Thaise literatuur: Ussiri Thammachot, profiel en kort verhaal


ussiri khuntong3_1Ussiri Thammachot  (อัศศิริ ธรรมโชติ , spreek uit ‘àdsìeríe thammáchôot) werd in 1947 geboren in Hua Hin. Hij studeerde massacommunicatie aan de Chukalongkorn Universiteit en begon te schrijven. In 1981 won hij als derde Thaise schrijver de S.E.A Write Award met de korte verhalenbundel Khunthong, You will Return at Dawn waaruit ook onderstaand verhaal afkomstig is. Als zoveel schrijvers en intellectuelen in Thailand is hij sterk beïnvloed door de gebeurtenissen op 14 oktober 1973 en 6 oktober 1976. Issiri werkte lange tijd voor het dagblad Siam Rath.

Dit verhaal gaat over een duivels en universeel dilemma: de moreel juiste weg kiezen óf zichzelf en zijn familie een pleziertje gunnen?
Maakt hij de juiste keuze?

 

Schemering op de waterweg

Tino Kuis, Ussiri, Waterweg, Thaise literatuur
Ussiri Thammachot

 

 

Langzaam roeide de man zijn lege boot tegen de stroom in huiswaarts. De zon zonk weg achter de hobbelige bomenrij aan de oevers van de khlong maar het aanbreken van de nacht stoorde de roeier niet. Hij bewoog de boot voort met dezelfde langzame, vermoeide halen van zijn riem. Zijn hart was zwaar van lusteloos verlangen voor de duisternis thuis te willen komen.

Hij voelde zich verslagen vanaf het moment dat hij zijn boot wegduwde van de steiger bij de markt. Zijn hele bootlading van zware, groene watermeloenen had zo armzalig weinig opgeleverd dat hij het niet kon opbrengen om het goedkope bloesje te kopen dat zijn vrouw hem gevraagd had mee te nemen en zelfs geen speeltje voor zijn kleine dochter. Hij hoorde zichzelf al verontschuldigen ‘Misschien de volgende keer…we kregen deze keer niet genoeg geld’. Ze zou zoals altijd verdrietig en ontmoedigd zijn en hij moest de teleurstelling dempen, misschien door op te merken dat ‘We moeten sparen voor slechte dagen’.

Hij had ontelbare reizen gemaakt naar de steiger bij de markt om zijn watermeloenen aan de groothandelaar te verkopen, en iedere keer bleef hij achter met een gevoel van nutteloosheid en verspilde arbeid. Zijn zwoegen, en dat van zijn vrouw, was even waardeloos als het zweet dat verdampte in een zwoel briesje of drupte in de eindeloze stroming van de khlong, een nat en kleverig gevoel achterlatend dat niet opgewekt maar neerslachtig maakte. Maar zo was het nu eenmaal, er was maar één koper die de watermeloenen markt monopoliseerde. Als hij langs de steiger voer fluisterden andere watermeloen kwekers hem in een broederlijk gevoel van nederlaag toe: ‘Beter ze te verkopen dan ze te laten verrotten’.

‘We moeten meer meloenen kweken, misschien twee tot drie keer zoveel, en dan kun jij naar de tempel gaan met een stel nieuwe kleren en onze kleine kan een pop krijgen net als de andere kinderen’, zou hij zijn wachtende vrouw vertellen. Hij kon niets anders bedenken om genoeg te verdienen voor de simpele zaken waarvan ze droomden. Dat betekende natuurlijk nog meer slopend en saai werk, meer stoïcijns geduld en vooral meer wachten. Maar wachten was haar niet vreemd, het was een deel van haar leven. Ze moest altijd wachten op dingen die ze graag wilde hebben: een goedkope transistor radio zodat muziek haar eentonig bestaan kon opvrolijken of een dunne gouden ketting om mee te pronken. Dat waren de geschenken die hij haar beloofd had toen zij bij hem introk.

In de donker wordende lucht boven de rijstvelden vlogen zwermen vogels naar hun nesten, prachtig gekleurd in de gouden en oranje stralen van de ondergaande zon. De bomen op beide oevers werden donkerder en verspreidden dreigende, diepe schaduwen. Recht vooruit waar de khlong zich verbreedde en afboog waren kringelende rookpruimen zichtbaar achter een donker bosje die zich snel oplosten in de snel verblekende hemel. Toen hij verder roeide in de stilte van de avond kwam hem een motorboot tegemoet die hem passeerde en verdween in een korte explosie van geluid, het water opzwepend tot schuimende en rimpelende golven.

