Vlucht naar Pattaya van volkse Vlaming met paardenstaart

Alphonse Wijnants, Paardenstaart, Vlucht Pattaya

LB17 01 Grote Jean En Kleine Jean

Ik was een beetje onthutst daar al vroeg op de morgen in Brussels Airport. Het kwam door toedoen van Jean.

Wat hij me had gezegd! Onderweg lagen er bomen om, afgebroken takken in het rond. Het had ’s nachts gestormd en de lucht hing nu laag, terwijl ik met mijn koffer de overvolle parking overstak. Iedereen was op skivakantie vertrokken. De inkomhal was voor een part gerenoveerd, na de aanslag van vorig jaar.
Terwijl ik naar de desk van Thai Airways zocht, geraakte ik ook nog een beetje onthutst en verwonderd over mijn eigen reactie. Jean toch…

Normaal krijgt weinig mij nog van mijn stuk. Ik zeg dat niet vanuit een zekere trots, dat zou misplaatste trots zijn. Maar vanuit het besef dat in een mensenleven alles kan. Ik zie zoveel in de wereld en ik ben ruimdenkend geworden. Maar wie zegt dat hij ruimdenkend is, is het vaak niet – mijn ervaring.

Ik zat in Zaventem, luchthaven Brussels in een Panos-hoekje. Ik was ruimschoots op tijd en het geel van hun huisstijl deed pijn aan de ogen. De koffie was niet bijster lekker. Ik word stilaan moe van al die Starbucks- en neo-Starbucks-koffieshops die de wereld koloniseren. In Kunming betaalde ik onlangs vijfendertig yuan, vijf euro, voor een cappuccino die er niet mee door kon,

Starbucks-koffie… de Calvin Klein van de koffiebeleving. Zo verkopen ze het toch. Het is overal zo, ook in Thailand. Het is de wet van de middelmaat. Ze beloven je de aroma’s van de hooglanden. Je krijgt slootwater van de laaglanden. Niet te slecht, niet te goed, een middelmatig aftreksel – grootmoederskoffie. Net niet genoeg reden om uit je krammen te schieten voor een klacht.

Alphonse Wijnants, Paardenstaart, Vlucht Pattaya

Daar aan een tafeltje bij de koffie kwam ik aan de praat met een man in een slonzig jak en op sandalen. Jean! Hij had een jongere blozende man bij zich, een reus van een jongen met een blos, krullend askleurig haar, een metalen bril, een volrond gezicht, dikke oorlellen. Die jongeman beaamde alles wat Jean zei en voegde er telkens een goedkeurend lachje aan toe. Het bleek zijn zoon te zijn, maar iedere gelijkenis was zoek.

We zijn allemaal anders. En ja, we vinden wel dat we anders zijn – maar tevens vinden we onszelf een beetje beter anders. Geef het maar toe. Daar begint het gerommel, ons ego speelt ons parten om in een dialoog van de gelijkwaardigheid te gaan. En anderzijds willen we ook weer nièt, dat iemand anders doet… Doe maar gewoon, dat is al erg genoeg. Ingewikkeld, dat moderne leven.

Als je de stelregel ‘We zijn allemaal anders’ inziet, werkelijk inziet en toepast, worden heel wat dingen eenvoudiger. Diversiteit in zijn pure essentie. Dan accepteer je dat iedereen is zoals hij is, niet omdat hij zwart is of een immigrant, maar omdat hij bestaat. Verder geen bedenkingen toevoegen.

De Thai hebben me dat geleerd.

In februari was ik door een absolute bodemprijs van Thai Airways voor de bijl gegaan, een rechtstreekse vlucht vergelijkbaar met wat je voor een vlucht met één stop uitgeeft. Gelukkig, ik was weer op weg. Ik houd van een rusteloos leven.

Het was een volkse man, die daar aan mijn tafeltje kwam zitten, Jean, een Vlaming in hart en nieren, een vijftiger, met ruwe handen en zijn hart lag op de tong. Jean! Al dadelijk wist ik heel wat dingen en bij iedere ontboezeming keek hij betekenisvol opzij, keek me in de ogen of ik de omvang wel begreep. Zijn nek draaide schraal heen en weer als een haan op een kippenweide.

Zijn ogen stonden iets te dicht bij elkaar. Mijn aanvoelen. Het eerste zicht. Het schijnt dat je mensen leuk vindt of niet, op basis van hoe ver of hoe dicht de ogen bij elkaar staan. Verschillend bij elk mens. Een oerreflex las ik en op basis van dat aanvoelen kiezen we zelfs onze levenspartner.

