Begoochelingen (3). De verrukkelijke Thaise glimlach

Tiet nam weer een haal, maakte van haar lippen een cirkeltje en blies een rookkransje de ruimte in. De jongens keken het na en deden er het zwijgen toe. De lange hing met zijn kromme rug over de bar, bewegingloos als een kat in doodsangst. Vanachter zijn brilletje zat de oranjeman naar Tiet te gluren met samengeknepen ogen, waar nog maar weinig licht in zat. Een paar krukken verder begon de man met de paardenstaart aan een hoestbui, die een halve minuut aanhield om daarna meteen weer een sigaret op te steken.

Antonin Cee. Begoochelingen, Thaise glimlach

‘Neem gerust van me aan’, ging Tiet verder toen niemand wat zei, ‘we zijn er best blij mee, dat al die westerse allesweters ons uitgelegd hebben wie en wat we zijn’.
‘Nu hebben we gelukkig ons eigen Amazing Thailand, dat ons Nationaal Verkeersbureau op de buitenlandse toeristenmarkt zo ferm uittoetert. We moeten er nog even aan wennen. Eigenlijk staan we er zelf paf van. Natuurlijk is het een niet meer dan een façade, waarmee het Westen ons opgezadeld heeft. Dat befaamde land van de glimlach, weet je wel… En toch, we gaan er ons naar gedragen. Vroeger glimlachten we eenvoudigweg als dat zo uitkwam; het hoorde er gewoon bij. Het kon van alles betekenen. Ik vind je wel aardig of  neem me niet kwalijk; maar ook donder een eind op. Het hangt er maar van af. Maar nu moeten we onze thaiheid in ere houden. We zijn consciëntieus gewonden. Het Westen heeft ons dat bewustzijn gegeven. Net als veel andere dingen, waar we voorheen geen benul van hadden, zo gaat dat hier. We krijgen allerlei cadeautjes’.

‘Zie dan toch eens hoe gul we zijn’, mengde de oranjeman, die al die tijd niets gezegd had, zich ineens in het gesprek. ‘Dat moet je ons dan toch nageven’.
De man met de paardenstaart schonk zijn glas weer eens bij en zat geluidloos wat voor zich heen te mompelen. Niemand besteedde er enige aandacht aan.
‘Tiet, ik vind je een moordwijf’, balkte de lange.
‘Vind je?’ zei Tiet. ‘Dat is bijzonder aardig van je’. Met gespreide armen draaide ze een pirouette op haar kruk. ‘Geloof me, ik weet zelf ook wel dat ik niet al te slecht in elkaar gezet ben’.
‘Zeker te weten’, viel de oranjeman haar bij.

Antonin Cee. Begoochelingen, Thaise glimlach

‘Maar hoor eens’, hervatte Tiet zich naar de lange kerend, ‘die glimlach waar jij zo weg van bent is voor ons simpelweg een gemakkelijke manier van communiceren’ ‘Een minimale inspanning om snel iets duidelijk te maken. Het is een warm land hier. Je moet het kalm aan doen. Het is een kwestie van krachten sparen’. Met opgetrokken lippen, tanden op elkaar, gaf ze hem een demonstratieve grijns en drukte haar shagje uit.

‘Ze hebben ons zo veel over onszelf verteld’, vervolgde ze een vlakke blik op de jongens richtend. ‘We zijn op de snijtafel gelegd, tot op het bot ontleed. Wat we toch niet allemaal zijn. Het is om van te watertanden…, een ludiek volk, niet zwaar op de hand… Dat komt ook van een van die antropologen. Nou toe maar…, het zal best een aardige vent zijn, maar eentje met krasse meningen. Volgens hem komt het omdat we in een vruchtbaar land leven. Alles komt zo uit de grond kruipen… Aan eten geen gebrek… Dat laat tijd over om spelletjes te doen en lol te trappen. Maar ga ook maar eens kijken in het noordoosten. Daar groeit echt niet zoveel. De grootste tijd van het jaar ligt het er bij als craquelé aardewerk dat net uit de oven komt.’

Aan het andere einde van de bar zat de man met de paardenstaart inert voor zich uit te staren, maar aan zijn houding was te merken dat hij het gesprek nauwlettend volgde. Zo nu en dan krulde er een lachje in zijn mondhoeken alsof hij een binnenpretje had. Maar verder deed hij er het zwijgen toe.

‘Nooit geweest’, riep de lange uit zijn gladde schedel krabbend. Hij keerde zich naar de oranjeman.
‘Jij ook niet neem ik aan. Misschien moeten we daar dan ook eens op verkenning’.
De oranjeman strekte zijn armen als een gekruisigde Christus. ‘Voorlopig zit ik hier best. Over het uitzicht heb ik niets te klagen’. Hij liet een smachtende blik over Tiet dwalen en wierp haar een kushandje toe. Tiet lachte en ging met haar tong over haar lippen alsof ze een chocolaatje aan het proeven was.

