Een nachtelijke strooptocht. Aflevering 2: Vleermuizen

In de grot was de duisternis absoluut en het was er doodstil. Niet langer de stilte van de nacht, maar de stilte van de diepzee, alsof elk geluid gesmoord werd door tonnen water. Ze roken de vogels, een geur van uitwerpselen en warm dierlijk leven. Vinh streek een lucifer af. Duc hield een van de fakkels boven het vlammetje, en toen de hars brandde stak hij er een tweede mee aan. Ze hielden de toortsen boven hun hoofd en keken om zich heen. Het licht viel op de dichtstbijzijnde wand, maar bereikte de andere wanden en het dak niet. Het rotsgesteente was doorploegd met spleten en barsten en glom op sommige plaatsen van het vocht. Overal stonden bamboe palen en primitieve steigers en boven hun hoofd voerde een bamboe loopbrug de donkere leegte in. Het had iets heroïsch en meelijwekkends tegelijk, deze fragiele constructies waarmee de mens de fossiele botten van de aarde zelf te lijf ging.

Vinh liet zijn adem hoorbaar ontsnappen.
‘De vogels.’
Duc keek met toegeknepen ogen naar de vormen die door de grot fladderden, te snel en te grillig om te volgen.
‘Vleermuizen.’

Toen begon het geluid. Opgeschrikt door het licht en de stemmen vlogen de gierzwaluwen op van hun nesten en begonnen aan een doelloze, nachtelijke dans, heen en weer geslingerd tussen de drang om te vluchten en het instinct om hun nest te bewaken. Het was een geluid dat de jongens nooit eerder hadden gehoord. Niet het schreeuwen en kwetteren wanneer de vogels in groepen boven de zee of de stad op insecten jaagden, maar het klikken van de sonar waarmee ze in het donker obstakels vermeden. Het klikken van honderden vogels, duizenden vogels, terugkaatsend van de wanden in deze kooi van steen, zwol aan als een storm uit het oosten, waar achter de horizon de warme oceaan tyfoons verwekt bij de koude lucht.

Vinh stond zachtjes te vloeken van verbazing en ontzag, zijn toorts geheven als een eerbetoon aan een onvoorspelbare god. Duc keek met stralende ogen naar boven. Het was Vinh die het zwijgen verbrak. Hij pakte Duc bij de schouder en wees met zijn fakkel. In de schemerzone aan het uiterste bereik van hun licht was de wand bespikkeld met witte puntjes.

‘Daar.’
‘Ja,’ zei Duc.
Ze liepen naar de wand en keken langs de bamboe palen omhoog. Vinh trok de rol touw van zijn schouder en liet hem op de grond vallen. Hij schopte zijn slippers uit, spuugde in zijn handen en schudde aan een paal. Er zat beweging in, maar niet al te veel.
‘Tas,’ zei Duc.

Vinh pakte de tas aan, hing hem over zijn schouder en draaide hem op zijn rug. Toen stak hij de fakkel tussen zijn tanden en begon te klimmen. Hij klemde zijn voeten om de paal terwijl hij zich naar boven trok. Bij de eerste dwarsverbinding keek hij omlaag en stak een duim op. Duc hield zijn fakkel hoog in de lucht, als een morele ondersteuning of als een uitdaging aan de vogels, die de nachtelijke insluiper probeerden terug te drijven met hun buitenaards kabaal. Vinh klom verder. Het ging langzamer nu en hij keek vaak naar beneden. Op een meter of zeven hoogte waren de palen weer verbonden. Vinh sloeg zijn armen om de horizontale bamboestam en bleef zo hangen. Zijn fakkel spetterde. Het lawaai van de vogels leek nog steeds aan te groeien.

‘Wat is er?’ riep Duc na een tijdje. ‘Vinh? Vinh..?’
Vinh gaf geen antwoord. Hij keek omhoog en pakte met één hand de paal boven zijn hoofd vast. Toen liet hij zijn arm zakken en hing weer aan zijn bamboe kruis, een vreemde, roerloze vorm, als een vlieg die plat is geslagen op de muur.
‘Vinh?’

Vinh draaide zijn hoofd opzij en liet de fakkel uit zijn mond vallen. Een fontein van vonken spatte op toen die neerkwam en uitdoofde. Vinh volgde, nauwelijks langzamer. Hij liet zich langs de paal omlaag glijden en kwam zittend tot stilstand op de vloer van de grot. Hij keek op naar Duc en schudde zijn hoofd. Duc hielp hem overeind.
‘Ging het niet?’

‘Godverdomme.’ Hij maakte de tas los van zijn schouder. Duc hing hem om. Zonder dat er verder een woord werd gewisseld, begon hij te klimmen. Hij greep de paal vast zo hoog als hij kon en trok zich op tot zijn voeten een ring in de bamboestam vonden, en met zijn voetzolen tegen de paal gedrukt liet hij zijn handen weer omhoog glijden, alles in één vloeiende en schijnbaar moeiteloze beweging. Hij was bij de derde dwarsverbinding voordat hij naar beneden keek. Vinh had zijn fakkel weer aangeblazen en stond te schreeuwen en naar een punt boven Ducs hoofd te wijzen. Duc knikte. Toen hij bij het eerste nestje kwam, keek hij erin en klom verder.

‘Wat doe je, man? Pluk ze. Pluk dan!’ schreeuwde Vinh.
Duc haalde de fakkel uit zijn mond en keek onder zijn arm door. ‘Eitjes.’
‘Wat?’
‘Eitjes!’ Hij trok zich weer een stuk op. In het licht van zijn fakkel was de wand boven zijn hoofd gepokt met glanzend witte pukkels.
‘Dat is ver genoeg.’
De stem kwam uit de duisternis in het midden van de grot. Duc bevroor, één hand om de paal en de andere uitgestoken naar een nestje. Vinh liet zijn fakkel vallen.

Wordt vervolgd.

Dit is de tweede aflevering van een fragment uit ‘Tyfoon’, geschreven door Rob Verschuren. De eerste aflevering werd geplaatst op 6 november 2018: https://www.trefpuntazie.com/nachtelijke-strooptocht-1-schildpadeiland/

Voor een introductie op Tyfoon zie: https://www.trefpuntazie.com/tyfoon-rob-verschuren-op-trefpunt-azie/

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*