Thailand. Begoochelingen (1)

Antonin Cee, Inheems Kruid, Begoochelingen

Ergens in Chiangmai in een van die cul-de-sac steegjes doodlopend op een tempelpoort, zaten ze aan de bar, broederlijk naast elkaar. Het was op het heetst van de middag, die zelfs de schaduwen liet vibreren en in sommige zielen een existentiële hunkering oproept. Ze dronken Margarita’s en waren aardig op weg flink aangeschoten te raken. Twee Nederlandse jongens van zo te zien nog maar net in de twintig. Ze hadden elkaar daar voor het eerst ontmoet, maar waren door de alcohol al meteen kompanen geworden.

De een had een oranjeachtig kapsel van opstaande gelstekels en een kokkerd van een neus geaccentueerd met een belachelijk klein groen brilletje. Om zijn neus bij het drinken uit de weg te houden, gooide hij steeds als hij zijn glas hief, zijn hoofd achterover alsof hij van achter werd aangereden.
Het was een druk baasje. Als hij praatte, maaide hij wild met zijn armen om zich heen; waarschijnlijk alleen maar om aan zijn woorden de kracht te geven, die aan zijn iele stemmetje ontbrak.

De ander, een lange slungel die met een kromme kattenrug op zijn kruk zat, was nog niet helemaal van zijn jeugdpuistjes af, maar zijn haar al aan het verliezen. Vermoedelijk had hij door zijn hoofd kaal te scheren, die realiteit volledig weten te interioriseren als schoonheidsideaal. Aan de achterkant van zijn eivormige schedel precies boven zijn nek, had hij een tattoo van het vredesteken laten aanbrengen. Op zijn oorlellen zaten grote ronde oorclips, die net als bij trompe l’oeil ramen gaten opriepen waar er geen zijn.

De bar – meer dan een geribbeld afdak was het eigenlijk niet- bevond zich naast de tempelhof, die lag te blikkeren in de zon. Het was smoorheet, maar af en toe speelde een vederlicht briesje met de windbelletjes onder het tempeldak.
‘Hoor je hoe sereen dat klinkt?’ zei de lange en hield zijn hoofd schuin alsof hij in vervoering naar klassieke muziek zat te luisteren uitgevoerd in pianissimo.
‘Verrukkelijk land is dit hier’, zei de oranjeman. ‘Ik zou hier best wel willen wonen’.
‘Wat let je’, vroeg de lange. ‘Er zijn er heel wat die dat doen’.
De oranjeman wreef duim en wijsvinger en zette dikke lippen op alsof hem onrecht werd aangedaan.
‘Pegels’, zei hij. ‘Je moet er wel poen voor hebben’.
‘Dat is waar’, beaamde de lange en trok ook een pruillip, waarschijnlijk om solidariteit te betuigen.

Antonin Cee, Inheems Kruid, Begoochelingen

De Margarita’s werden gemixt door een Thais meisje met lange blauwgelakte nagels, die ze had laten opmaken met acrylbloemen en strass steentjes. Haar haren die bijna tot op haar heupen vielen, golfden als een zwarte lap zijde over haar rug. Ze was in het kortst denkbare spijkermini en droeg hooggehakte schoentjes van een doorzichtige kunststof.
Als ze aan het mixen was, hield ze de beker recht voor haar buik en bewoog hem op en neer, als met de wensstokjes voor het beeld van Boeddha. Daarbij hield ze haar hoofd schuin achterover alsof ze in contemplatie naar de sterren staarde. Onderwijl dansten haar borsten de horlepiep onder haar T-shirt, waarop een vuurrode mier was afgebeeld met daarboven in bloederig Dracula-schrift van hetzelfde rood: my favorite pet.

Buiten de twee jongens was er in de bar slechts één andere klant, een forse, wat oudere vent met een groot gegroefd gezicht. Hij had zijn ogen achter een polaroid bril en de resten van zijn grijze haar glad naar achteren in een staartje.
Voor hem stond een fles Saeng Som, sodawater en een emmertje ijsblokjes; de lokale mix voor de goedkopere expat, die de plaatselijke schutkleur heeft aangenomen.

