Het Verhaal van de Week: Abiruls vrouwen

In de witte Nissan hadden we ons al enkele kilometers over de jaloezie van vrouwen gebogen, de allesverterende jaloezie die ze voor mannen tot paranoïde ziekelijke furies en feeksen maakt, hier in Zuidoost-Azië. Intussen draaiden de wielen de route af.
Abirul had me opgepikt voor het Nadias Hotel.
Your driver: Abirul Anuar Bin Manaf, Langkawi, Malaysia schoof Grab me op het scherm toe.

Is het je al overkomen dat een kokend vocht je alle kanten uit wil breken, je ogen in koortsig bloed verdrinken, je oren vol verhitte aders blijven gonzen en je gedachten als hondsdol in je rondrazen?
Zulke symptomen herken je bij deze vrouwen.
Het komt onverhoeds. Ineens rats, pats, klets, beng! Zomaar pardoes.
Ze zijn opgesloten in een ring die als een kwellende waan hun gedachten verstikt. Ook maar de geringste oogopslag, het kleinste woord, een aarzeling, zal hun achterdocht opwekken. Hun brein dichtknijpen. Hun ogen zijn camera’s die je duizendvoudig registreren. Alles controleren. Terugspoelen, herbekijken, stilstaand beeld, uitvergroten… Ze worden des duivels.
Stuurloze wraakgodinnen.

We begrepen elkaar zo makkelijk, Abirul en ik. Alsof we geestverwante kompanen leken die in een vorig leven gelijke perikelen gedeeld hadden, zo’n vermoeden overviel me toen we over onze experiëntie praatten.
Wie in Maleisië een Grab-car neemt, heeft altijd praats. Het draait alle kanten op. Alleen over twee dingen hou je je mond, over het regeringsbeleid en over de godsdienst. Abirul was heel open, een kletsgraag.

Ik was op weg naar mijn hotel in Kuah, op de zuidelijke kustlijn van het eiland Langkawi. De chauffeur was me op de Pantai Cenang Road, het populaire westelijke strand komen ophalen. Ik stond voor het Nadias. Hij reed voorzichtig op de duistere weg, stikdonker. Rijen van palm- en rubberbomen vormden een verdovende tunnel van licht en je kon ternauwernood inschatten of er een volgende bocht opdook. Hij had een rond en week gezicht.

Midden in ons gesprek na een ogenblik van stilte, dat nadrukkelijk voorbij ging: ‘Maar ik heb ontzettend veel geluk dat ze elkaar niet in de haren zitten!’
Dixit Abirul tegen mij. Hij was vijfenveertig.
Er kwam een onverholen grijns op zijn weke gezicht, hij hield het hoofd een weinig scheef, zoals hanen doen als je ze in een Maleis dorp bij een houten boerderijtje te traag passeert.
Zijn bril blonk met een groene schijn in de lampen van de tegemoetkomende auto’s die in een bocht opdoken, het was half twaalf. Zijn handen boven op het stuur. Stevige vingers.

Op het strand van Pantai Cenang had ik in mijn eentje een diner genoten. Jonge roodverbrande westerse vrouwen om me heen met blote benen in spannende katoenen broekjes deden geborneerd, aten met muizenhapjes van hun gebakken rijstschotel en geilden op de knappe Maleise barkeeper. Ze zaten hem schaamteloos met hun mobile-nummer te bestoken. Een concurrentiewedloop die ze open en bloot speelden. Hij was echt knap, een retro zoals je ze in films van de jaren zestig te zien kreeg, met lang gegolfd haar en een onbeteugelde blik in de ogen. Hij viel moeilijk te imponeren.
Geen enkele Maleise vrouw bleef nog op het strand over.

Ik kon me zo voorstellen hoe die ene Frankische prinses die het straks zou halen, over hem heen zou kronkelen en haar wang in die krullen leggen, voor ze helemaal onder zijn handen verloren ging. Clichégeluk! Maar dat je de trofee voor de neus van die negen andere blonde Frankische troonpretendentes in de bar wegsleept, is een boost van onvervalste echte keiharde realiteit!

Mijn stoel zakte weg in het zand. De muggen aten me op. De wind was wispelturig, soms stormde hij brutaal van over zee aan, zweepte de zandkorrels. Mijn oren zaten vol van het geluid dat de luidruchtige slagen van de golven in de branding maakten. Je misrekent je altijd in de kracht die de zee kan hebben. Het overstemde alles en daarna was het weer weg, als weeën bij een vrouw die gaat baren.
Maar de Tiger kostte amper vijf ringgit, een reden om langer te blijven zitten.
Langkawi is zowat het eerste eiland beneden Thailand en er zijn plenty ferries die Langkawi – Koh Lipe of omgekeerd aandoen. De reisbureaus bieden het aan als een alternatief tripje naar een ander land. Van weerszijde doen de Immigration Offices niet moeilijk.

