Vreemdeling thuis (1). Inburgering

Alex Ouddiep, Vreemdeling thuis, Inburgering

Locatie: Ten Katemarkt, Amsterdam

‘Kan ik hier zitten? zei ik. Ik vraag het maar, je moet overal toestemming voor hebben in dit land.’
De vrouw was van zekere leeftijd, leren jasje, bordeaux geverfd haar met paarsvleug, laarsjes, sigaret.
“Ga rustig zitten, ik leg je niks in de weg, hoor.” Het klonk heel Amsterdams, alleen haar zinsmelodie was wat ongewoon.
‘U bent niet van hier?’
“Uit de Oekraïne, Kiev, maar lang geleden.’

Mijn eerste associatie (schrijf ik nu) was niet het neergeschoten vliegtuig maar een gedicht van Jevtoesjenko dat ik kende van een  cursus Russisch in mijn studententijd. Het was politiek gevoelig, over de massamoord op duizenden Joden bij het binnentrekken van het Duitse leger en de betrokkenheid van niet-Duitsers.

‘Kent u het gedicht Babi Jar?
“Meneer, dat is geen gedicht. Dat was de zuivere werkelijkheid.”
Ik had direct spijt van mijn vraag.

Lange stilte.

“Mijn vader was Joods, mijn moeder Russisch maar die hebben het kunnen ontlopen.”

Stilte.

“We waren in Kiev in goeden doen, moeder lerares en vader handelaar, we kwamen niets tekort. We hoorden even goed bij de Joden, de Russen als de Oekraïners. Of even slecht. Maar we konden niet weg, hè, alleen naar de Oostbloklanden. Vóór de perestrojka ging ik via Praag naar Nederland. Hier kreeg ik een goede baan, ik ben genetica. We hebben drie kinderen. Mijn leven lag nu hier, ik kon overal in de wereld naar toe. Maar ik voelde me niet thuis, hè. In Kiev had je politieke politie, maar privé waren we vrij. We liepen bij elkaar in en uit, konden open met elkaar praten. Veel klagen, wat ze hier noemen: je hart uitstorten (haar Nederlands was perfect). Maar na mijn eerste maand vroeg een collega hoe het ging. En net als thuis flapte ik er uit dat het vreselijk was, dat het helemáál niet ging enzovoort. Ze nam me toen even apart en zei: Natásja, zoiets moet je hier nóóit zeggen, het gaat hier áltijd goed met je. Nee, ik voelde me niet thuis.”

Stilte.

Toen: hoe ik heette en waar ik vandaan kwam, ze hield me voor een buitenlander. Het klimaat, zei ik, had me uit Nederland verdreven, al twintig jaar woonde ik in de tropen.
“En nu ben je terug in Nederland.  Kun je je thuis voelen. Op afstand met elkaar praten.” (Ze bedoelde: afstandelijk, het was haar enige taalkundige glijder). Sarcasme. Nog steeds niet thuis dus.

Ze maakte aanstalten om te vertrekken, stak nog een sigaret op.
“Je moet donderdagavond naar het wijkcentrum komen. Natásja staat dan achter de bar. Kan Aleks weer Nederlands praten, kunnen we samen klagen. Is ook goed voor je inburgering.”

Na een paar stappen draaide ze zich om: “Ik bedoel, voor je hèr-inburgering.”

Alex Ouddiep verwisselde zijn woonplaats Chiang Mai twee maanden voor Europa: Nederland, Friesland, Portugal. Hij doet verslag van min of meer toevallige gesprekjes in de publieke ruimte. Komende zaterdag/zondag aflevering 2.

2 Comments

  1. Deed me denken aan ‘kin khâo rǔeyang?, heb je al gegeten? Net als ‘ Hoe gaat het met je? ‘ is het veelal een groet maar om iemand te vertellen dat het nooit de bedoeling is om serieus in te gaan op de vraag is ook verkeerd. Vertel dan iemand dat er meestal een korte positieve reactie verwacht wordt omdat het geen echte vraag maar meer een groet is.
    Als een gesprek ongelegen komt dan volstaat een ‘ja hoor’ maar je moet ook gewoon (leren?) aanvoelen wanneer er wel plaats is om een gesprek te houden over wat je dwars zit of om samen wat te gaan eten.

    Ongetwijfeld zullen de inburgeringsboekjes wat anders vertellen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*