Thailand. Begoochelingen (2). Pegels

Antonin Cee, Begoochelingen 2, Pegels, Thaise mythe
The endless enigma (Salvador Dali)
Van Wikiart

De oranjeman nam opnieuw een slokje en richtte een omfloerste blik op de lange.
‘Ik weet niet precies wat het is’, piepte hij verder met zijn krachteloze falsetstemmetje. ‘Het lijkt wel of je hier een ander universum binnenwandelt. Alles is zo vreemd, maar op de een of andere manier toch ook weer zo vertrouwd. Alsof je iets terugvindt dat je ooit gekend hebt maar vergeten was. Na amper een week voelt het aan alsof ik hier al maanden ben’.

Zijn hand begon aan een reeks ideomotorische gebaren alsof hij meubels in de was zette. ‘Ik ben me aan het reinigen, eens flink met de borstel er over. Over al dat Nederlandse gedoe snap je wel. En ik zeg je man, het voelt heel goed aan dat kwijt te raken. Maar uiteindelijk zal ik wel een keer terug moeten. Man, ik moet er niet aan denken…’.

‘Laten we het daar maar even niet over hebben’, viel de lange in. ‘Dat is nog een heel eind verderop. Maar dat borstelen, dat zie ik wel zitten. Proberen wat onhebbelijke gewoonten kwijt te raken kan geen kwaad. Bij ons is iedereen is iedereen zo agressief. Voordat je er erg in hebt raak je er mee besmet. Bij het minste of geringste gaan ze op de vuist. Een verkeerd woord en er wordt een mes getrokken. Het is daar een ontspoord zootje. Broeder, geloof me, ik ben ook zielsgelukkig er even uit te zijn’.

Antonin Cee, Begoochelingen 2, Pegels, Thaise mythe

Hij hief zijn glas op naar de oranjeman die hetzelfde deed en ze dronken, bottoms up. Aan het einde van de bar schonk de man met de paardenstaart zich nog eens wat Saengsom bij en zat weer met zijn vinger in zijn glas te roeren.

De oranjeman liet zijn lege glas aan de steel tussen duim en wijsvinger ronddraaien.
‘Nog maar twee niet?’
‘Zeker weten’.
‘Ik heb hem al flink hangen’.
‘Ik ook’, zei de lange, ‘maar kom op, we hebben wat te vieren’. ‘Een verwante ziel kom je niet elke dag tegen’.

‘Twee van hetzelfde’, riep hij naar het meisje, dat met haar neus weer in haar tijdschrift zat.
‘Ik denk niet dat ze weet waar je het over hebt’, gniffelde de oranje man.
‘Two more please,’ riep hij op zijn beurt naar haar.
Het meisje keek op van haar tijdschrift en gaf de jongens een stralende glimlach. Langzaam stond ze op en kwam voor hen staan. Ze leunde met haar ellebogen op de bar, legde haar kin tussen haar handen en keek de jongens aan met nog altijd dezelfde glimlach op haar lippen.

Antonin Cee, Begoochelingen 2, Pegels, Thaise mythe

‘Ik begrijp je heus wel’, zei ze ineens in goed Nederlands, waarin nauwelijks een accent doorklonk.
De jongens staarden haar verrast aan.
‘Je spreekt Nederlands?’ lispelde de lange en zette grote ogen op. Het meisje rechtte haar rug en zette haar handen in haar zij.
‘Als je er nieuwsgierig naar bent, ik ben 41 en heb 22 jaar in Nederland gewoond. Amsterdam, was er getrouwd met een kunstschilder en heb er de Rietveld gedaan. Mode’.
De jongens gaapten haar zwijgend aan.

‘Maar mijn man is niet meer’, ging ze verder. ‘Ik ben weduwe en de rouwperiode is al een hele tijd voorbij’.
Ze boog zich weer over de bar, waardoor haar haren naar voren vielen. De jongens roken haar parfum.
‘Zo, zo’, mompelde de lange, die haar met zijn ogen zat op te vreten.

Antonin Cee, Begoochelingen 2, Pegels, Thaise mytheHet meisje, nu plots geworden tot een vrouw van middelbare leeftijd deed alsof ze het niet zag.
‘Maar hij heeft goed voor me gezorgd’, ging ze onverstoorbaar verder. ‘Hij liet me een kleine lijfrente. In Amsterdam zou ik er nauwelijks de huur van kunnen betalen, maar hier kan ik het er aardig mee redden. Zoals je zei, hier moet je pegels hebben’. Met een ruk van haar hoofd gooide ze haar haren terug.
De oranjeman zat haar met half open mond aan te staren.
‘Dus toch maar weer Thailand?’ vroeg de lange om toch maar iets te zeggen.

