Waarom ik geen boeddhist ben

Als Stawrogin gelooft, dan gelooft hij niet dat hij gelooft. Als hij niet gelooft, dan gelooft hij niet dat hij niet gelooft. Dostojewski Demonen.

Niet alles is te weten en gelukkig maar. Ik woon nu al meer dan dertig jaar in Thailand en dat om redenen die ik bij lange na niet kan doorgronden. Maar met het boeddhisme waarvan dit land doortrokken is, heeft het niet al te veel te maken. De heilige boodschap uit de Lotus Sutra heeft hier zo zijn eigen doornen. Onvermijdelijk daar zo nu en dan eens over na te denken. Sociaal-culturele omgeving die op je inwerkt. Geen mens die er aan ontkomt.

Exotisch als de geur van jasmijn

Toen ik ergens begin jaren zeventig voor het eerst enkele weken in dit land doorbracht, was mijn hoofd volledig in beslag genomen door westerse filosofie & wetenschap. Zelfvergenoegd dwaalde ik rond in de constellatie van mijn eigen culturele waarden. Mijn bloedeigen Christelijke identiteit zogezegd, waar tegenwoordig zoveel over te doen is. Welke vermomming die had aangenomen wist ik ook niet zo precies. Maar van de leer van Gautama wist ik hoegenaamd niets.

Exotisch, dat was ze, net als de geur van jasmijn er wierook, die in het toen minder gepollueerde Bangkok nog overal op te snuiven was. Mijn eerste kennismaking met het boeddhisme was een jaar of wat later middels het Diamanten Voertuig, een boek van John Blofeld dat ik in Nederland opduikelde.

Antonin Cee, Waarom ik geen boeddhist ben, John Blofeld
John Blofeld

Na jarenlang verblijf in China, woonde Blofeld in Bangkok waar ik hem weer heel wat jaren later een keer zou ontmoeten. Blofeld was een rasechte, romantisch ingestelde oriëntalist, die ervan overtuigd was in een vorig leven in China gewoond te hebben. Hij overleed in 1987 en zijn as werd bijgezet in de Kuan Yin tempel in Bangkok.

Maar ik herinner me als de dag van gisteren hoeveel indruk dit boek toen op me maakte. Ik had de Engelse filosofen George Berkeley en David Hume toen al tot me genomen. Wat me vooral intrigeerde was dat het boeddhisme zich al haast twee millennia eerder over problemen had gebogen, die zij, in een wat andere vorm, opnieuw stelden. Vanuit een verschillende optiek weliswaar maar toch.

Heel kort door de bocht gaande, kun je zeggen dat voor Berkeley alle werkelijkheid, de objecten die we in de wereld aantreffen, alleen in het menselijk bewustzijn bestaan. Hij bracht ze simpelweg terug tot voorstellingen in de geest zonder een eigen identiteit. Er was alleen maar geest en de cerebrale plaatjes die ze vormt. Dat ligt heel dicht tegen het boeddhisme aan, waarin alle objecten illusoir zijn, omdat ze geen eigen intrinsiek bestaan hebben.

Antonin Cee, Waarom ik geen boeddhist ben, George Berkeley
George Berkeley

En hiermee houdt de overeenkomst dan meteen op. Kennelijk kan eenzelfde metafysische basis verschillende doelen schragen, want Berkeley was een gelovig Christen. Hoe het dan zat met dingen die (nog) door niemand zijn waargenomen, zoals laten we zeggen, het goud uit een nog onontdekte mijn? Voor Berkeley geen probleem. De Oneindige Geest (God dus) neemt alles waar. Dingen die door niemand worden waargenomen -ook niet door de Oneindige Geest- zijn er gewoonweg niet. Om het bestaan van de natuurlijke dingen te garanderen, was het poneren van een Oneindige Geest voor Berkeley een noodzakelijkheid. Onnodig te zeggen dat die Oneindige Geest voor hem samenviel met de God der Christelijke openbaring.

