Thaise kicks op route 66 (slot)


Kicks

Nathanael, ieders ongeluk bestaat er uit dat alles waar we naar kijken altijd wordt onderworpen aan wat we zien.

André Gide, Les Nourritures Terrestres.

Antonin Cee, Route 66, Highway 106

Onder een stralend blauwe hemel ben ik deze morgen vertrokken uit Chiang Mai toegeknikt door een breedlachende zon. Hij is al een flink eind onderweg naar zijn winterwende en dit zijn ochtenden van een heerlijke frisheid. Het voelt aan als mediterrane lente. Ik reis samen met Julia, mijn albino Honda SH scooter. Als we en route zijn vormen we een goed stel. Julia geeft me gelegenheid het voorbijtrekkende landschap eens stevig te knuffelen. In een auto is dat anders.

Over het land bruist een magisch licht, dat aan de kleuren psychedelische dimensies geeft. Het lijkt op het binnenste van de kijkdozen die we in de tijd van zelfhulp als kinderen maakten. Ik neem de oude route langs de Ping rivier. Waar ze een bocht maakt zitten zijn armholtes vol grote plukken waterhyacint. Er zit een jongen te vissen. “Hello”, roept hij en steekt zijn hand op als ik langsrijd.

Ze waren gebeten door andere passies

Deze weg moet al eeuwenlang gevolgd zijn. Door andere generaties, gebeten door niet meer in te denken hoop, verwachtingen en passies. Veel zeggen ze er niet over. Thaise literatuur uit die tijd bestond voornamelijk uit hagiografie, die de roemrijke daden van koningen en edelen moest bewaren. De gewone man kwam niet aan bod. Alleen de poëzie zou hem nog tot leven kunnen wekken.

Welke dagen zij hier beleden?
Ogen zagen, een laatste blik
Voorgoed omsloten door verleden.

Eerst naar Vieng Kum Kam, dat ruinestadje, ouder dan Chiang Mai zelf. Voor een groot deel ligt het nog altijd verborgen onder wijdarmige longun bomen gespalkt met bamboestaken om de zwaarte van de oogst te dragen. Een aantal jaren terug werd het door het nationale Thaise verkeersbureau op grote affiches nogal hoogdravend in de markt gezet. “Vieng Kum Kam, the underground empire” was er op te lezen. De man die die poster ontwierp had waarschijnlijk net een documentaire gezien over Pompeii. Zoals zo vaak het geval is had het met historische feiten niets van doen.

In dit land moet geschiedenis vooral strelend zijn voor het nationale eergevoel.

Oorspronkelijk was het een jungle-route

Antonin Cee, Route 66, Highway 105
...jungle spoor…

Toen het plaatsje in de 13de eeuw veroverd werd door Meng Rai, stichter van Chiangmai, maakte het deel uit van een kring van kleine satellietstadjes als bescherming van het verderop gelegen Haripoonchai, nu Lamphun.  Dat was de laatste hoofdstad van het Mon-Rijk. En daar ontspringt de Thaise route 66, die als een dropveter in de valleien ligt. Het is de highway 106, die uiteindelijk naar het plaatsje Thoen voert, waar zij uitmondt in de grote vierbaansweg naar Bangkok.

Vroeger was dit de belangrijkste verbindingsweg met het Noorden. Ze loopt grofweg parallel aan het riviertje de Li, dat tevens de naam is van het stadje waar ik heen ga.  Het is een tang kwian, een van die oorspronkelijke jungleroutes, waar mensen in ossenkarren, op ponies, olifanten en in draagstoelen overheen trokken. Erg snel ging dat niet.

Op een paard kon je misschien een afstand van 30 kilometer per dag halen. Per olifant die al lopend foerageerden, hooguit 15 en met een ossenwagen of in een draagstoel nog minder. Als de regens kwamen werden die paden zowat onbegaanbaar.

Ze werden op wraakactie naar Chiang Mai gestuurd

Ik kan me er iets bij voorstellen.Toen ik hier pas kwam, was de noordroute van Chiang Mai naar Mae Hong Sorn nog grotendeels een junglespoor. Vele andere ook trouwens. Tijdens de moesson was het zelfs met vierwielaandrijving niet zeker dat je er doorheen kwam.