Zijn gebruinde huidskleur gaf hem iets sportiefs, maar die indruk werd weer te niet gedaan door het feit dat hij aan een stuk door rookte. Sinds de jongens waren binnengekomen had hij vanachter zijn zonnebril een paar keer een steelse blik op hen geworpen, maar nog geen woord gezegd. Zo nu en dan draaide hij zich om naar de tempel, waar een vijftal nen – dreumesjes van een jaar of zes die er onderricht kregen- de dode bladeren aan het aanvegen waren. Een was er aan het sproeien om het stof neer te slaan. Ze hadden de onderkant van hun oranje pij opgebonden rond hun middel, waardoor ze met hun verbrede heupen en magere beentjes op rondscharrelende kippen leken.

Telkens als de man naar ze keek, klemde zijn hand zich om zijn glas alsof hij bang was dat iemand ermee vandoor zou gaan. In zijn ander hand, ergens zwevend op gezichtshoogte, hield hij zijn sigaret tussen duim en wijsvinger, zoals sommigen dat met sigaren doen. Dan verdiepten zich de groeven in zijn gezicht, alsof hij ergens hard over na zat te denken. Als hij zich weer naar de bar keerde, dronk hij zijn glas in een teug leeg om zich meteen weer bij te schenken. Met zijn wijsvinger roerde hij de ijsblokjes door de mix. Het was duidelijk dat hij zich stierlijk zat te vervelen.

Antonin Cee, Inheems Kruid, Begoochelingen

Vanuit de tempel klonk de zware galm van een gong, die lang bleef doorneuriën in de doezel van de namiddag. Een van de tempeljongens had er op geslagen en maakte op zijn korte beentjes een hoekig dansje, waarbij hij zijn armen liet ronddraaien alsof hij gymnastiekoefeningen deed. De andere nen joelden en zwaaiden met hun bezems.
Op het horen van de gong hadden de jongens aan de bar zich ook omgedraaid naar het tempelplein en keken geamuseerd toe.
‘Zie je die glimlach?’ zei de lange, ‘man, geweldig niet?’ ‘Waar je ook kijkt overal die glimlach. Wat een verrukkelijk land. Dat is bij ons wel even anders. Dat zet je toch aan het denken, niet?’ Zijn hand maakte een denigrerend wegwerpgebaar.
‘Die mensen hier hebben een stuk minder dan bij ons’, ging hij verder op zijn verongelijkt toontje. ‘Maar ze zijn daarom zeker niet minder gelukkig, dat kun je zo zien’. Zijn stem trilde van verontwaardiging.

Hij zweeg even om een slokje te nemen. ‘Als je puur op de buitenkant afgaat, dan zou je toch zeggen dat iedereen hier stukken beter in zijn vel zit. Dat frist op. Eens even geen stress en frustratie. Man, als ik kon, zou ik morgen hierheen verhuizen’. Zijn spraak begon al wat lijzig te worden.
‘Mijn idee’, viel de oranjeman onmiddellijk bij. ‘Maar, voorlopig…’, hij maaide weer met zijn armen in het rond, ‘ik heb in ieder geval wat geld in mijn zak en ben van plan hier een hele tijd te bivakkeren’.
‘Laten we daar dan op drinken’, zei de lange zijn rug rechtend. Ze hieven hun glas, tinkelden, dronken het in een teug leeg en zetten het gelijktijdig met een klap terug op de toog. De man met de paardenstaart, keek een ogenblik naar ze en heel even leek er een zweem van een lachje rond zijn lippen te spelen.

‘Two more’, riep de lange naar het meisje dat naast de ijskast in een tijdschrift zat te bladeren.
‘Hoe lang ben je hier al?’ vroeg hij zich weer naar de oranjeman kerend.
‘Morgen een week’. De oranjeman schoof zijn brilletje recht en krabde aan zijn grote neus. ‘Zat eerst een paar dagen in Bangkok. De Khao San Road, je kent dat wel, waar al die toeristen uithangen. Maar dat vond ik niks’.