Alphonse Wijnants, Abiruls vrouwen, Moslima

Terug in de auto. De chauffeur konterfeitte heel wat dingen. Hij had twintig jaar lang de post van kapitein op een kleinere ferryroute bezet, maar plots tegen elkaar op, inhalig als ze waren, begonnen de plaatselijke reders hun prijzen naar beneden te jagen, de slag om de passagiers. Vervolgens gingen ze failliet. Toen verscheen een maatschappij uit Singapore op het slagveld, kocht ze allemaal op, reorganiseerde, verlaagde de lonen en de bemanningsleden kregen zelfs geen maaltijd meer gratis. ‘Je zakje rijst indoen, voor je op het schip kroop,’ zei hij. ‘Ik vond het welletjes.’

Hij nam ontslag, en o, verbazing, na zijn vertrek kon hij aan de lopende band als freelance kapitein aan de slag. Ze vielen hem constant lastig met telefoontjes om ze uit de nood te helpen, in te vallen voor zieke collega’s. ‘Nu declareer ik alles, zei hij, ‘ook mijn eten, mijn verplaatsing naar de rede, mijn kleren, telefoons, dubbel op zondag, zelfs dingen die niet bestaan… en ze betalen graag! Ik snap het niet.’
‘De Grab doe je tussendoor?’ merkte ik op.

Verder hadden we het over familie, kinderen, kleinkinderen en ik doe dan mee in de praat. Hij had vier kinderen, vertelde hij. ‘Dat is veel,’ zei ik, ‘dan ben je nog altijd bij je eerste vrouw?’ En toen zei hij het mij. Met een weerklank in die stem van hem, die daar in de auto vibreerde als van een man die bijzonder uitverkoren was.
‘Ik heb twee vrouwen!’
‘Oef,’ zei ik beduusd, En dacht: Dan kom ik uiteindelijk toch een man tegen die meer dan één officiële vrouw heeft… Een echte polygamist! En toen uitbundig: ‘Congratulations! Dan moet je op die manier wel twee keer zo gelukkig zijn.’ Ik lachte veelzeggend.

Zijn ronde gezicht blonk, en zijn bril ook. Het leek of hij grappig was. Het dashboard baadde in een gedempt woelig rood licht, sommige automerken hebben dat.
‘Dat kun jij in jouw land niet,’ zei hij. ‘Officieel met meer dan één vrouw getrouwd. Dat kunnen alleen moesilims.’
‘Zelfs niet in heel Europa kan ik dat,’ antwoordde ik. ‘Daarbij, ik wil niet voor tien jaar in een krappe Belgische cel zitten te mokken.’
‘En meer,’ zei hij, ‘de god is me erg goedgunstig geweest.’ ‘The lord,’ sprak hij, maar hij bedoelde zeker Allah. ‘Bij elke vrouw heb ik twee kinderen, telkens een zoon en dan een dochter, in die volgorde.’
‘Dat is de koningswens,’ zei ik. ‘You must be the lucky man. Ook bij ons is dat. Bewonderenswaardig, man! Een jongen en een meisje, en in die volgorde.’
En ik luidop: ‘Ik heb het niet zo goed gedaan, ik heb twee zonen.’

In zijn hele familie was dat klaarblijkelijk een genetische traditie. Zijn ouders hadden zes kinderen, telkens zoon – dochter en opnieuw. Ook de ooms.
‘En hoe gaat dat in zijn werk met twee vrouwen? vroeg ik op mijn beurt. ‘Voorzeker ben je een gegoed man. Het moet je handenvol geld kosten. Hoe kun je getrouwd zijn en samenleven met twee vrouwen? Werkt dat?’
Ik wist dat een moslimman zich tot maximaal vier vrouwen kon permitteren, alleen als hij ze ook allemaal goed kon onderhouden. Anders niet.

Het compliment over zijn financiële welstand nam hij trots in ontvangst, het deed hem bijzonder deugd, dat zag ik. Zijn weke kin glom.
‘Ik heb twee huizen en elke vrouw woont in een huis. Ik bedoel, het zijn twee huizen die één huis zijn, complicated. Het zijn twee huizen die tegen elkaar aan gebouwd zijn. In het begin maakten mijn vrouwen veel ruzie, rukten elkaar plukken haar uit de kruin, rolden over straat of door de tuin voor de huizen en soms raakten ze in bittere ernst slaags, of de ene de andere wou vermoorden.’