Om de zoveel tijd was er op die sporen van destijds een “paang”, een junglekamp, waar van paarden of olifanten gewisseld kon worden en koelies geronseld werden voor de draagstoelen. De nacht werd doorgebracht in bamboe hutten, die vaak voor de gelegenheid werden opgezet. Of anders onder de blote hemel.

De 106 is de weg die Khun Phen en zijn dappere krijgers gevolgd moeten hebben toen zij door de koning van Ayutthaya op wraakactie naar Chiang Mai gestuurd werden. Dat alles nadat hij een van zijn liefjes was kwijtgeraakt aan de heerser van Chiang Mai.

In het grote Thaise epos The tale of Khun Chang and Khun Pen is na te lezen hoe het in zijn werk ging.Met een betoverende mantra lieten ze de hele stad inslapen en drongen ongehinderd het paleis binnen.

Het waren wekenlange reizen

Veel meer is over deze weg niet gezegd. In het dagboek van de Duitse spoorlijn ingenieur Luis Weiler kom je af en toe een aantekening tegen. Weiler was het technisch hoofd van de maatschappij, die de spoorlijn van Bangkok naar Chiang Mai aanlegde.

We schreven begin vorige eeuw. Zo af en toe ging hij op inspectietocht en bezocht zijn collega Emile Eisenhofer, die belast was met de aanleg van de spoorwegtunnel van Kun Tan. Wekenlange reizen waren het, te paard en te voet en hij vertelt hoe miserabel hij zich soms voelde, slapend in de dampende jungle. De koelies die onderweg van uitputting of ziekte langs de weg neervielen werden achtergelaten en door niemand begraven.  Ook aan Weiler kostte het uiteindelijk zijn gezondheid.

Antonin Cee, Route 66, Highway 106
.…zwaar werk met draagstoelen …

Die draagstoelen voortslepen over junglepaden moet zwaar werk geweest zijn. Bij mijn weten is er nog maar één plek in Thailand, waar dat tot op de dag van vandaag gedaan wordt. Op Phu Kradung, een berg ten zuiden van het stadje Loei. Op de top van de berg is een klein resort annex camping, waar bezoekers de nacht kunnen doorbrengen. Alle bevoorrading gebeurt door dragers, zowel mannen als vrouwen, die een hoogteverschil van een 1100 meter overbruggen met minstens veertig kilo aan de draagstok op hun schouders.

Op sommige plaatsen gaat het haast verticaal naar boven. Bezoekers, die de klim niet kunnen of willen maken, kunnen zich in een draagstoel naar boven laten sleuren. Soms maken die dragers twee trips per dag.

Ik ben met ze omhoog gelopen en bewonderde hun gespierde kuiten en uithoudingsvermogen. Als dit soort disciplines door de Olympische Spelen geadopteerd zouden worden, maken de Thais ook eindelijk eens een kans op goud.

De glitter spat er van af

Op de 106 heeft ook Kruba Sri Vichai met zijn bedelnap rondgelopen. Deze monnik, die als een heilige vereerd wordt in het noorden van Thailand, trad in als novice in de Ban Paang tempel. Later werd hij er abtAntonin Cee, Route 66, Highway 106, vichai.
Het klooster ligt op een heuveltop langs de weg en als ik er aankom stuur ik Julia resoluut naar boven. Het is een prestigieuze tempel met veel ruimte om zich heen. In het midden staat een gebouw, waar de glitter van af spat. De Memorial Hall voor Kruba Sri Vichai.

Behalve een tuinman die bladeren aanveegt, is er geen mens te zien. Ik vraag hem of de kuti van de beroemde monnik hier nog staat. Hij strekt een arm en zijn uitgestoken wijsvinger maakt een cirkeltje. Duidelijk zo. Achter die hal moet het zijn.  Daar staat een enorme villa, dieeen gepast onderkomen zou kunnen zijn voor een pasha. Ik kijk nog wat rond zoekend naar een klein optrekje van het soort waarin monniken doorgaans verblijven maar vind niets.Dan daagt het me. Deze villa, dit is het. Ze ziet er spiksplinternieuw uit en Kuba Sri Vichai overleed in 1939. Een contradictie waar niemand aanstoot aan neemt.

