Waarom Indische mensen naar Nederland kwamen

“Dokter”, vroeg ik, “wanneer ben je oud.”

“Zoals je je voelt jongen, ik weet het niet.”

“Over de 70?”

“Dan ben je aardig oud.”

“Over de 80?”

“Ja, dan wordt het echt oud.”

“88, ben ik nu… je wordt doof, je ziet minder. Mijn geest is nog goed, al word ik vergeetachtig.”

Veel mensen vinden dat we het moeten vergeten. Wat ik toentertijd allemaal heb willen vertellen, weet ik niet meer.

Niet Indonesische maar Indisch

Ik ben niet Indonesisch, maar ik ben Indisch. Ze snappen nog steeds niet wat het inhoudt. In het onderwijs krijgen kinderen niet veel over Nederlands-Indië te leren. Wij zijn geboren en getogen in Nederlands-Indië; gemengd ras, ook wel Indo’s of Indo-Europeanen, maar we spraken Nederlands, en voelden ons Nederlanders.

Ik ben in Soerabaja opgegroeid, maar heb niet altijd in Soerabaja gewoond. Mijn ouders hadden een huis op de plantage, mijn vader werkte bij een suikerfabriek, dan bij de ene en dan bij de volgende, de fabrieken waren in een kringetje gebouwd en lagen zo’n 30 km uit elkaar. Mijn vader was opzichter.

Mijn moeder had rijkeluis ideeën. Ze kweekte allerlei bloemen, planten en orchideeën. Orchideeën waren haar hobby. Ze liet van alles uit Nederland komen, zoals Delfts Blauwe potten. Die kwamen aan in kisten. Als kind vind je dat gewoon. Wij waren in goeden doen. De lagere school waar ik heen ging lag ook bij de suikerfabriek. Toen ik naar de mulo moest, vertrok ik naar opa en oma in Soerabaja en daar ben ik lange tijd gebleven, ook toen ik militair werd na de oorlog. Bij een tante je kinderen stallen of bij opa of oma is normaal in Indië.

De Jap kwam en alles ging dicht

Soerabaja was een mooie, prettige stad om te wonen. Ik kende er alle straten. Soerabaja zal ik nooit vergeten. Ik ging er naar de mulo, daarna wou ik de zee opgaan en in Soerabaja kon je naar de Zeevaartschool. Toen kwam de Jap en ging alles dicht.

Op mijn 14de jaar raakte ik mijn vader kwijt. Hij werd meteen kneip gezet door de Jappen, hij zat bij de stadswacht en werd geïnterneerd in een krijgsgevangenenkamp en vervolgens met een schip naar Japan getransporteerd om daar te werken, een torpedo raakte de schuit: boem en het was gebeurd. Mijn broer was in de oorlog ook snel kneip gezet, en heeft aan Birmaweg gewerkt.

Wij waren buitenkampers. Moeder had dat voor elkaar gekregen doordat ze aan kon tonen dat ze afstamde van een echte Javaanse. Verschillende keren ben ik opgepakt door de Kempeitai, ik heb gedacht dat ik het niet zou overleven. De Bersiapperiode heb ik als door een wonder doorstaan, ik heb mij letterlijk onder de lijken uitgeworsteld in de Simpangclub; op sterven na dood.

Na de oorlog ben ik meteen bij de KNIL gegaan. Daarmee kon ik wat rekeningen vereffenen. Maar de oorlog ging verloren. Ik kwam in 1950 uit het leger, en toen begon alweer rottigheid, ze kenden mij als militair en ik kreeg geen baan, al solliciteerde ik overal, maar ze vertrouwden mij niet. Ik ontmoette een vriend die hetzelfde overkwam. Laten we naar Djakarta gaan stelde hij voor.

Een baan bij General Motors

We hadden net geld voor de heenreis. Drie dagen hebben we niet gegeten en gedronken, in het park geslapen. Ik had er een oom, maar ik wist zijn adres niet. Er moet iets gebeuren anders gaan we dood, dachten we. En wie komt er aan? Mijn oom op een motorfiets en vraagt: Wat doe jij hier? Twee maanden heb ik bij mijn oom in de garage gewerkt.