Hij stuurde zijn slingerende boot ter bescherming naar de oever terwijl het onrustige water een massa drijvend afval tegen zijn boeg sloeg. Hij hield zijn roeispaan stil en staarde naar de vieze drijvende rommel: daartussen lag een pop dobberend op het ritme van het onrustige water.

Hij gebruikte zijn riem om de drijvende rotzooi weg te duwen en viste de kletsnatte pop uit het water om het beter te kunnen bekijken. Het kleine stukje speelgoed was helemaal intact, er miste niets, een naakte pop met rode glimlachende lippen, een bleke rubberen huid en grote, zwarte, starende ogen die een kille eeuwigheid verrieden. Hij bewoog haar ledematen heen en weer met een gevoel van voldoening. De kleine pop zou een kameraad worden van zijn eenzame dochter die zich niet langer hoefde te schamen dat zij geen pop had en alle andere kinderen in de buurt wel. Opgewekt stelde hij zich de vreugde en de opwinding in haar ogen voor en opeens had hij haast om met zijn kostbare gift naar huis terug te keren.

De nieuwe pop kwam met de stroom mee. Hij wilde er niet over nadenken wie de eigenaar was geweest. De khlong kronkelde door zoveel stadjes, dorpen en velden. Wie weet hoeveel ogen en handen het al was tegengekomen toen het samen met het afval langs talloze andere boten en steigers dreef. Maar in zijn verbeelding zag hij toch hoe de eigenaar van de pop snikkend toekeek hoe de pop reddeloos wegdreef op de stroom. Hij zag daarin dezelfde hulpeloosheid als toen zijn eigen dochter een stuk sappige watermeloen op de stoffige grond liet vallen, en hij voelde een ogenblik medelijden met het onbekende kind.

Met een versterkt gevoel van urgentie stuurde hij zijn boot weer op weg naar huis, de klimplanten en takken die in het water hingen vermijdend. Meer motorboten, die het midden van de khlong voor zich opeisten, stuurden golven naar beide donkere oevers. Soms moest hij even stoppen mer roeien om met de riem de boot in evenwicht te houden maar het maakte hem niet boos of wrevelig. Thuis was niet ver meer en de maan zou al gauw hoog genoeg staan om zijn reis te vergemakkelijken.
Hij bleef dicht bij de veilige oever ook al was de begroeiing nu in duister gehuld. Soms schrokken nachtvogels op uit de struiken waarna ze krijsend over zijn hoofd scheerden om in de andere oever te verdwijnen. Vuurvliegjes dwarrelden rond als knipperende vonken van een dovend vuur en verdwenen in de duistere rietkragen. Als hij te dicht bij de oever kwam hoorde hij het doordringende geluid van waterinsecten als het klagend gejammer van menselijk leed, en een knagende eenzaamheid maakte zich van hem meester.

In dat tijdloze moment van alleen-zijn waar geen andere boot hem gezelschap hield – in dat tijdloze moment waar de zachte geluiden van het klotsende water deden denken aan de ademhaling van een stervende – in dat moment dacht hij aan de dood en hij werd zich plots bewust van de geur die het briesje over de khlong meevoerde- de geur van verrotting.

De bedorven romp van een dier misschien, dacht hij. Een dode hond of biggetje- waarvan de bewoners aan de khlong niet zouden aarzelen het in het water te gooien waar de stroom het zou wegvoeren en waar het water het verval van het eens levende vlees zou voltooien. Daar…daar was het, de bron van die misselijk makende stank tussen het drijvend afval in de schaduw van een overhangende banyan boom.

Een vluchtige blik, en hij wilde zijn boot weg varen van dat stinkende, afstotende ding toen iets zijn aandacht trok. Hij geloofde zijn ogen niet maar toen hij opnieuw keek zag hij een rottend menselijk lichaam tussen de massa drijvend afval. Hij verstijfde van schrik en angst en zijn roeispaan bleef halverwege steken. Het duurde even voordat hij de moed vatte om met zijn riem het vuilnis opzij te duwen zodat hij het walgelijke object kon benaderen. Met behulp van het vale maanlicht dat kil door de bladeren van de banyan boom flikkerde bestudeerde hij het levenloze lichaam met ziekelijke nieuwsgierigheid.