Antonin Cee, Route 66, HIghway 106, Wat Ban Pang
.…geschiedenis naar hand zetten….  

Geschiedenis wordt in elkaar geknutseld

Het werpt een helder licht op hoe Thai met historische plaatsen omgaan. In dit huis heeft de grote heilige natuurlijk nooit gewoond. Hooguit stond zijn kuti ooit op deze plek. Geschiedenis wordt hier in elkaar geknutseld. Het verleden is maakbaar. Een eerbetoon aan de Groten is het, dat met authenticiteit niet veel van doen heeft. Maar denk eens in. In Domrémy staat nog altijd het boerenwoninkje, waarin Jeanne d’Arc het levenslicht zag. Wij zouden het vreemd vinden als het het werd afgebroken om er een praalwoning neer te zetten met daarop een bordje: dit is het huis van de maagd van Orléans.

Als ik een kijkje neem in de Memorial Hall zit er een vrouwtje in meditatiezit voor boeddha, die geflankeerd wordt door levensgrote beelden van de sacrosancte monnik. Ook aan de wanden hangen overal schilderijen, tekeningen en foto’s met zijn afbeelding. Bewegende lippen van de vrouw die hem toeprevelt. Ik maak er mijn rondje en net als ik naar buiten wil gaan staat ook de vrouw op. We lopen gelijktijdig de trap af.

Ze klemt zich aan me vast als aan een reddingsboei

Als ze me Julia ziet starten, loopt ze op me toe. “Kan je me een lift geven naar beneden?” Ze wil de bus nemen naar Li, waar ze met haar dochter woont en papaja salade verkoopt. Ze vertelt het in een adem. “Daar ga ik ook heen”, zeg ik en bied haar aan mee te rijden tot de stad, een dertig kilometer verderop. “Dank je, dank je”, zegt ze als een kind verblijd met het juiste cadeautje en klimt achterop.

We rijden de heuvel af met Julia lekker liggend in de bochten. De vrouw klemt zich aan me vast als aan een reddingsboei. Maar eenmaal op de grote weg praat ze honderduit, haar mond zowat in mijn oor. Het is voor het eerst dat ze een farang ontmoet die Thai spreekt. Zijn er daar veel van? “Tegenwoordig wel”, zeg ik.

Dan heb ik zeker een Thaise vrouw? Nee maar, hoe kan dat nou? Nog vrijgezel, nou dat treft, zij ook. Toen haar dochter net 4 jaar oud was trok haar man aan zijn kuierlatten en ze zag hem nooit weer. Ze is al die jaren alleen gebleven. Misschien dat ik iets in haar zie? Ze is vorige maand weliswaar vijftig geworden,maar nog jong van hart. Het vuur is nog niet gedoofd, zo omschrijft ze haar erotische ambities en bovendien ze kan aardig koken.

Het is een nooit aflatende zoektocht

Ik zwijg en laat haar rondfladderen in haar eigen verbavolente ruimte. Niet dat ik denk een begerenswaardige partij te zijn. Echt niet. Maar ik heb het zo vaak gehoord. Als ze eenmaal loskomt, geeft de Thaise vrouw zich over aan gedurfde initiatieven. Zelfs op de roltrap van een warenhuis kan er pardoes een aanzoek op je afkomen. De nooit aflatende zoektocht van deze vrouwen naar de ingang tot -naar verwacht wordt- een beter leven.

Laatst werd ik wandelend door Ayutthaya in een klein straatje door een brommer klemgereden. “I love you, I want to marry you”, riep de dame die er op zat uit zonder een enkele maal te stotteren. Met draaiende motor om zo snel mogelijk door te kunnen naar een eventuele volgende kandidaat wat verderop. Pragmatische reaal-erotiek, die zich niets laat wijsmaken. Sommige masculine zielen worden erdoor tot verrukking gebracht.

