Thailand. Het zout der aarde (1)

Stekend naar alles en iedereen golft de hitte door de straten, schuurt het beton tot gruis en roffelt op de daken. Het houten huis kraakt onder haar gewicht. Overdag is het in de kamer van mijn homestay niet te harden en zoek ik mijn toevlucht in Wat Phumin op een vierhonderd passen van hier. Met zijn dikke muren en vele ramen die voor wat doortocht zorgen, weet ze de hitte enigszins te bedwingen. Wat Phumin is in Nan de meest bekende tempel.

Aan haar befaamde muurschilderingen heb ik me bij eerdere gelegenheden al vergaapt. Vooral aan die afbeelding van een groepje bebaarde westerlingen op een raderboot. Waar had de kunstenaar deze wat triest ogende mannen gezien? Waren het wellicht Fransen op een zondags uitje op de Chao Phraya rivier in Bangkok? Op had hij het van een foto of gekopieerd in een andere tempel wat ook vaak gebeurt?  Hoewel ik bij binnenkomst ter begroeting nog even een blik op die mannen werp, ga ik nu alleen nog maar naar Wat Phumin om in het halfduister op mijn gemak een boek te lezen met op de kaft een cliplampje.

De homestay is een van de klassieke Thaise villa’s uit de tijd van voor de grote kap, toen hout nog niet op kon en vrijelijk uit de bossen werd aangesleept. Twee gastenkamers hebben ze er, met een gedeeld balkon dat uitgeeft op de tuin aan de voorkant, waar de hibiscus volop in bloei staat. Steeds als ik in Nan kom, dat zich als een verstekeling ophoudt in een van de valleien in het Noord Thaise bergland, zal dit mijn plek zijn.

Hier nog geen airco, zodat je aan den lijve ondervindt hoe het was toen er nog niet aan gekunstelde koeling werd gedaan om het veeleisende lijf te behagen. De mensenkeel kon het toen nog zonder gekoelde drankjes stellen. Het is eigenlijk niet eens zo heel erg lang geleden. Wij, verwende zieltjes, die niet meer zonder ijsklontjes in onze cola kunnen, vragen ons nu af hoe ze het in ’s hemelsnaam wisten te overleven.

Bij tijd en wijle vermaak ik me met een wandeling door dat nabije verleden. Deze homestay is een van die plekken waar dat nog enigszins kan. Aanleg voor nostalgie, dat zal het zijn. Mijn akker, zo zei ook Goethe al, is de tijd. Het stukje tijd dat we uitknippen in de eeuwigheid. Ik ben inmiddels oud genoeg om in mijn hoofd nog moeiteloos wat van dat verleden mee te dragen.

Sinds de laatste keer dat ik hier was, is de villa opgeschilderd in vrolijke pastelkleuren; zeepgroen voor de gevel en korengeel voor luiken en deuren. Het combineert goed met de oranje leien van het dak, wat het Art Deco gevoel uit het Belle Epoque nog verder versterkt. Tussen de andere huizen in het straatje die zich met conservatieve carbolineum tevredenstellen, staat het er nu wat pocherig bij. Ik voel me er thuis.

Hier in de streek moet ik een jonge vrouw ontmoeten, dat hoop ik tenminste. Deng heet ze en ze is reisleidster. Dat kreeg ik te horen van een collega van haar, die ik enkele maanden terug toevalligerwijs was tegengekomen in Prachuap Kiri Khan tijdens een andere zwerftocht. Ze diepte er een visitekaartje bij op. Walking the Salt Trail stond er op te lezen in witte letters op een zwarte ondergrond. Gevolgd door een naam en een vast telefoonnummer. Meer had die  collega niet van haar. Wat ze wel kon vertellen is dat Deng alles weet van steenzout, dat in de bergen op een 100 kilometer van Nan nog gewonnen wordt.

Een enkele put moet er nog zijn waar zich een dorpje omheen heeft geschaard. Het heeft zich eenvoudigweg Bo Klua genoemd, wat staat voor zoutput. Dat is waar Deng woont en ze heeft het allemaal uitgezocht. Hoe het was in die door mythen en sagen bespannen dagen dat dit steen- of klipzout zoals het ook wel genoemd wordt, nog een betaalmiddel was. Voor niet meer dan een zak klipzout van bescheiden afmetingen kon een polygeen ingesteld man er nog een droomvrouw bijkopen.