Het grappige is dat David Hume dezelfde argumentatie gebruikte als Berkeley (ik laat die hier voor wat ze is) om aan te tonen dat er in geheel geen geest is. Voor hem was er alleen maar materie en de zintuiglijke percepties die we daarvan hebben. Als we ze beiden zouden geloven zat de wereld vanaf dat moment zonder geest en ook zonder materie. Duizenden jaren daarvoor in het oude Indische denken hadden zich al gelijksoortige situaties voorgedaan.

Antonin Cee, Waarom ik geen boeddhist ben, David Hume
David Hume

Dingen willen die er niet zijn

In het boeddhisme liggen deze zaken natuurlijk totaal anders. Voor Shakyamuni gaat het er op de allereerste plaats om het menselijk lijden uit te bannen. Dat was de enige taak die hij zich stelde.

De oorzaak van al het menselijk lijden, zo had hij ontdekt, was gehechtheid aan zaken die eigenlijk alleen als illusies in onze geest bestaan. In feite is alles samengesteld en de samenstellende delen zijn onophoudelijk aan verandering onderhevig. In de kortst mogelijke bewoordingen, we willen dingen, die er in feite niet zijn wat uiteraard een onmogelijk streven is.

Boeddha had niets op met metafysische speculaties. Een begrijpelijke aversie want hij leefde in een tijd die daar bol van stond. Enigszins te vergelijken met die der Sofisten, die elke stelling en het tegendeel daarvan konden bewijzen. Enigszins in de trant van de hier boven aangehaalde controverse tussen Berkeley en Hume.

Boeddha was daarentegen eerder een soort arts, die het medicijn voorschrijft dat het lijden moet wegnemen. Hij bracht daarmee in Boeddhistische termen gesteld, het ‘levenswiel in beweging’. Het medicijn is het in acht nemen van het achtvoudige pad dat naar bevrijding voert. Een van de voorschriften hierin is het juiste denken. Dat houdt onder meer in het inzicht dat alle dingen illusoir zijn. Op de vraag waarom we dat van nature niet inzien en de werkelijkheid dus foutief waarnemen, blijft hij het antwoord schuldig. Dat zou immers toch alleen maar leiden naar ongebreidelde filosofische gissingen die verder niets bijdragen aan het wegnemen aan de gehechtheid aan al die illusoire dingen.

Antonin Cee, Waarom ik geen boeddhist ben, Levenswiel
Het levenswiel in beweging brengen.

Terloops zij opgemerkt dat het niet alleen om gehechtheid gaat aan materiële dingen. Je kunt je ook hechten aan ideële zaken zoals je eigen ego. Ook dat eigen ego is voor het boeddhisme een illusie en misschien wel een van de grootste obstakels op de weg naar bevrijding. Het menselijke bewustzijn is voor het boeddhisme slechts als een zintuig waarmee innerlijke gewaarwordingen worden gedaan, zoals het gehoor dat is voor het auditieve. Het is annata, niet-Zelf. Dat is logisch lekker consistent, want als je er méér in zou zien, krijgt het daarmee toch eigen identiteit. Ziel, ego, of een Zelf, is voor het Boeddhisme nergens te vinden. Zoals Boeddha het zei: ‘Ik heb er op gemediteerd, maar nergens in mezelf een ziel waargenomen’.

De geest als negatie

Voor het Boeddhisme zijn er slecht innerlijke processen en die zijn onophoudelijk, net als de waargenomen wereld buiten ons, aan verandering onderhevig. Bekeken vanuit een bepaalde hoek, vertoont het boeddhisme dan ook een zekere overeenkomst met het existentialisme zoals Sartre dat predikte. Sartre vat de menselijke geest op als een volkomen negatie, als le néant zoals hij het noemde. Zoekend naar overeenkomsten tussen het Boeddhisme en westerse filosofie hebben verschillende Thaise geleerden daarin een overeenkomst willen zien en met enige goede wil is die ook wel te vinden. Maar Sartre was er niet op uit de mensheid van haar onheuse begeerten af te helpen. Ook hier dient een min of meer gelijkvormige metafysica kennelijk verschillende doelen.