Maar misschien dat ik haar toch te oud vind?, komt de stem van de vrouw weer in mijn oor en gooit haar volgende troef op tafel. Wil ik een jonge vrouw? Wel,haar dochter is 25 en heeft een zacht karakter.

Ze maant me te stoppen bij een scheefgezakt huisje

Nok heet ze en ze is onderwijzeres op een lagere school. Met haar fijne gezichtje is ze een echte na rak. En kijk toch eens aan, het treft, want vandaag is ze vrij. Dus als ik die kant op wil, kan er aanstonds kennisgemaakt worden. Waarom ook niet, denk ik bij mezelf als we Li binnenrijden.

Antonin Cee, Eoute 66, Highway 106, standbeeld vichai
.…standbeeld….

We rijden langs een fors neergezet monument waar Krubai Sri Vichai met twee van zijn compadres een kruispunt bewaakt. Dan verlaten we en de hoofdweg en volg ik de aanwijzingen van de vrouw. In slalom gaan we door wat achteraf straatjes tot ze me maant te stoppen bij een klein houten huisje dat er wat scheef bij staat. En daar zit Nok achter het stalletje, waar de papajasalade bijeen gevijzeld wordt.

Ze heeft inderdaad een allerliefst gezichtje, maar ze is nogal plomp. Eigenlijk zo vet als een te lang doormeste kalkoen, wat waarschijnlijk alles te maken heeft met overmatig gebruik van suiker. Vroeger zag je hier haast nooit dikke mensen. Nu zijn de Thais in voorbeeldige navolging van Amerika hun jeugd diëtisch aan het vergiftigen.

Ze is nog onbedorven

“Kom zitten,” nodigt haar moeder en we zetten ons aan een wankelend doorgeroest tafeltje. “Dit is mijn dochter en ze is nog vrij”. Ze wijst naar Nok alsof daar misverstand over zou kunnen zijn. Die zit er stilletjes bij en zet grote ogen, maar haar moeder slaat er geen acht op.

Zie ik wat in haar? Ze heeft een hart van goud en nog nooit een man gehad. Yang mai sia, zoals ze het letterlijk zei, ze is nog onbedorven.

Ik zie de opkomende blos op het gezicht van Nok, die haar ogen neerslaat. Maar de moeder is niet meer te stoppen nu. Dit is toch een buitenkansje voor een oude kerel als ik. Een jonge vrouw, dat verhoogt de viriliteit. Ik laat mijn blik weer op Nok rusten en heel even komt haar hoofd omhoog en kijkt ze me in de ogen. Haast onmerkbaar schudt ze haar hoofd. Ik knik, bemoedigend en beamend, en het is begrepen. Van mijn kant geen gevaar te duchten.

Er moet een gepaste toelage gegeven worden

Plots breekt een glimlachje haar gezicht open. En ook ik lach haar toe, geef nog wat meer wijze knikken, wat de moeder opvat als het begin van een ontluikende romance. Ze zet alles op alles nu. Voor een dergelijke liaison met een fris meisje moet natuurlijk wel een gepaste maandelijkse toelage gegeven worden. Ze noemt een bedrag dat ongeveer overeen komt met het minimum loon in Nederland. En als bruidsschat 6 maanden vooraf. Het gezicht van Nok is bordeauxrood nu.

“Zullen we er een glas op drinken”, vraagt de moeder. Onmiddellijk stel ik voor om bier te gaan halen en ook wat andere lekkernijen, wat door haar als een gunstig teken ontvangen wordt. Hij is gul die vent…

Ik ben op Julia gestapt en weggereden zonder eenmaal om te zien. Indachtig de zedelijke code van dit land, die voorschrijft dat confrontatie vermeden moet worden.

Toen ik weer langs het monument van Kuba Sri Vichai kwam heb ik ook hem wijselijk toegeknikt…

Antonin Cee, Route 66

 


Antonin Cee
Over Antonin Cee 186 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

3 Comments

  1. Alweer een inblik op de Thaise ziel.
    Stel je dat maar eens voor in Europa.
    Geweldig toch.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.