Thailand. Crematie in Hua Hin

Crematie in Hua Hin

Van de expat-gemeenschap is een handjevol komen opdagen voor de crematie in Hua Hin van de 54-jarige pensionuitbater Willem Reynaerts. Dit om hem de laatste eer te bewijzen in de grote crematoriumhal. Buurtbewoners, personeelsleden, een paar kennissen en zijn beste vriend John uit Nederland zitten er ongemakkelijk bij. Op plastic blauwe stoeltjes die on-Thais strak in het gelid staan. De handen gevouwen terwijl zware bromstemmen van zes monniken in oranje gewaden weergalmen tegen het houten puntdak.  Enkele tempelhonden lopen snuffelend langs het podium waar de grote zwarte kist, met een levensgrote foto, wordt verzwolgen door massa’s bloemen en papieren witte vogels met lange snavels en stelten van poten. De dienaren van Gautama Boeddha begeleiden met hun monotone gezang de ziel naar de hemel, waar hij mag wachten op een volgende reïncarnatie.

John zijn keel snoert dicht, zijn handen trillen en hij snakt naar een glas witte wijn. Hij denkt aan zijn vlucht uit Amsterdam en dat hij zijn vriend nog heeft mogen zien. De afgelopen twee weken waarin Willem afscheid nam van het leven. Terwijl de woorden stukjes uit de lucht halen denkt hij aan de eenzame doodstrijd waar alleen hij en zakenmaatje mister Joe bij mochten zijn, daarna het vreselijke telefoontje naar moeder Reynaerts, de lange ambtelijke weg in het doolhof van papieren om het lichaam vrij te geven en een ziekenhuis dat graag van het lijk af wil. Voor de laatste keer zit hij nu voor de doodskist. De avond ervoor al begonnen de eerste rituelen en gebeden. De kist op het podium is echter leeg. Alleen Willems foto waar hij met grote blauwe ogen de fotograaf aankijkt staat op de houten deksel. Kaarsen werpen schaduwen op zijn blozende gezicht.

In het ziekenhuis-mortuarium was Willem al aan het ontbinden. Grimmig denkt John aan het onverschillige personeel dat bezuinigde op de koeling die te laag stond. Met een pickup-truck brachten ze het lichaam die ochtend, in een lijkwade op een baar, naar de tempel. Ze hurkten ernaast. Met een doek voor hun mond hielden ze de geur die opsteeg tegen. Geholpen door tempelhulpen tilden ze de baar van de truck, liepen ermee door de lange hal waar helemaal achterin de muil van de oven begerig open stond. Ze schoven Willem erin, door het zwartgeblakerde stenen omhulsel zal de rouwenden een onwelriekende geur bespaard blijven, bedacht John en voelde zich bijna even opgelucht dat de klus bijna geklaard is.

Langzaam vullen de eerste stoelen zich. Een paar vrouwen zijn met grote pannen eten bezig op een lange tafel met warmhoudplaatjes. Een beetje jolig zitten de monniken op een houten verhoging met matjes, neerkijkend op de rouwenden, met elkaar te kletsen. Exact acht uur beginnen ze dat te doen waar ze voor betaald worden. De overledene bijstaan op de reis die hij gaat afleggen. Routine van alledag in de tempel, die dagelijks meerdere crematies onder dak heeft. Tussen de gebeden en preken door dollen, lachen en kletsen ze, frunnikend aan hun katoenen gewaden. Het publiek, dat met de handen gevouwen het ceremonieel volgt, totaal negerend.

Na de laatste gebeden waarin Willem wordt gemaand om naar het licht terug te keren worden familieleden en vrienden een voor een naar voren geroepen om met een wai-gebaar voor de kist, met daarom heen bloemen, sierlijke papieren vogels en walmende kaarsen, afscheid te nemen. John buigt diep voor zijn vriend, die Nederland voor altijd verliet om zoals hij zei in het paradijs te gaan wonen. Zijn hersenen ratelen maar door, zijn handen beginnen weer te trillen. Herinneringen in flarden uiteen gereten vragen om aandacht. Herinneringen aan de voorbije jaren, afgelopen dagen, Willems doodstrijd, hun vriendschap in Nederland, hoe ze samen opgroeiden, de vele keren dat hij Pattani bezocht, hoe zijn beste vriend steeds meer en meer wegzakte in het moeras van het Land met de Glimlach, en…. Een hand op zijn schouder haalt hem uit zijn overpeinzingen. Iemand stoot hem zachtjes aan. “We go now, must burn your friend.”