‘Maar in alle gekheid’, ging ze verder het gesprek subtiel een andere richting opduwend, ‘weet je waar wij echt goed in zijn?’
‘Nou?’ vroeg de lange een wenkbrauw optrekkend.
Tiet drukte haar gekruiste handen tegen de rode mier op haar T-shirt en liet de lucht luidruchtig uit haar neus ontsnappen alsof ze een ademhalingsoefening deed. ‘Weet je wat het is?’, zei ze haar ogen groot makend. ‘We zijn gelovers, we zijn hartstikke goedgelovig. We laten het ons allemaal aanleunen…, dat ludieke volk, de speelsheid.., die thaiheid, die jullie ons op de mouw gespeld hebben… We slikken het allemaal, nemen het aan voor zoete koek; dat wil zeggen…, zolang het om al die prachtige eigenschappen gaat ons door dat legertje antropologen toegedicht. Maar pas op, als je met kritiek komt zijn we minder snel te overtuigen. Dan zijn we niet thuis. De Thais zijn gaan geloven in hun eigen ver-rukkelijk-heid, waar jullie zo weg van zijn’. Zo noemde je het toch?’ Ze rolde weer met de R’s en keek de lange spottend aan.

‘Dat kan allemaal wel’, wierp de lange  hij tegen, een scheve blik op haar richtend’, ‘maar wij bouwen ook onze façaden. In Nederland doen we ook aan toerisme, weet je nog, en we willen er het liefst ook wat poen aan over te houden. Denk maar aan de kaasmarkt van Gouda. Daar is toch ook niets echt aan. Als je wilt kun je er zelf je eigen kaas maken onder toezicht van de boerin in 19de-eeuwse kledij. Dat wil zeggen, je mag de wrongel in de vormen gieten. Als je goed je best doet krijg je er zelfs een certificaat bij. Daar moet natuurlijk wel cursusgeld voor betaald worden. Ook onwerkelijk’. Hij bracht een hand naar zijn mond om een geeuw te camoufleren.

Tiet haalde haar schouders, een krul in  haar mondhoeken.
‘Natuurlijk, gebeurt dat daar ook’, zei ze, terwijl ze weer een shagje begon te rollen. ‘maar dat is niet hetzelfde’. ‘Niemand van jullie gelooft dat dit het echte Nederland is. Het is alleen maar een stukje onschuldige folklore; iedereen weet dat. Na de show trekken die boerinnetjes hun spijkerbroek weer aan, keren terug naar hun rijtjeshuis en gaan door met daten op het internet. Bovendien is het om zo te zeggen, een pure binnenlandse aangelegenheid. Jullie hebben dat allemaal zelf uitgevonden. Dat is het grote verschil. Hier zijn de mensen echt gaan geloven in een land dat westerlingen hebben uit gedroomd, een sprookje dat nooit bestaan heeft. De Thaise ziel heeft zichzelf pas ontdekt, toen het Westen met die mythe kwam aanzetten. Een verborgen vorm van kolonialisme. Dat is waar het op neerkomt. Indoctrinatie in het geniep’.

‘Nee joh’, ging ze haastig verder, toen ze zag dat de oranjeman zijn handen protesterend ophief, ‘ik zit heus niemand te beschuldigen’. ‘Geen mens kan er iets aan doen. Trek het je beslist niet aan’. Ze gaf hem een van haar stralende glimlachjes.

Antonin Cee. Begoochelingen, Thaise glimlach

‘Zo was er ook eens een eiland’, ging ze verder alsof ze een paar kleuters een verhaaltje voorlas. ‘Een van die piepkleine eilandjes in de Stille Oceaan. Een zee van turkoois, poederzacht strand, prachtige koraaltandjes en palmbomen op de juiste plekken… Idyllisch niet? Voor anderen zeer zeker wel. Maar voor de vissers die er hun hele leven al gewoond hadden was het niets bijzonders. Ze hadden nooit anders gezien. Toen werd dat eiland als locatie gebruikt in een mierzoete Hollywoodproductie, die alles eens goed romantiseerde. De vissers zagen die film natuurlijk ook en wat denk je? Ze ontdekten ineens hoe idyllisch ze waren en gingen zich gedragen zoals ze in de film gezien hadden’.

