Het verhaal. Pajom, de eenzame vrouw

Het Verhaal, zoontje, Erik Kuijpers

Ze is 23 en al weduwe. ‘Doe er nog maar een’ mompelt ze. ‘OK, Pajom.’ De man van middelbare leeftijd neemt een bronzen lepel en schept een rode borrel uit de kom. ‘Hoeveel is dat?’ ‘Zes baht.’

‘OK dan’ zegt ze koeltjes, onverschillig. Ze voelt in haar zak, peutert er een tien baht muntje uit en laat dat op de bar vallen. Ze kijkt naar de rode vloeistof in haar glas. Voordat ze drinkt gaat haar blik naar boven, naar het plafond met spinnenwebben.

Veel mensen in de kroeg weten dat Pajoms man een dief was. Hij is neergeschoten toen hij ivoor en antiek porselein stal uit het huis van een rijke. Dat is nu twee jaar geleden maar het doet haar nog steeds pijn. De eenzame Pajom heeft zich voorgenomen vanaf dat moment alleen nog voor haar zoontje te leven, een jongen van pas zes jaar oud.

Zijn gezicht lijkt precies op dat van zijn vader alsof ze uit dezelfde gietvorm komen. En net als zijn vader is hij slank, loopt hij zachtjes en rent zo snel als de wind gaat. Hij is de laatste schakel tussen de herinneringen aan haar man en haarzelf.

Ze neemt het glas beet en zet het weer neer zodat ze straks een tweede slok kan nemen. ‘Het is al bijna 3 uur!’ zegt ze snel tegen de naast haar zittende werkloze timmerman. ‘Die kleine van mij komt dadelijk van school terug, tenzij hij met zijn vriendjes een ommetje maakt om kempvisjes te vangen. Maar misschien ook niet want hij speelt niet graag met dingen die je niet kan eten.’

Erik Kuijpers
Siamese kempvis

Over haar zoontje en over eten

Zij praat ronduit trots over hem. Haar zesjarige zoontje onderscheidt zich van andere kinderen. Als hij over het rijstveld loopt heeft hij een muizenval bij zich, of een bamboe blaaspijp met pijltjes om een vis te spietsen. Springt hij in de vaart om te zwemmen dan neemt hij een net mee om krabbetjes te vangen onder de waterplanten. Af en toe neemt hij een duik en neemt dan een paar vissen voor haar mee. Of hij komt van school met bitter smakende slakken die hij zoekt in de lemen bodem van de sloot. Zo jong als hij nog is heeft hij door de honger al geleerd hoe aan voedsel te komen.

‘Wat doe je op het moment, Pajom?’ vraagt een werker van het beunschip. ‘Werkeloos’ zegt ze.

Hij kijkt haar eens van opzij aan; van de neus naar de lippen en naar de ronde kin. Haar ogen kijken treurig en met een nietszeggende blik. Dan zegt de man zuchtend ‘Mijn vrouw heeft gisteren op de markt tonijn gekocht en geprobeerd die uit te venten. Verdorie, een dikke schadepost. Ik had haar al gewaarschuwd maar ze wilde niet luisteren. Tonijn is duur en wie heeft er hier nog geld?’
‘Wat je zegt’ antwoordt Pajom ongeïnteresseerd.
‘Tja, van mijn loontje alleen kunnen wij niet rondkomen. Ze vindt het vervelend voor de kinderen. Mijn vrouw klaagt er over en wilde zich als dagloner aanmelden om zand te sjouwen op de bouwplaats. Ik heb dat tegengehouden. Zij is sinds de geboorte van onze jongste de oude niet meer en is niet meer zoals vroeger.’

Pajom drinkt het tweede, het laatste slokje. Ze komt er niet uit of ze zich nu verveelt of in een pestbui is. Ze begrijpt niet waarom mensen in deze buurt alleen maar ellende hebben en in de kroeg er over komen jammeren. De taxichauffeur windt zich op over de hoge benzineprijs. Arbeiders van de batterijfabriek die staken voor loonsverhoging en betere arbeidsomstandigheden hebben een zere keel van het zingen toen ze twee dagen moesten wachten op het resultaat van onderhandelingen.

De visser vervloekt zijn lot omdat de vis zo duur geworden is dat hij hem zelf niet meer kan eten. En daarbij is het moeilijk geworden überhaupt nog iets te vangen…. Het ziet er echt naar uit dat niemand hier nog geluk of welzijn kent. Dat geldt ook voor haar sinds haar man neergeschoten is; sinds ze naar deze stad verhuisd is.