Ho maar, het betekent niet dat je onbewust een iemand accepteert van wie de ogen dicht bij elkaar staan, omdat je eigen ogen ook dicht bij elkaar staan. Neen, zo werkt het ook niet. De diversiteit speelt een mysterieuze rol. Om een primitieve reden kan ik jou, met je ogen ver uit elkaar kiezen, hoewel de mijne dicht bij elkaar staan onder mijn borstelige wenkbrauwen. Het gaat dus niet om jou, maar om wat die uit elkaar staande ogen met jou doen. Zoiets!

De paardenstaart van Jean zwiepte in zijn levendigheid heen en weer. Eindigde op een punt. Zijn lange haar, met een elastiek samengehouden, was stug, doorstoken van een grijs dat hem een geloofwaardigheid verleende. Het grijze haar van de wijsheid.

Jean was voor twee weken op weg naar Pattaya. ‘Zo kort,’ zei ik, ‘een schamele twee weken?’ ‘Ik kom telkens twee weken,’ zei hij, ‘wel vier vijf keer per jaar. Al lang. Zo is het.’

Zijn zoon vond maar niets aan Thailand, want het duikgebeuren was er beneden peil. Nu ging hij op weg naar een godvergeten eiland beneden Australië en deed zo de hele wereld. ‘Maagdelijk,’ zei hij. Maar hij begreep de passie van zijn vader.

‘Kijk,’ zei Jean, ‘Zit ik hier met mijn vrouwtje naast me? Nee! Ik zit hier alleen. Maar telkens vraag ik mijn vrouwtje mee, soms komt ze mee maar ze amuseert zich niet zo als ik. Om elf uur gaat ze al naar bed, daar in Pattaya en dan begin ik pas. Wij delen onze passie niet.’ Hij had een brede onvervalst vrolijke grijns op zijn gezicht. Ik keek nieuwsgierig.

Alphonse Wijnants, Paardenstaart, Vlucht Pattaya

‘Het is zo simpel,’ zei hij. ‘Straks staat mijn taxi klaar op Suvarnabhumi, ik stap in, geen gedoe met bussen, voor een paar centen word ik als een heer aan het hotel afgeleverd. Mijn hartje popelt, klopt dan zo erg, dat ik er niet in slaag een dutje te doen. Dus gooi ik direct mijn been over mijn brommer en tuf naar de kameraden. Die slaan hun armen om me heen, kloppen me op de rug, duwen me een Chang in handen. Er is zoveel te vertellen. Je weet niet wat vriendschap is!’

Hij had nu zijn hele hoofd naar me toegedraaid. Zijn ogen blonken, zijn oogleden dreven in het nat. Ze stonden echt vol tranen. Achter brillenglazen schitterden de ogen van de zoon vol begrip. Hij had een blos op de kaken. Het leek me of de liefde voor zijn vader onvoorwaardelijk was. Het was mooi.

Het moet daar iedere avond een vrolijke boel in die bar op Bhuakhao Road zijn. Ze zuipen, grappen met de barlady’s, jennen elkaar, zingen Ierse liederen, kramen platte grappen uit, lachen heel hard. Dat duurt tot zes uur in de morgen, dan pikt Jean nog een vrouwtje mee voor in bed. Hopsakee, daar gaat de brommer, het vrouwtje achterop en geen alcoholcontroles. Pattaya, Pattaya, Lou Deprijck!
The night is the night,
Handsome man, very chic,
I like you, very big, sexy man, Pattaya,
Pattaya, Pattaya, Pattaya, Pattaya,
Phuuying love you mak mak.

‘Zo gaat dat twee weken aan een stuk. Als ik één uur zonnetje op een dag zie, is het veel’ zegt hij. ‘Zuipen, zeveren, neuken, slapen,’ zegt hij. ‘Die volgorde. Twee weken aan een stuk door leef ik bij de nacht.’ Zijn zoon knikte nog eens goedkeurend.

‘Maar Jean,’ zeg ik, een tikkeltje onthutst, ‘Jean, je was toch getrouwd…’

Met versteldheid, haast verstomming en zijn ogen vol onbegrip neemt hij me op, met die ogen die te dicht bij elkaar stonden. Zijn stem vol goedige spot en met gespeelde boosheid en een duidelijke knik met betekenisvolle blik naar zijn kruis: ‘Getrouwd? Niemand! Hoor je, niemand, niemand commandeert Grote Jean ooit wat Kleine Jean mag of wil doen. En nog minder waar hij zich in heeft te steken.’ En dan heftig: ‘Dat zou het einde van de wereld zijn.’

De blozende zoon knikte hevig, een bonk van een vent. Hij was het met alles eens, helemaal niet onthutst. Duidelijk een jongen die zijn wereld kende.

 

Alphonse Wijnants
Over Alphonse Wijnants 26 Artikelen
Alphonse Wijnants is gewezen leraar en directeur van middelbare scholen. Voormalig copywriter. Heden: Ronddwalen in Zuidoost-Azië en kortverhalen schrijven over mensen en voorvallen aldaar.