De vergankelijkheid van alle dingen en het onwerkelijke streven om die te bezitten of vast te houden met als gevolg het menselijke lijden, is het geraamte dat de Boeddhistische leer bijeenhoudt. Het is de Dhamma, die voor Shakyamuni een natuurwet was, waar niet aan te tornen viel. Het was geen menselijk bedenksel Om het wat sjieker te zeggen, het was geen fenomenologisch verschijnsel, maar een absolute waarheid.

De Dhamma geldt overal en altijd, zelfs als er geen mens is die er weet van heeft. Ze is eeuwig en onveranderlijk en er is niets aan te reviseren. In feite heeft de Dhamma verschillende betekenissen, die met elkaar samenvallen zoals elk absoluut rechtens toekomst. Want kenmerkend voor elke absolute waarheid is dat ze alles omvattend wil zijn. De Dhamma is in het Boeddhisme een absolute natuurwet en tevens de Boeddhistische leer waarop niets valt af te dingen. Tegelijkertijd is het Boeddha zelf. In zijn eigen woorden: ‘Waar en wanneer je de Dhamma ziet, zie je mij’. Dat laatste zet natuurlijk de deur open Boeddha als een God te beschouwen wat hier en daar op versluierde wijze ook wel gebeurt. Een soort imminente kille god, zoals bijvoorbeeld Spinoza het zag. God als natuurwet zonder enige compassie.

Anderen hadden het eerder betoogd

De Dhamma als een God (het Absolute) gereïncarneerd in het vlees van zoals ook Christus dat was. Ik ben de weg, de waarheid en leven, is een van zijn uitspraken, die frappante gelijkenis vertoont met de wijze waarop het Boeddhisme de Dhamma opvat.

Misschien is dat niet zo verwonderlijk. De Duitse schrijver Holger Kersten schreef een boekje getiteld Jesus lived in India. Daarin stelt hij dat Jezus tussen zijn twaalfde en dertigste jaar in India gewoond zou hebben en daar zijn opleiding zou hebben gekregen voordat hij aan zijn openbare leven begon. Verschillende andere schrijvers hadden dat trouwens al eerder geponeerd. Holger Kersten betoogt ook dat Christus niet aan het kruis zou zijn gestorven. Niks zoenoffer om de zonden der mensen weg te wassen. Voor hem is dat geen enkele reden om de christelijke leer de rug toe te keren, want de weg, de waarheid en het leven van Christus is de liefde en die kan het ook zonder de kruisdood stellen.

Antonin Cee, Waarom ik geen boeddhist ben, Jezus lived in India

De weg die Boeddha inslaat is die van het achtvoudige pad als onderdeel van de Dhamma. En juist die Dhamma, de absolute natuurwet die in Boeddha tot vlees wordt is niet vergankelijk.
Als alle processen die ik in mijn eigen innerlijk waarneem onophoudelijk veranderen dan is de Dhamma daar dus onvindbaar. Daar helpt het juiste denken ook niet aan. Gebruikmakend van dezelfde argumenten waarmee Boeddha het ego ontkent is ook de Dhamma te ontkennen.

Het mysterie haar ruimte laten

Tenzij ik er in wil geloven natuurlijk en daarmee wordt het boeddhisme een religie als alle andere. Het boeddhisme heeft daar wel een antwoord op: Als je ernstig ziek bent en medicijnen nodig hebt dan vraag je aan de dokter die het toedient toch niet waar hij zijn bul gehaald heeft? Vertrouwen hebben dus, geloof en hoop zijn ook hier onontbeerlijk. Maar als het goed blijkt te werken is alles toch in orde?

Ik wil best geloven dat het boeddhisme ‘werkt’ in de zin dat je er een blijer mens door kunt worden. Ik geloof ook dat het christendom vertroosting kan schenken aan hen die het nodig hebben.