Net als haar buurman moet ook Pajom knokken voor het naakte bestaan. Als iemand werk voor haar had dan ging ze direct akkoord. Ze was nooit kieskeurig. Deed alles als het maar geld opbracht: de grond omspitten, gras maaien, bakstenen uit een boot laden, zand scheppen, stenen sjouwen of afwassen. Allemaal los werk; klusjes. Als die klaar zijn moet je naar wat anders zoeken. En dat gaat maar door.

Wat werk vinden is niet moeilijk maar echt werk vinden is lastig. Pajom heeft nog nooit werk gehad waarvan je kunt zeggen dat ze er van kon rondkomen. Ze kijkt weer naar de toog. ‘Geef nog maar wat te drinken.’ Pajom begrijpt niet waarom ze toch zo’n trek heeft in die rode borrel in die grote bowlkom. Ze weet zeker dat ze niet zo aan alcohol verslaafd is als de oude vrouw die kleefrijst en gedroogd gezouten vlees verkoopt.

Erik Kuijpers

Dronken?

Pajom kent veel mensen in deze kroeg en heeft daardoor altijd wel werk gevonden. Daarom komt ze hier vaker, en eigenlijk vindt ze dat ze daarom hier iedere dag moet komen….. Nee, ze denkt niet dat ze aan dat rode spul verslaafd is zoals de opzichter in de fabriek die woont aan het eind van de straat. Het is haar bedoeling haar mond niet leeg en werkeloos te houden, en daarnaast geeft de alcohol haar een warm gevoel dat de vele bittere herinneringen verdringt.

‘Daar is mijn kind al’ roept ze blij. De arbeiders van het beunschip kunnen slechts vermoeid wat glimlachen. Pajoms opwinding, en dat ze haar zoontje zo tegemoet loopt als hebben ze elkaar maandenlang niet gezien, raakt ze diep. Ze hebben zelf veel kinderen maar willen ze overdag waarschijnlijk niet zien. Nee, ze haten hun kinderen niet maar deze openlijke uiting van liefde kan niet als ze zo vermoeid zijn.

‘Kijk toch eens hoe hij loopt!’ Pajom weet dat haar zoontje goed kan lopen maar maakt zich toch zorgen dat hij een keer valt. Zijn gezicht zit onder de modder maar zijn ogen staan op vrolijk en zijn bewegingen zijn levendig.
‘Ben je alweer dronken, ma?’; zo begroet hij haar.
‘Onzin’ berispt ze hem goedig. ‘Ik ben nog nooit dronken geweest.’
‘Maar gisteravond toch wel!’
‘Nee, schatje, maar ik voelde me gisteren niet zo lekker.’

Ze glimlacht en hoofdschuddend verbaast ze zich over het waarnemingsvermogen van haar zesjarige zoontje. Dan legt ze haar hand op zijn hoofdje en woelt door zijn kuif. ‘Heb je honger, ventje van me?’
‘Een beetje wel.’

Ze loopt terug naar de man achter de toog. ‘Mag ik van jou twintig baht lenen? Ik betaal ze over twee dagen terug.’ Ze kijkt hem poeslief aan.
De man kijkt haar diep in de ogen. ‘Dat zegt iedereen maar dan moet ik er lang op wachten, misschien wel tot sint-juttemis.’
‘Nee, ik zweer het. En ik heb nog nooit mijn woord gebroken.’
‘Ja, dat zweert ook iedereen.’
‘Dan tot morgenmiddag slechts; twee dagen hoeft niet eens’ zegt ze met moeite. ‘Of wil je ook rente hebben? Die krijg je ook van me. Twintig baht slechts. Of vertrouw je me niet?’

Het antwoord van de barman is een onveranderd tronie met de lippen stijf op elkaar. Pajom foetert en gaat stilletjes naar buiten. Bijna had ze hem van alles verteld: een vrouw als zij bedondert niemand. De man hoeft ook helemaal niet bang te zijn. Morgen zal ze zeker een paar honderd baht op zak hebben.

De schoonzuster

Het bezoek kwam onverwacht. Haar schoonzuster kan haar ellendige toestand niet langer aanzien. Maar omdat zij niet in staat was Pajom te ondersteunen had zij haar aangeraden samen naar een hotel te gaan. Vanavond zal hun eerste nacht worden.

Pajom is pas 23 jaar; haar lijf en haar huid zien er nog als nieuw uit als je haar wat opdoft en met geurende crème insmeert. Haar schoonzuster was ook bereid haar een nieuwe rok en een roze onderbroekje te lenen. Komende nacht zullen ze samen gaan. Bangkok is ver genoeg van hier af. Niemand zal er van horen – en dan nog! Per slot van rekening is je lijf van jezelf. Pajom had geen moeite met deze beslissing.