Alphonse Wijnants, Abiruls vrouwen, Maleisië, Twee vrouwen

Ik stelde me hem al voor, met zijn weke mollige gezicht en aarzelende ogen en kleiner postuur. Een generaal op een slagveld – ontwapend, zijn insignes afgerukt, zijn sabel geknakt. Hij staat tussen twee uiterst agressieve kolonels die gezag noch orde eerbiedigen en zich zelf totterdood het opperbevel en de macht willen toe-eigenen.

‘De jaloezie tussen vrouwen onderling, daar kunnen we ons geen voorstelling van maken, zo intens en immens,’ opperde ik een beetje in mezelf.
‘Maar sinds enkele jaren zijn de ergste stormen voorbij, zei hij, ‘Gelukkig zitten ze elkaar niet meer in de haren. De jaloezie is geslonken, de confrontaties afgetopt. In het laatste jaar hebben ze elkaar zelfs gevonden, ze gaan samen winkelen, ze koken samen, eten samen, de kinderen spelen samen, de deuren staan open, de dagen lopen in elkaar. Ze hebben nu ingezien dat het geen individueel bezit is, maar dat er een gemeenschappelijk bezit gekoesterd moet worden.’
Ik keek verwonderd.

Alphonse Wijnants, Abiruls vrouwen

‘Dat ben ik,’ en hij boog de vingers van zijn rechterhand naar hemzelf toe. ‘Ik ben de garantie van hun beider welzijn.’ Zijn bril glom met een groenige schijn als een tegenligger passeerde. Zijn kin werd een schaduwvlek.
‘Okee,’ zei ik, ‘ik begrijp het.’
Kuchend maakte hij een keelgeluid.
‘En een threesome, zal dat kunnen?’
Hij trok zijn hoofd een beetje achteruit, keek een weinig ontstemd. ‘We are moe-si-lim!’ bekrachtigde hij ferm.
En toch nog één zaak die mij curieus maakte: ‘Als het avond is, bij wie van de twee kruip je dan in bed? Beslis jij dat – en jij alleen – of zij?
‘Zonder discussie!’ zei hij ferm. ‘Ik, en ik alleen, ik heb de vrijheid van die keuze. Dat komt mij toe. En daar maken we geen woorden aan vuil.’

Ik had er nog op in willen gaan, suggereren of het alles met à l’improviste du jour te maken had. Of er vluchtige signalen werden gewisseld. Of hij een kalendertje bijhield en afvinkte om de tel niet kwijt te raken. Werkte hij intussen digitaal met zijn smartphone? Hoe hield je alles in balans? Het moest best heel ingewikkeld zijn! Allerlei vragen spookten door mijn hoofd.
Het was niets voor mij, ik was veel te sentimenteel en chaotisch.

Van achter het stuur keek hij naar mij, legde zijn hoofd een beetje scheef om me beter te kunnen observeren, zoals een haan op het erf van een Maleise rijstboer dat doet als hij iets wil inschatten.
Ik gaf geen kik, hield mijn blik onbeweeglijk in de plooi, lachte alleen wat voor me uit. Ik wist dat hij in mijn ogen wou zien hoe geloofwaardig zijn woorden geklonken hadden. Hoe effectief ze mij van zijn bijzondere status hadden overtuigd.
Ik hield mijn mond nu.

Wij, als mannen, misrekenen ons altijd in de kracht die vrouwen in hun hoofd kunnen hebben. Sterk als de getijden van oceanen. Van man tot man zullen we het nooit toegeven, hoe ze ons als stropoppen heen en weer gooien. Tegelijk ons fijntjes de illusie van macht laten.

Hij bleef vorsend kijken. Ik wou niet toegeven dat ik hem op zijn woord geloofde. Dat doen mannen niet onder elkaar! Toen, op dat moment, terwijl ik Abirul onnadrukkelijk aankeek, kreeg ik eigenlijk alleen maar beelden uit geschiedenisboeken door, kleurige schilderijen van zwakke Franse koningen met een weke kin, geportretteerd op het moment dat er weer een revolutie begon te schudden, de haan opstandig op een erf begon te kraaien. Ook zij door de werkelijkheid ingehaald.

Langkawi, Maleisië – december 2019

Meer Alphonse op Trefpunt:Thaise vrouwen en de verborgen agenda van de Boeddha
Alphonse Wijnants
Over Alphonse Wijnants 35 Artikelen
Alphonse Wijnants (België) is gewezen leraar en directeur van middelbare scholen. Voormalig copywriter. Heden: Ronddwalen in Zuidoost-Azië en kortverhalen schrijven over mensen en voorvallen aldaar.

1 Comment

  1. Mooi Alphonse. En gij hebt tenminste tijd om je litteraire verzuchtingen neer te pennen. En dat doe je bijzonder goed. Echt.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*