Maar het feit dat het ‘werkt’ betekent nog niet dat de onderliggende gedachte waarop ze steunt, correct is. De middeleeuwse mens wist niets van zwaartekracht. De dingen vielen naar beneden omdat ze hun natuurlijke plaats zochten, zoals Aristoteles dat gewild had. Toch wisten de middeleeuwers prima gebruik te maken van katrollen om de zwaartekracht te verminderen bij het optakelen van de mergelblokken naar de hoogte van de gotische toren. Anders gezegd: foute theorieën kunnen in praktijk heel goed werken.

De Nederlandse filosoof Jan Bor, die jarenlang doorbracht in een Zen klooster in  Japan en alle koans  van buiten leerde, deed in zijn boek de Grenzen van het Denken een ultieme poging het boeddhisme te verzoenen met metafysica, van welke aard dan ook. Een onmogelijk opgave natuurlijk want ze dienen andere meesters. Zo af en toe komen ze elkaar wel eens tegen en knikken elkaar dan hoffelijk gedag. En daar blijft het bij.

Zelf wil ik wil niet meer weten dan geweten kan worden en houd absoluten of ze zich nu aandienen als goden of natuurwetten, op ruime afstand. Ondertussen zing ik uit volle borst het levenslied mee waaraan een ziel zich zo genoegelijk kan optrekken. Nu eens dit dan weer dat. Soms een klassiek deuntje .Afhankelijk van de luim ook wel eens samen met Jagger een ode aan de duivel, die het menselijk bedrijf in haar facetten heeft aangezien.

En gul als ik ben, laat ik laat het mysterie haar eigen ruimte. Ik eis niet meer van het menselijk avontuur op deze wereld dan het wat het te bieden heeft. Heus, ik koester geen enkel verlangen daarvan bevrijd te worden.

Antonin Cee
Over Antonin Cee 146 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

1 Comment

  1. Deze uitspraak, Antonin, mag ik even?
    ‘Waar en wanneer je de Dhamma ziet, zie je mij’
    Die komt uit de hierna volgende Sutta. De ernstig zieke Vakkali verontschuldigt zich dat hij de Boeddha niet heeft kunnen opzoeken. De Boeddha zegt dan dat het helemaal niet erg is want ‘Waarom zou je dit verachtelijke lichaam opzoeken? Ik ben de Dhamma en de Dhamma ben ik.’ Uit de context blijkt dus dat de Boeddha bedoelt dat hij als persoon absoluut niet belangrijk is maar dat alleen de Dhamma telt. Dat is mijn interpretatie. ‘Zoek mij niet op, zoek naar de Dhamma’.

    Seeing the Dhamma, Vakkali Sutta

    [The Buddha visits the Ven. Vakkali, who is sick]

    Now the Venerable Vakkali saw the Blessed One coming from a distance, and tried to get up. Then the Blessed One said to the Venerable Vakkali: “Enough, Vakkali, do not try to get up. There are these seats made ready. I will sit down there.” And he sat down on a seat that was ready. Then he said:

    “Are you feeling better, Vakkali? Are you bearing up? Are your pains getting better and not worse? Are there signs that they are getting better and not worse?”

    “No, Lord, I do not feel better, I am not bearing up. I have severe pains, and they are getting worse, not better. There is no sign of improvement, only of worsening.”

    “Have you any doubts, Vakkali? Have you any cause for regret?”

    “Indeed, Lord, I have many doubts. I have much cause for regret.”

    “Have you nothing to reproach yourself about as regards morals?”

    “No, Lord, I have nothing to reproach myself about as regards morals.”

    “Well then, Vakkali, if you have nothing to reproach yourself about as regards morals, you must have some worry or scruple that is troubling you.”

    “For a long time, Lord, I have wanted to come and set eyes on the Blessed One, but I had not the strength in this body to come and see the Blessed One.”

    “Enough, Vakkali! What is there to see in this vile body? He who sees Dhamma, Vakkali, sees me; he who sees me sees Dhamma. Truly seeing Dhamma, one sees me; seeing me one sees Dhamma.”

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*