Net als de pop die hij zojuist uit het water had gehaald was het een naakt klein meisje, ongeveer even oud als zijn dochter. Net als bij de pop ontbrak er niets aan dit meelijwekkende kleine dode ding behalve dan de strakke glimlach en de lege starende blik. Het lichaam van het kind was afgrijselijk opgezwollen en had, in het bleke maanlicht, een misselijk makende groene tint. Het was onmogelijk je voor te stellen hoe het kind was geweest in haar frisse jonge jaren, of met wat voor stralende onschuld ze door het leven was gegaan voordat ze dit rottende lijk was geworden, het droevige maar onvermijdelijke proces dat haar uiteindelijk zou laten versmelten met de immer voortbewegende stroom van deze khlong.

Hij was zich scherp bewust van de schrijnende droefheid en eenzaamheid van ieders lot. Hij dacht aan de vader en moeder van het kind, en hoe zij zouden reageren op deze wrede wending van hun noodlot. Hoe zou hij het hen kunnen laten weten? Hij bewoog de boot naar deze en die kant om hulp in te roepen terwijl hij zijn neus bedekte met de palm van zijn hand om de ziekmakende stank van het lijk te weren.

Toen hij zich omdraaide om te zien of er een boot langs kwam viel hem een schittering op die hem een ogenblik verstijfde. Bijna geheel verzonken in het gezwollen vlees van de pols van het dode kind lag een ketting van geel metaal. Zijn hart stond een ogenblik stil. ‘Goud’, riep hij van binnen, en hij gebruikte de roeispaan om het opgeblazen lichaam dichterbij te brengen. Het plotselinge gejank van een motorboot en het licht van een olielamp deden hem opschrikken met een gevoel van schuld. Hij stuurde zijn bootje zo dat de schaduw ervan het lichaam aan de blik onttrok, en hij wachtte tot hij weer alleen was in de daarop gevallen stilte.

Het zou een flagrante onrechtvaardigheid en een onvergeeflijke stommiteit zijn als iemand anders deze prijs zou winnen. Niemand zou meer misbruik van hem maken zoals met de verkoop van de watermeloenen. Tenslotte was hij zelf de ontdekker van deze schat en hij had vreselijk geleden onder de onverdraaglijke stank van het lijkje. Ook al was het misschien geen fortuin, het was beslist meer waard dan wat hij had gekregen voor zijn boot vol watermeloenen, en het was toch de stroming die het hier had gebracht waar hij het vond.

Hij was opgetogen bij de gedachte aan dat zijn afgetobde vrouw die nu het bloesje kon dragen waar ze al zo lang op wachtte en misschien zou hij voor haar een mooi gekleurde bijpassende phanung uit het Noorden kopen, en meer kleren voor zichzelf en voor hun kind. Voor het eerst zou hij het geluk proeven van geld uitgeven zonder de pijnlijke steken in zijn hart als hij afstand deed van zijn zuur verdiende inkomsten. Hij hoefde alleen nog maar tegen de stroom in naar zijn huis te roeien. Het geluk dat het uitgeputte gelaat van zijn vrouw zou doen oplichten en de verlangende blik in de ogen van zijn dochter, hoewel kortdurend en voorbijgaand, waren zegeningen even kostbaar als een plensbui op een verdroogde akker.

Het maanlicht lag als een zilveren vlies over het golvende water en het eindeloze gezoem van de insecten leken op de gebeden voor de doden. Hij hield zijn adem in en met het watermeloenen mes sneed hij in het zachte gezwollen vlees van de hand en de pols van het dode kind. Beetje bij beetje liet het rotte vlees los van de witte beenderen en dreef weg waarbij de stralende gouden ketting zichtbaar werd na verborgen te zijn geweest in het dode weefsel. De stank was nu zo overweldigend dat hij hapte naar adem en toen hij de ketting in zijn handen had kon hij het kokhalzen niet meer tegenhouden. De geur van de dood kleefde aan zijn mes, zijn handen, zijn hele lichaam. Hij kotste overvloedig in het water, waste vervolgens zijn mes en zijn handen waarna het water elk spoor van zijn walgelijke daad wegvoerde. Net als de stukken dood vlees.

Het lichaam, door een duw met de riem bevrijdt, dreef langzaam stroomafwaarts in stille eindigheid. Hij duwde de boot van de oever naar het midden van de stroom. Zijn blik viel op de pop in de boot. Het lag daar met de bevroren glimlach op de rode lippen en de lege zwart geschilderde ogen, haar handen opgestoken in een gebaar smekend om mededogen. ‘Het is bezeten door een geest! Het is die kleine meid!’, schoot het door zijn gedachten. Haastig smeet hij de pop in het water waar het afdreef in dezelfde richting als de eigenaresse.