In Djakarta was het moeilijk om aan het werk te komen. Ik was automonteur/chauffeur. Van motoren wist ik veel. In Djakarta ontmoette ik iemand die vroeg wat ik deed. ‘Bij ons zoeken ze iemand, een betrouwbaar iemand, die auto’s gaat ophalen in Djakarta en ze naar Soerabaja brengt,’ zei hij mij. Die baan, bij General Motors was dat, nam ik aan en daardoor ben ik zoveel van het land gaan houden. Zo’n prachtig land, de bergen door, de sawahs, de schitterende natuur.

Ze hebben mij verlinkt, toen ik bij General Motors werkte. Iedere week reed ik met nieuwe wagens van Djakarta naar Soerabaja, mijn maten, die het ook moeilijk hadden, hielp ik aan een baan. Zo’n 15 mensen in konvooi.

Ik bracht wagens die kaal waren, we zaten op kistjes met schuimrubber. Er viel niks te stelen. Op klaarlichte dag werd ik opgepakt. Ik vertelde dat ik niets anders deed dan auto’s brengen. Na een maand werd ik overgebracht naar de criminele recherche. Daar had je het slecht en ik was volkomen rechteloos. Ik werd er van verdacht dat ik bij een bepaalde organisatie zat. En ineens lieten ze mij vrij.

Moeder zei: ‘Kom toch naar Nederland, hier is het veilig.’ Moeder was al in 1950 vertrokken. Ik wist niet hoe ik naar Nederland moest komen, ik had geen geld. Je hebt in Indonesië geen recht, dus persoonlijk wilde ik weg uit dat land. Maar ik zag geen kans om te vertrekken.

Een blanke overloper

Van Soerabaja, auto’s afgeleverd, ging ik met de trein terug naar Batavia. Daar werd midden in de nacht op de deur geklopt. Revolver onder mijn neus, en een van mijn maten mee. Naar het bureau. Eén maand bij de militairen, daarna naar de MP, daar hoor je wat er moet gebeuren. Daar zag ik op mijn kaart ‘persona non grata’ staan. Waarom moest ik weg? Ik snapte er niks van. Maar het was een wens die uitkwam. Ik wilde precies weten waarom ik gevangen had gezeten. Het bleek dat een vriend mij had verlinkt, die wilde mijn baan.

Wat rottig was, degene die mij zogenaamd hielp, van hem had ik nog een stempel nodig. Dat was nota bene een Nederlander. Ik kom binnen en zeg: “goedemorgen”. Hij wijst op een bordje, waarop staat: ‘je moet Indonesisch praten”. Toen werd ik weggestuurd. De volgende dag was ik er weer en sprak Indonesisch. Hij was een overloper, een blanke Hollander.

In 1958 ging ik naar Nederland.

Mensen gingen van de boten naar barakken. Barakken van militairen. Alleen mannen, geen gezinnen. De dokter was kwaad, ze mankeerden allemaal wat, ze hadden allemaal koorts. Ik dacht dat het een ziekenhuis was. Later kwam ik in Groenlo bij lieve mensen terecht, maar je at Hollands. Ieder dorp kreeg zijn eigen Indische gezin. Dat noemden ze integratie. Het maakte niet uit waar je terechtkwam. Als ze je mogen is het goed, zo niet dan niet.

In Indië nooit discriminatie

Wij wisten niets van discriminatie, dat hoorde niet bij ons, wij kenden dat niet in Indië. Neem de mens zoals hij is. Je mag nooit vooroordelen hebben. Er was in Indië nooit discriminatie. Japanners hebben dat veroorzaakt, die hebben de haat tegen de blanken aangewakkerd, doodt de Nederlander, de Amerikanen, de Engelsen.

In Nederland was het: Jij zwarte, ga jij maar terug naar je Soekarno. Zij zeiden dat als iets niet goed ging. Een aantal maten van mij kwamen uit de Achterhoek, boertjes die er niks van snappen. Een keer werd het mij teveel, zo’n sufferd zei weer: “Hè jij, ga terug naar Soekarno!” Ik was in staat om een moord te plegen, echt waar. “Hebben jullie ook wat voor je land gedaan?”, riep ik en ik liep achter hem aan met een breekijzer, en hij holde weg en krijste: “hij doet mij wat, hij doet mij wat!” En toch moet je met ze samenwerken.