De koningen van de Noord Thaise stadstaatjes, Phayao, Chiangmai, Phrae en ook Nan zelf, bevochten elkaar om voldoende aanvoer van klipzout uit Bo Klua zeker te stellen. Over smalle junglepaden door bergachtig gebied met roofdieren en rovers om het te beletten, moest het door dragers worden getransporteerd. Deng zou weten waar die oude junglepaden lopen. Als ik haar kan vinden hoop ik er met haar een trekking te kunnen maken. Al drie dagen bel ik haar ettelijke malen per dag, maar tot nu toe wordt haar telefoon niet opgenomen. Een boodschap kan ik niet inspreken want ze heeft er geen antwoordapparaat op staan. Ook een op het verleden gericht persoontje, schat ik op goed geluk in.

Het is niet de eerste keer, dat ik op zoek ga naar een zoutroute. Tientallen jaren geleden zou ik met een Armeense vriend La route du Sel in het Pyreneese hooggebergte gaan afreizen, die stamt uit de Romeinse tijd. Die Armeniër werd net als ik van tijd tot tijd, bestookt met nostalgische ideeën. Hij kwam met het voorstel het te paard te doen. De wisselvalligheden van het leven volgend zoals ze zich aandienen, was ik er meteen voor te vinden.

Jong, onverschrokken en onversaagd, gingen we op weg. We vertrokken vanuit Perpignan op een stel koppige knollen, die net binnen ons budget vielen. Hun hele leven hadden ze ritjes uitgevoerd voor toeristen op de mediterrane stranden. Aan hun berijders hadden ze geen enkele boodschap, om van enige affectie maar te zwijgen. Er was geen zweep tegen opgewassen. Je kreeg ze nauwelijks in een drafje. Verder dan een dorpje een twintigtal kilometer voorbij Prades, waar het nog lang geen hooggebergte is, zijn we niet geraakt. Het kostte vier dagen er te komen. Ofschoon ik in die dagen nog wat meer vlees op mijn botten had, voelde mijn achterste aan als rauwe tartaar, waarop het zoutvaatje is omgevallen. En we hadden nog weken te gaan.

Het was een van die charmante dorpjes tot op de dag van vandaag meer verbonden met Catalonië dan met Parijs, dat dit met lede ogen aanziet. Het brood brekend aan een bergstroompje met pikante saucisson sec en streekwijn bliezen we halverwege de tweede fles het plan af. De paarden stonden zich in het water gulzig vol te drinken en zagen er trouwens uit alsof ze nooit meer in beweging te krijgen waren.

Ook bij mijn Armeense vriend die in zijn leven van de ene opwelling naar de andere draaft, was de focus ineens anders gericht. Want daar was plots dat alleraardigst dorpsmeisje dat zich in een wat melancholieke bui ook bij dat bergstroompje kwam verpozen. Om daar haar gedicht van de dag neer te schrijven, zoals ze in goedaardige Catalaanse loslippigheid in een enkele ademtocht liet weten. Ze had haar notitieboek, waar ze die in onderbracht al in de hand met een keurig lintje eromheen. In die rijmelarijen van Catalaanse vrouwen speelt de toekomstige echtgenoot tussen alle verzuchtingen door de grote glansrol. Neem er mijn woord maar voor, want in mijn Franse dagen heb ik heel wat die hunkerende poëtasterijen aangehoord.

Als er erotisch iets naar zijn gade te beleven valt, stormt mijn Armeense vriend er kloek op af, als een dorstige kameel op de oase na een dag van telgang in de woestijn. Het zit in zijn bloed, dat snel opgewonden raakt. Het is trouwens de oudste passie op het evolutionaire fresco van het menselijk gedrag. Ze kan knagen, net als honger in je ingewanden. Met een paar glazen wijn weet hij haar te overtuigen, dat die poëtische dromen van haar nu werkelijkheid gaan worden. En op mij wijzend informeert hij tussen neus en lippen door of ze wellicht nog een rijmelaarster kent om de seksuele symmetrie weer in evenwicht te brengen.

Nou, zo iemand kende ze wel, zei ze liefjes blozend om daarmee op subtiele wijze haar medeplichtigheid in het komende avontuur aan te geven. Maar die was aan het werk in de dorpsherberg. Het gevolg was, dat we de paarden stalden bij een boer, belden naar het verhuurbedrijf ze daar op te halen en zelf onze intrek namen in de herberg, waar we een paar zoete dagen hadden. La route du Sel in het hooggebergte hebben we nooit gehaald. In Nan hoop ik een omissie uit het verleden goed te kunnen maken.

Wordt vervolgd. 

 

Over Antonin Cee 200 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*