Terwijl de mannen in oranje een toontje hoger gaan zingen, schuiven twee tempelknechten in zwart shirt, zwarte broek en met zwarte schoenen aan de gietijzeren luiken van de oven met een krakende ruk open. Vlammen likken al gretig links en recht aan het witte lijkgewaad. De hitte slaat op het gezicht van de wachtenden. “You first”, fluister een gast met een knikje. John neemt een papieren bloem, bukt zich een beetje en met tranen in de ogen werpt hij die op het vuur, waar het papier zich meteen kromt en tot as vergaat.

Het is bijna negen uur in de zwoele avond. De geschenken zijn overhandigd aan de monniken, de enveloppe met geld in de hand van de tempel-abt gedrukt en iedereen doet zich tegoed aan kip, rijst en groente. Muziek van de barretjes met hun gezelschapsdames in de nabijgelegen Poolsukstraat, waait John zijn kant op. De Flamingo Bar heeft nu een klant minder, denkt hij en loopt driftig het terrein af. Een tempelhond schrikt en vlucht piepend weg. Bij de tempelpoort slaat hij linksaf, hij haast zich langs Arno’s stamcafé en een rij massagesalons, slaat de winkelstraat in die richting strand glijdt en loopt het steegje in naar het guesthouse van zijn vriend dat baadt in spotlights. Een paar backpackers zitten aan de bar te wachten, waar niemand is om hen te bedienen. Zijn aandacht wordt even afgeleid. Een rookpluim uit de schoorsteenpijp van het crematorium cirkelt speels naar boven, dansend tussen de hoge rode puntige daken van het tempelcomplex.

Heel even wordt het zwart voor zijn ogen. Hij wankelt en leunt tegen de witte ruwe muur van de smalle steeg. Een verpletterende werkelijkheid overvalt hem. Hij rilt, heeft het ineens koud en draait zich om. Zijn tremoren worden heftiger. John weet instinctief waar hij wezen moet.

Hij verdwijnt in het feestgedruis der toeristen en witte wijn waar de vage mist voor zijn ogen steeds dikker wordt en verwordt tot een palet van gekleurd licht, brallend geschreeuw, kindergezichtjes en rozen verschijnen en verdwijnen in de verte, aanrakingen, ijs in glas dat rinkelt, wijn die gulzig zijn weg vindt, dorst, veel dorst, mensen die terug-praten, alleen zijn, soms even besef, dan weer alles donker, meer drank. Een glas valt over de rand, meisjeshaar beroert zijn gezicht, hand tussen zijn benen, de blik is vertroebeld, hij wil slapen, hij wil lopen, hij zakt weg, kin slaat op de tafelrand, ineens harde grond, voeten om hem heen, iemand schreeuwt in zijn oor, hij zweeft, er is niets meer, gelukzalig gevoel, gesjor, man kijkt hem recht in de ogen, ‘where you go!, zachte engelenstem antwoordt, kotsen in de goot, stemmen in zijn hoofd, zacht wiegend tegen borsten, bescherming, duisternis schuift voor zijn ogen. Hij is weer even vrij en glijdt weg in ogenschijnlijke vergetelheid.

Met een bonkende wijnkater en een droge mond schrikt John wakker. Een meisje met lang zwart zijdeglans haar kijkt hem met koolzwarte ogen aan vanonder een spierwit laken. Haar vuisten omklemmen de rand. Waar was hij ook alweer geweest? Langzaam dringt de rauwe werkelijkheid zich aan hem op.

Bert Vos
Over Bert Vos 75 Artikelen
Bert Vos is journalist, publicist en ZZP'er in Amersfoort. Hij is ook een enthousiast Thailand-reiziger.

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*