Ze lachte en ging recht op haar kruk zitten alsof ze een plechtige afkondiging ging doen, haar onaangestoken shagje in de hoek van haar mond. ‘En zo gaat het hier ook. We zijn een land van na-apers. In ons hart zijn we maar wat blij dat die westerse betweters al die dingen over ons gezegd hebben. Nu weten we godzijdank wie we zijn. Prachtig niet?’
‘Nou, het heeft er veel van weg dat jij ons ook aardig aan het ontleden bent’, zei de lange meesmuilend. Hij snoof luidruchtig en nam een snelle slok. ‘Maar ik moet zeggen, je hebt er enkele interessante conclusies aan overhouden’.

‘Kan zijn’, zei Tiet. ‘Je moet de verbanden zien. Alles grijpt in elkaar. Zo zegt het boeddhisme, dat zo tolerant is zoals jij zegt. En boeddhisten zijn we natuurlijk. In hart het nieren, ook zij die nooit in een tempel komen. Dat geldt voor jullie ook natuurlijk. Jullie blijven onverbeterlijke christenen zelfs als je het geloof hebt afgezworen. Maar voor ons moet het wel leuk blijven. Die mythe bedoel ik. Complimentjes, daar houden we van. Maar je moet ons niet aanvallen. Aan zelfkritiek hebben we een broertje dood. We willen best geloven in die spiegel die het westen ons voorhoudt, maar dan moet het imago dat daarin opduikt wel verrukkelijk zijn’. Ze rolde weer met de r’s en schaterde het uit. ‘In feite jongens’, zei ze met een acrylnagel op haar voorhoofd tikkend, ‘de Thaise ziel doorgronden…, ach wat, het is allemaal heel eenvoudig, je kunt het in een paar woorden zeggen.’

Ineens boog ze zich weer naar de jongens toe en haar stem kreeg een vertrouwelijk toontje alsof ze een compromitterende confidentie ging doen. ‘Het is heel simpel jongens. Het komt erop neer dat we zonder enig voorbehoud van onszelf houden. ‘We zijn’, ze gaf de jongens weer een knipoog die intieme verstandshouding moest wekken, ‘we zijn bijzonder met onszelf ingenomen’. ‘Flateren mag…, wie wil er nou niet aardig gevonden worden? Tenminste, dat zou je denken’.

Ze pauzeerde even en legde een zwaarmoedige uitdrukking op haar gezicht om haar woorden aan te kleden. De jongens keken geamuseerd toe.
‘Want bij jullie is dat even anders’, ging ze verder haar stem een paar tonen verlagend. ‘Jullie hebben van die overtuigingen, schuld, boete, de erfzonde en zo, dat verhaal van die appel en de grote val, die er op volgde. Jullie zaten van meet af aan fout’.
‘Ik ben helemaal niet gelovig’ onderbrak de lange haar.
‘Ik ook niet’, viel de oranjeman hem bij, ‘dat is allemaal lang geleden, die dominees kunnen me wat’. ‘Met al die onzin hebben we niets meer te maken. Het is een uitstervend ras trouwens’. Tiet legde een hand op haar heup en hief de andere bezwerend op.
Antonin Cee. Begoochelingen, Thaise glimlach
‘Kan wel zijn’, kaatste ze terug, ‘dat kan wel zijn. ‘Maar het verleden is niet zo maar uit te wissen, dat werkt nog steeds door, op de een of andere manier, karma zogezegd… Jullie zijn zo weinig ingenomen met jezelf. Edelmoedig, dat wel, maar altijd naar anderen toe. Een beetje edelmoediger naar jezelf toe, dat zou geen kwaad kunnen. Jullie moeten wel van betere plekken gaan dromen, als je een dergelijk aversie hebt voor je eigen land. Puur escapisme is het. Het zit in jullie memen. Iedereen doet mee. Het gaat behoorlijk ver. Straks na incassering van het grote geld heerlijk weg uit eigen land, zo adverteert zelfs een verzekeringsmaatschappij haar levensverzekeringen op de Nederlandse TV. Maar echt begrepen heb ik die houding nooit’.

Ze zette een elleboog op de bar, haalde haar nog altijd onaangestoken shagje uit haar mond en zwaaide er mee naar de jongens alsof ze daarmee een ramp ging bezweren. ‘Jullie bouwen van die verrukkelijke mythen’, ging ze verder met een spottende twinkel in haar ogen, ‘omdat jullie altijd in je eigen kop soep zitten spuwen’. ‘Maar wie doet er nou zoiets?’ Ze schudde afkeurend haar hoofd…

 

Het korte verhaal ‘Begoochelingen’ komt uit de bundel ‘Inheems Kruid’, een door auteur Antonin Cee omgewerkte versie van zijn boek Tussen Eigen en Ander. ‘De Verrukkelijke Thaise Glimlach’ is het derde deel van vijf.

Gerelateerde berichten

Antonin Cee
Over Antonin Cee 123 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).