleen maar kende van horen zeggen, had ik gemakkelijk praten. Eenmaal zat er iemand in de zaal (geen lid) die in de pauze naar mij toe kwam en zich voorstelde. In het Jappenkamp gezeten en te werk gesteld aan de lijn. Op een dergelijk moment val ik stil, want wat moet Ik die het eveneens niet heb meegemaakt immers na de oorlog geboren? Er valt ook niets te zeggen omdat woorden nooit zullen rechttrekken wat de Jappen met dwang hebben krom geslagen. Alleen zwijgen is geen optie, een praatje kan zoveel kwijt. Een evenwichtig praatje als het even kan en dat is dit zeker geworden. Geen haat, wel boos blijven, maar vooral ook blijven wijzen op de geschiedkundige feiten die er niet om liegen. Iets wat de Japanner uit angst voor gezichtsverlies al te graag doet, vooral op zijn eigen monumenten. Het vredespark in Hiroshima is daarvan een voorbeeld. De klacht waarom de stad een bom op z’n kop kreeg, de klacht dat er zoveel zijn door overleden, in een klap weggevaagd of later aan de gevolgen van straling. De klacht, en het mag, maar waarom dan in alle talen gezwegen over de aanleiding? Nanking is zo een ding en volkomen ondergesneeuwd. De zaak van twee kanten juist belichten kan een evenwicht vormen, niet dat het aan de feiten iets verandert, alleen openlijk inzicht laat heel misschien nog iets wegnemen van de boosheid.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.