‘Dit hier’, en hij maakte een vaag gebaar naar het meisje dat met dansende borsten weer aan het mixen was, ‘dit is het ware Thailand’.
‘Ik heb van die wijk gehoord’, neuzelde de lange weer. ‘Het staat in elk reisboek. Het moet ooit een leuk volksbuurtje geweest zijn. Zoiets als de Quartier Latin, voordat al die toeristen er aan de wandel moesten. Voor mij zijn dat precies de plekken om te mijden. Al die lui, die op een kluitje bij elkaar kruipen. Er zijn er daar waarschijnlijk meer van ons soort dan lokalen, zoals op zoveel van die plaatsen. Gelijk heb je. Dit is het ware. Ik ben vanuit Bangkok meteen doorgereisd en pas vanmorgen aangekomen. Er zit nog steeds een kurk in mijn oren. Jetlag, begrijp je wel’.
Hij strengelde zijn vingers in elkaar, bracht zijn handen boven zijn hoofd en rekte zich uit. ‘Mijn ziel is nog niet in me gevaren. Waarschijnlijk dwaalt hij nog ergens onderweg in het Midden-Oosten. Ik ben er nog niet helemaal bij, Maar ik hoop dat hij snel aankomt zodat ik dit wonderlijke land als een compleet persoon kan bekijken’. Zijn hand sloot zich om zijn mond om een opkomende geeuw te onderdrukken.

Antonin Cee, Inheems Kruid, BegoochelingenHet meisje kwam met de Margarita’s, zette ze met een lichte buiging op de bar en streek met beide handen haar haren terug alsof ze een gordijn opendeed. Ze glimlachte een puntgaaf gebit bloot voordat ze op haar glasmuiltjes weer terug trippelde naar haar tijdschrift.
‘Jezus, wat een stuk’, zei de lange, ‘daar wil je wel wat mee’.
‘Zou ik denken’, beaamde de oranjeman. ‘Hoe oud denk je dat ze is? Dat is zo moeilijk te zeggen hier. Maar die glimlach maakt me gek. Wat een heerlijk land. Die mensen zijn zo, hoe zal ik het zeggen…’, hij aarzelde even alsof het woord niet uit zijn mond wilde komen, ‘ nou ja, zo lief eigenlijk’.
‘Veel beschaafder, lijkt het. Dat komt door het boeddhisme denk ik; dat verzacht. Dat is zo door en door tolerant naar alles en iedereen. Dat maakt het leven een stuk aangenamer. Bij ons is dat wel even anders. Daar heeft iedereen altijd zijn zegje klaar. Vertellen ze je meteen, wat jij zou moeten doen. Ik heb er daar schoon genoeg van. Ik stik in dat moralistische zootje. Ik hoef nooit meer terug. Hier wil ik echt wel oud worden…’

 

Het verhaal ‘Begoochelingen’ komt uit de bundel ‘Inheems Kruid’, een door auteur Antonin Cee omgewerkte versie van zijn boek Tussen Eigen en Ander. Wij publiceren ‘Begoochelingen’ in vijf delen, vandaag het eerste.
Antonin Cee
Over Antonin Cee 118 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).

4 Comments

  1. Perfect beschreven hoe toeristen (en sommige expats) Thailand beleven en beoordelen. Ik kan ze niet kwalijk nemen dat ze alleen de fraaie en opwindende zaken zien, daar komen ze tenslotte voor. Bij mij, wonende op het platteland kilometers van enige bebouwing, duurde het jaren voor ik in de gaten kreeg hoe het werkelijk was. Nu heb ik de neiging soms te veel de nadruk te leggen op alle negatieve zaken in Taailand. Ik vind het moeilijk een evenwicht te vinden tussen wat aantrekt en wat afstoot. Voor mij is Taailand het land van verwarrende tegenstellingen.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*