Ik ging in de fabriek werken omdat we dan een huis zouden krijgen. Eerst moesten we ons inschrijven. En het duurde en duurde. Een maat, mijn beste maat, zei: “Heb je al gehoord van een woning?” Hij zei: “kom mee naar boven, daar zit de baas”. En ik ging met hem naar boven, daar zat de baas. Hij zei: “Ik moet nog gaan trouwen, geef dat huis maar aan Paul.” Dat we het eerst niet kregen, dat was discriminatie, wij waren al getrouwd en we hadden kinderen. Dat hadden we zelf echter niet eens in de gaten.

Er werd van alles gezegd in de buurt. “Die mensen die daar vandaan komen zijn smerige mensen, ze stinken” en daarom kregen we controle van een instelling, of alles wel netjes was. En op krediet kopen, dat lukte ons niet. “Kun je het wel betalen” werd er gesnauwd. Op de pof wilden ze niet verkopen. “Jullie zijn hier nieuw”, en ze wisten niet of ze het konden vertrouwen.

Veel gehuild in het begin

De omgeving was mooi, maar de mensen. Een winkel binnenkomen…. en het werd stil. Als mijn vrouw kookte gingen overal de ramen dicht. ‘Het stonk’. En op een gegeven moment zei mijn zoon tegen een buurman: “Heb je dit geproefd?” En dan vond hij het heerlijk. Later wilden ze allemaal wel een hapje. Indische mensen praten altijd over voedsel. Kom je aan rond etenstijd, dan krijg je te eten. Dat is Indisch. Alles gaat op tafel, iedereen pakt wat die wil.

Heel veel gehuild heb ik in de eerste tijd dat ik Nederland woonde. In de fabriek werken was niks voor mij. Vaak ziek, maar ze konden niets vinden. We hadden een huisarts en die zei: “je hebt heimwee.” En ondanks dat we nauwelijks geld hadden, gingen we op vakantie naar Indonesië. De huisdokter had het aangeraden. We zijn nog tien keer terug gegaan. Daar knapte ik van op.

Ik zou nu niet meer weggaan uit Nederland. We zijn best tevreden. Verjaardagen moet je zien, dan puilt het hier uit. Dat vind ik zo fijn. En zolang ik het nog kan, wil ik het zo houden. Mijn kleinkinderen wonen iets verderop, die komen vaak langs.

Een van mijn broers is in Indonesië gebleven. Hij is heel rijk geweest, maar al zijn spullen zijn geconfisqueerd. Warga negara’s zijn tussen wal en schip gevallen. Die zitten straatarm in Indonesië. Als we daar waren gebleven zaten we tussen de allerarmste.

* Warga Negara’s zijn Nederlanders die indertijd voor de Indonesische nationaliteit hebben gekozen.

Eerder geplaatst op 5 december 2015

Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.

7 Comments

  1. Voor Jim, Jazeker…. maar degene die het mij vertelde heeft het zo niet ervaren. Maar er waren zeker rangen en standen en discriminatie.

  2. Men was zich niet bewust van discriminatie. Maar het was er zeker wel. De belanda’s discrimineerden zeker de inlanders. In die tijd was je bewust van je plaats op de sociale ladder. Je zal als inlander nooit de gelijke kunnen zijn van een belanda, de indonesïers hebben dat eeuwenlang min of meer geaccepteerd. Behalve in Atjeh, maar deze vrijheidsdrang werd dan ook met grof geweld onderdrukt. Tot Japan een soort bewustzijn wakker maakte, zo van: ” je hoeft niet naar de pijpen van die blanken te dansen. Je kan je land zelf besturen, bepaal zelf je toekomst.” Maar discriminatie was er zeker wel in Nederlands-Indïe.

  3. “Een van mijn broers is in Indonesië gebleven. Hij is heel rijk geweest, maar al zijn spullen zijn geconfisceerd. Warga negara’s zijn tussen wal en schip gevallen. Die zitten straatarm in Indonesië. Als we daar waren gebleven zaten we tussen de allerarmste”.

    Mooi verhaal!
    Mijn ouders waren ook ooit Warga Negara Indonesia, maar zijn in 1964 alsnog naar Nederland gekomen.
    Niet alle achter gebleven Indischen zijn tussen wal en schip terecht gekomen als Warga Negara. Althans niet in mijn familie.

  4. Annemarie, bedankt voor je reactie.
    Op de jeugd van deze man is de roman Vaarwel Soerabaja gebaseerd.
    Het verhaal wat verteld wordt is echt en alleen maar netjes door mij opgeschreven.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*