Ze zoekt in haar zakken en vindt nog twee bahtmuntjes. ‘Schat, neem dat geld en ga eerst wat eten kopen. Ik wacht hier op jou en daarna gaan we samen naar huis.’
‘Maar dan heb je geen geld meer.’
‘Jawel.’
‘Je liegt; je hebt al het geld aan drank besteed.’ En hij loopt weg.

Pajom bijt op haar lippen tot ze pijn doen. Allerlei gedachten schieten door haar hoofd. Haar zoontje is weggelopen als door de wind gedragen. Hij is mager en loopt heel licht zoals zijn vader. Zijn gezicht lijkt precies op dat van zijn vader alsof ze uit dezelfde gietvorm komen. Dan probeert ze twee baht te lenen bij de arbeiders van het beunschip, waggelt ze naar de toog en legt de muntjes neer om ze in te wisselen tegen de drank die haar warm maakt.

‘Je zult het zien. Geen nood is me te hoog om hem goed op te voeden. Misschien ga ik vroeg dood maar hij mag het niet zo zwaar krijgen als ik, of als jullie’ zegt ze snikkend.
‘Droom je, Pajom?’ zegt een stem die niet spottend is noch leedvermaak inhoudt.
‘Nee nee, ik zweer iedere nacht bij Boeddha dat ik mijn zoontje tot een goed mens zal opvoeden.’ De arbeiders van het beunschip antwoorden niet. Pajom kijkt naar buiten, naar de namiddagzon.

Erik Kuijpers
Gezouten, gedroogd rundvlees

Na twintig minuten komt haar zoontje terug. Uit zijn rugzak komt haar een sterke reuk tegemoet. Ze ontdekt al snel dat hij een paar stukjes gezouten, gedroogd vlees in de rugzak heeft.

‘Waar ben je al die tijd geweest, jochie van me?’ vraagt ze.
‘Op de markt.’
‘En waar komt dat vlees vandaan?’

Haar kind zwijgt. ‘Vertel het me nu, liefje. Maak me niet kwaad! Kom nu maar op of ik bind je vast en stop een rode peper in je mond!’
Maar haar zesjarig zoontje zwijgt en staart haar welhaast haatdragend aan.
Ineens ervaart Pajom een intens gevoel van diepe eenzaamheid. Eenzaamheid die haar meer pijn doet dan toen, die dag, dat haar man stierf; eenzaamheid die vele malen erger is dan ze straks in die hotelkamer zal ervaren.

Bron:

Kurzgeschichten aus Thailand. Vertaling en bewerking Erik Kuijpers.

Het Verhaal, zoontje, Erik Kuijpers

Auteur Rong (Narong) Wongsawan, in Thais ‘รงค์ วงษ์สวรรค์, 1932-2009. Dit verhaal van Naron werd gepubvliceerd in 1975.
Wikipedia schrijft over hem:
He was a critic of the hypocrisies of the powerful, while having sympathy for the disadvantaged. ‘Rong Wongsawan wrote in his native Thai language, although he spoke and read English fluently. He was also an occasional actor and personality on Thai television and film until his death in 2009. He is known for his innovations in the Thai language, and as with many Thai writers, used dialog to drive the story.

 

Meer lezen?

Over de auteur op wikipedia.

Toelichting

Beunschip: binnenvaartschip met dubbele wand ten behoeve van het drijfvermogen.

Foto’s

Borrelglas; foto weethetsnel.nl.
Siamese kempvis & borrelglaasjes; wikimedia.
Gedroogd rundvlees; foto (bewerkt) in dank website ‘Tante Reentje’.
De auteur; photo courtesy of happyreading.in.th.

 

Erik Kuijpers
Over Erik Kuijpers 821 Artikelen
Erik Kuijpers (1946) werkte 36 jaar als aangiftemedewerker inkomsten- en vennootschapsbelasting. In 2002 emigreerde hij naar Nongkhai in Thailand waar ook zijn partner en pleegzoon wonen. Erik pendelt nu afhankelijk van de seizoenen tussen Thailand en Nederland

7 Comments

  1. Heel erg leuk dat je deze verhalen plaatst, Erik. Ik vind het altijd opmerkelijk dat deze Thaise verhalen gewoon ook in Nederland geschreven hadden kunnen worden, als je bath vervangt door stuiver etc.

      • In Thai schrift schrijf je bath. Maar de uitspraak is baat. De h in baht dient om de klank te verlengen. Vertaling van Thais naar westers loopt via de Engelse taal en dat brengt de h er in. Of de r in woordjes als pon die geschreven worden als porn om de lange oh aan te duiden.

      • Ja, je schrijft meestal baht, sorry. Die fonetiek vanuit het Thais is zo grappig. Bijvoorbeeld mai mai mai mai. Dat staat voor het Thaise ไม้ใหม่ไม่ไหม้ en betekent ‘Nieuw hout brandt niet’.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*