‘Wat zou het!’ dacht hij, zijn hart gevuld met vreugde. Hij kon voor zijn dochter een andere pop kopen om mee te spelen,of misschien wel twee. Niet langer voelde hij zich bedrukt over wat hij eerst als een nutteloze tocht had beschouwd. Denkend aan zijn vrouw en kind die nog geen weet hadden van zijn onverwacht geluk roeide hij met nieuwe energie zo snel mogelijk naar zijn huis waarvan hij in de verte de lichten al zag achter de struiken.

Hij dacht geen ogenblik meer aan het arme kleine lichaam. Het kon hem niet meer schelen waar het vandaan kwam en of de ouders kennis zouden krijgen van het lot van hun kind. Die kleine menselijke tragedie verdween in de grotten van zijn geest waar slechts een spoortje achter bleef.

Hij roeide met buitengewone kracht en uitbundigheid verder.

Tino Kuis, Ussiri, Thaise literatuur

Vertaling: Tino Kuis.

 

 


Tino Kuis
Over Tino Kuis 135 Artikelen
Tino Kuis. gepensioneerde huisarts, woont in Zutphen. Na zijn opleiding werkte hij drie jaar als tropenarts in Tanzania en daarna vijfentwintig jaar als huisarts in Vlaardingen. Hij heeft in Nederland drie volwassen kinderen. Tino verbleef van 1999 tot 2017 in Thailand. Zijn 18-jarige Thaise zoon studeert in Chiang Mai. Tino heeft zich gespecialiseerd in Thaise taal, cultuur en geschiedenis.

5 Comments

  1. Tino, chapeau, wanneer je dit echt uit het Thai hebt vertaald, een mooi verhaal en geeft mij eindelijk wat inzicht hoe de Thaise literatuur in elkaar steekt. Botan heb ik in het Engels. Ik ben altijd benieuwd hoe je met een andere taalstructuur relatief complexe zaken toch kunt verwoorden. Dat blijkt dus te kunnen zelfs zonder vervoegingen, voorzetsels, tussenwerpsels, voltooide deelwoorden en alle andere waarover wij in onze taal blijven struikelen. In Thailand ga je, en blijf je gaan, nooit ging, daarvoor gebruik je een ander woord, zoals een doek een doek blijft en afhankelijk waarvoor het wordt gebruikt apart wordt benoemd. Lang heb ik dat als primitief beschouwd, maar ben daarop teruggekomen.
    Jammer, dat ik het lezen van Thai niet meester ben.

  2. Heel mooi en heel waar, Tino.
    Daarom opnieuw mijn verbazing… Thuis, in mijn bibliotheek,
    (ik lees alleen in het Nederlands, vertalingen dus)
    heb ik verhalenbundels van over de hele wereld.
    Meulenhoff heeft vroeger eens ooit een hele reeks uitgegeven,
    ‘Verhalen uit…’ Maar niets van Thailand. Verbazingwekkend.
    Ik kijk uit naar ander goed werk dat je me leert kennen.

    • Het enige boek waarvan ik zeker weet dat het in het Nederlands is vertaald is ‘Botan, Brieven uit Thailand’, nog steeds te verkrijgen, google maar eens. Een prachtig boek.
      Ik las hier en daar dat er andere boeken in het Nederlands zijn vertaald, zoals de verhalenbundel van Kamsing Srinawk. ‘The Politician & Other Stories maar die heb ik nooit kunnen vinden.

      Noot van de redactie: onder het verhaal over De Goudbenige Kikker vind je een link met verwijzing naar de plek waar je andere door Tino Kuis vertaalde Thaise literatuur kunt aantreffen.

  3. Dank je, Tino. Je hebt een goede neus voor verhalen.
    Dit is echt een gaaf verhaal, sterk in opzet en concreet zintuiglijk.
    Het kan gewoon een verhaal van bij ons zijn. Heel modern.
    Ik genoot ervan.

    • ‘Het kan gewoon een verhaal van ons zijn’, zeg je, Mee Farang, en daar heb je gelijk in. Ook in Thailand gaat het in de literatuur over de ‘condition humaine’, over liefde en haat, blijdschap en verdriet, moed en lafheid. Niets ‘Thais komen van een andere planeet’, wat je zo vaak hoort. Alleen de details verschillen. Ze bidden en steken een kaarsje op in een tempel en niet in een kerk. Ik zie geen fundamentele verschillen tussen het ‘westerse’ en het ‘Thaise’ gedachtengoed en dat laat ook de Thaise literatuur zien.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.