De Tweebra

Paardje Veu en Ezeltje Sul graasden aan deze zijde van de diepe kloof. Ze graasden dat het een lieve lust was, hun buikjes stonden bol. Aan de horizon bewoog een stipje. De stip werd groter, werd een stofwolk, kwam naderbij en en hield voor  hun ogen stil. Stof dwarrelde naar de grond en Veu en Sul ontwaarden…. Ja, wat zagen ze eigenlijk? Wat stond daar, aan de overzijde van de kloof? Het had strepen en een paardenkop – nee, twee paardenkoppen! En ook twee staarten. En veel poten.

Alex Ouddiep, Tweebra

Was de nieuwkomer een zebra? Daar hadden ze van gehoord, die leefde achter de horizon. Veu hinnikte vriendelijk richting nieuweling en nieuweling hinnikte dubbel vriendelijk terug. Sul boog het hoofd tweemaal en twee zebrahoofden bogen elk tweemaal. Twee zebrastaarten zwaaiden hartelijk omhoog, de staart van Veu en het staartje van Sul wuifden even vrolijk terug. Sul plukte twee paardenvijgen van de struiken, wikkelde ze in verse ezelsoren en wierp ze over de kloof. Kadootje, grinnikte Veu, eet smakelijk! Dat was alles. Want de gestreepte veelvoeter vervolgde nu zijn weg langs de kloof, hulde zich in zijn stofwolk, veranderde in een stipje en verdween achter de horizon.

Was de verschijning een sóórt zebra geweest? Had Suls moeder niet gezegd: Zebra’s zijn net als wij, met oren ogen en een staart, ze zijn alleen zwart-wit gestreept? En de vader van Veu had geleerd dat je tegen zebra’s vriendelijk moet zijn, ze kunnen gemeen bijten en trappen. Maar zebra’s hebben, net als zijzelf, toch één enkel hoofd en maar vier poten? En hier was alles dubbel. Op het lijf na dan. Veu en Sul keken verwonderd naar elkaar en dachten na.

‘Ik heb gehoord’, zei Sul toen, ‘dat ver achter de horizon een land is waar mensen wonen met twee hoofden, vier ogen en vier benen, ze heten Ziammensen. Het zou toch best kunnen dat er ook Ziamzebra’s zijn?’
‘Ja, gehoord, gehoord… zou kunnen, maar ik geloof het niet’, zei Veu. ‘Ik heb er nog nooit over gelezen. Weet je wel zeker dat het één dier was en niet twee, twee die heel slim zijn en net doen alsof ze één zijn?’
‘Net als ons tweetjes, hè Veu, als ik me achter jou verberg?’
‘Ja, zoiets’, giechelde Veu.
‘Maar ik zag zeven poten, Veu, en zeven is toch drie plus vier, heb jij wel eens een zebra met drie poten gezien?’
Veu moest toegeven dat hij zoiets nooit gezien had, trouwens ook geen zebra met vier poten.
‘Nou dan!’
‘Ik telde er toch echt acht, Sul’, blufte Veu.
‘Veugenaar Leugenaar, ik zag er zeven.’
‘Sul Flauwekul’, hinnikte Veu, ‘het waren twee zebra’s, hoor. Acht is een viervoud en door ogen word je bedrogen, Sul, dat is bekend.’
‘En die paardenogen van jou dan! En het dier rende ook veel sneller als wij kunnen.’
‘Dán wij’, sneerde Veu die op de grammaticaschool had gezeten.
‘Lopen twee zebra’s dan sneller als één? Ga nou gauw! Het was een dubbeldier, Veu, ik heb het zélf wáárgenomen, het was een dúbbelzebra, een echte twéébra.’ En uit overmoed ging Sul op de voorpoten staan en sloeg de achterhoeven tegen elkaar, retteretet!
Zebra’s’, zei Veu nu gewichtig, ‘hebben strepen. In een kudde zien leeuwen ze dan niet apart. Bij twee zebra’s is dat net zo. Strepen  zijn een voordeelvector in de evolutie!’
Sul begreep die vreemde woorden niet en zweeg even.
‘Ik kreeg net een ideetje, Veu, eigenlijk zijn wijzelf ook een beetje dubbel. Linkerhand  rechterhand, linkeroor rechteroor, linkerbeen rechterbeen. Alles dubbel. Behalve hier dan’, en Sul bracht het rechter voorhoefje tussen de achterpoten van Veu. En Veu giechelde zoals paarden giechelen. Die kleine Sul toch!
Maar weer bij rede komend zag Veu in dat Sul het heel misschien toch wel een klein beetje bij het rechte eind kon hebben. Het kón een nog onbekend dier geweest zijn, dat mocht je niet helemaal uitsluiten. Maar wel met acht poten. Maar, dacht Veu, als je uit de hoogste deelkaste der onevenhoevigen komt en bekend bent met naamvallen en evoluties, kun je zo’n stomme ezel dan wel gelijk geven?
In dubio abstine*, Lulius’, mompelde Veus paardenbek.
‘Wat zei je, Veu, ik heb geen Grieks gehad.’
‘Ik zei dat de dubbeldieren uitgestorven zijn, lul.’

Veu en Sul werden moe van het kibbelen. Ze gingen liggen en giebelden nog wat na.
‘Een dubbeldier, hè.’
‘Twee zebra’s, gekkie.’
‘Eén tweebra, hoor.’
‘Twee eenbra’s.’
‘Braadeendje!’
‘Houd je hoefjes thuis, beest.’
‘Een hoef twee hoeven boerenhoeven.’
En zo kibbelkeutelden ze elkaar in slaap.
‘Welterusten Veu, kusje.’
‘Zoentje Sul, slaap lekker.’
En ze droomden van het land achter de horizon, met nóg vreemder dieren.

*Latijn: schort bij twijfel het oordeel op.

Gerelateerde berichten

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*