Een nachtelijke strooptocht. Aflevering 3: De aapman

Uit het donker klonk een lachje, hoog en vrolijk. Toen opende zich een tunnel van licht. Aan het uiteinde klemde Duc zich vast aan het fragiele bamboe geraamte van de onderwereld. Door de lichtstraal schoten de donkere vormen van vogels of vleermuizen, te snel om met het oog te volgen. De straal zakte, nu stond Vinh in het spotlicht, zijn rug tegen de muur en zijn mond geopend in een geluidloze schreeuw.

‘Jij ook. Blijf waar je bent,’ zei de lichaamloze stem en de lichtstraal zwaaide door de grot, bleef een moment rusten op een geweer dat met de kolf op de grond stond naast een broekspijp en een blote voet, en klom toen weer naar Duc.
‘Jij mag naar beneden komen.’
Duc liet zich langs de paal glijden en ging naast Vinh staan.

Weer klonk het lachje. ‘Jullie staan al tegen de muur. Ik hoef alleen nog maar te schieten.’ Het licht werd een kleine cirkel op de grond, die snel naar de jongens toe bewoog. De man die opdoemde in het gelige schijnsel van Duc’s fakkel was een van de aapmensen van De Buffel. Hij was klein, niet langer dan Vinh, en tenger gebouwd. Hij droeg het vaalzwarte katoenen werkpak van een landarbeider en zijn gezicht was het botte gezicht van de bergstammen.

De aapman keek de jongens onderzoekend aan. Die sloegen hun ogen neer, ongemakkelijk onder de vorsende blik en niet gewend aan oogcontact met vreemden. Wat ze nu konden zien was nauwelijks geruststellender. Het geweer dat de man losjes bij de loop vasthield was anderhalve meter lang. Het had een zwarthouten kolf en zag eruit alsof het uit een lang vergeten oorlog stamde. Antiek als het was, leek het een verhaal te kunnen vertellen van dood en verminking en warm, spuitend bloed.

‘We gaan een boottochtje maken,’ zei de man toen hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd. Hij zei het op de terloopse toon die bij deze opmerking paste en Duc dacht in zijn smalle ogen een sprankeling van humor te zien. De aapman had geen geweer nodig om zelfverzekerdheid en competentie uit te stralen. Hij gebaarde met zijn hoofd in de richting waar hij vandaan was gekomen.
‘Na jullie.’

Vinh en Duc keken elkaar aan. Duc schudde zijn hoofd. De man deed een stapje opzij en richtte zijn zaklamp op de achterwandwand van de grot. De cirkel van licht ving twee bamboe palen en de eerste dwarsverbinding.
‘Lopen.’
De jongens kwamen los van de wand.
‘Vergeet jullie touw niet,’ zei de man.
Vinh raapte het touw op en hing het om zijn schouder. Bijgelicht door de zaklamp liepen ze voor hun bewaker uit de grot door. Het klikken van de vogels klonk hen in de oren als een grandioze uitbarsting van smalend gelach.

In de achterwand was een nauwe spleet, net breed genoeg voor één persoon. Toen ze weer onder de open hemel stonden, bevonden ze zich aan de zuidkant van het eiland. De lichtjes van het vasteland waren niet te zien. Een natuurlijke trap daalde af naar een inham, waar een stalen sloep op het stille zwarte water lag.

Met de straal van zijn zaklamp dirigeerde de man de jongens naar het bankje in de boeg en hij maakte het meertouw los van een bamboe staak die in een rotsspleet was gestoken. Het bootje schommelde nauwelijks toen hij aan boord stapte en op het bankje in de achtersteven ging zitten. Hij legde het geweer op zijn dijen en duwde de boot af voor hij aan het touwtje van de buitenboordmotor trok. De motor sloeg in één keer aan en de aapman trok de gashendel helemaal open. Duc en Vinh moesten zich aan de boorden vastgrijpen om niet voorover te vallen door de plotselinge acceleratie. Vinh kwam half overeind.

‘Hij brengt ons naar open zee om ons dood te schieten. Spring! Spring!’
Duc greep hem bij de arm en trok hem terug op het bankje.
‘Waar gaan we heen?’ riep hij. Zijn stem klonk hoog en dun boven het huilen van de motor. De aapman maakte met zijn vrije arm een gebaar dat van alles kon betekenen.
Duc keek naar het witte kielzog dat hen verbond met Schildpadeiland. Toen draaide hij zich half om en bestudeerde het open water voor hen.
‘We gaan naar de kaap.’
‘De barakken,’ zei Vinh.

Dit is de derde aflevering van een fragment uit ‘Tyfoon’, geschreven door Rob Verschuren. 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*