Aan de andere kant van de toog schoof het meisje een kruk bij en sloeg haar benen over elkaar. De jongens zagen dat ze om beide enkels een gouden kettinkje droeg.
‘Kunst betaalt niet zoals je weet. Het menselijk bestaan is een stuk gemakkelijker hier. En ach, Nederland…, jullie schijnen het daar ook niet zo geweldig te vinden’. Ze gaf de jongens een knipoog, die medeleven moest suggereren.

‘Zo zou je het kunnen noemen’, tjilpte de oranjeman. ‘En nu woon je gelukkig lekker weer hier’.
Het meisje slaakte een ostentatieve zucht en keek het tweetal om beurten aan.
‘Als je het precies wilt weten, ik ben een jaar of wat geleden teruggekomen en verdien een centje bij met dit barretje. En daar ben ik heel tevreden mee. Mijn zoon en dochter zijn daar gebleven en redden zich verder prima bij de schoonfamilie. Ze willen absoluut niet in Thailand wonen. Ofschoon ze vloeiend Thai spreken en hier vaak geweest zijn. Mijn dochter vindt de mensen hier wreed. Vooral naar honden toe. Ze is een aanhangster van de Partij voor de Dieren. En mijn zoon heeft het altijd over de sociale ongelijkheid hier. Hij heeft een onwankelbaar gevoel voor gerechtigheid’.

‘Goh’, mompelde de lange, ‘Zo, zo’. Blijkbaar wist hij niet meer te zeggen. ‘Zeg eens, hoe heet je eigenlijk?’ vroeg hij.
‘Tiet. Het is een bijnaam, die iedereen hier heeft.
‘Heel apart’, spotte de lange. ‘echt een naam, die je bij je past’. Hij maakte een gebaar alsof hij een spons uitkneep en lachte hinnikend als een paard. Aan het andere einde van de bar schraapte de man met de paardenstaart luidruchtig zijn keel.

Tiet opende haar mond om iets te zeggen, maar op dat ogenblik werd er in de tempel een bel geluid, eerst langzaam en daarna steeds sneller. Aangezien de jongens haar niet konden horen legde ze haar opengevouwen handen in haar schoot en keek er naar alsof de toekomst daar zichtbaar werd, wachtend tot de bel zou ophouden. Toen boog ze zich opnieuw naar hen toe. De jongens keken zo haar T-shirt binnen. Ze doet het erom dachten ze allebei.

Antonin Cee, Begoochelingen 2, Pegels, Thaise mythe‘Het heeft hiermee niets te maken’, zei ze met een blauwe acrylnagel naar de rode mier op haar T-shirt wijzend.
‘Wil je er wat mee? In dit land zijn we niet zo preuts. Is dat niet ver-ruk-ke-lijk? Ze rekte het woord en had de r’s lichtjes laten rollen zoals oude Haagse Indo’s dat zo prachtig kunnen. De jongens zaten haar schaapachtig aan te kijken

‘O, ik begrijp jullie best hoor’, ging ze verder en stond op om de drankjes te gaan klaarmaken. ‘Iedereen wil wel eens wat anders. Die eeuwige motregen daar. Dat is niet goed, daar wordt je niet vrolijk van’. Ze lachte, kirrend vanuit het diepst van haar keel.
Toen ze begon te mixen met de beker dit keer schuins boven haar hoofd, leken haar borsten nog harder mee te dansen.
‘Maar neem van me aan’, riep ze de jongens toe, onderwijl een snelle blik werpend op de man met de paardenstaart, ‘het is allemaal niet wat je denkt’. Ze hield een ogenblik op met schudden en er kwam een olijke uitdrukking op haar gezicht.

‘Jullie kijken in dit land wat rond, maar ik kan je meteen vertellen, wat jullie menen te zien bestaat helemaal niet’.
‘Hoe bedoel je’, vroeg de lange. Hij keek haar onderzoekend aan.
‘Wat ik bedoel? Ach, laat ik het maar even uitspellen’. Ze ging weer verder met shaken, haar blik op de jongens gericht. ‘Jullie stoppen domweg je eigen wensdromen in deze maatschappij’.
Ze stak haar hoofd tussen haar hooggeheven armen alsof ze een yoga pose deed. ‘Jullie projecteren, zo heet dat geloof ik’.

Ze schroefde de mixbeker open, schonk de Margarita’s uit en voorzag ze van een schijfje citroen. Na ze met een sierlijk gebaar voor de jongens te hebben neergezet klom ze weer op haar kruk en keek ze lachend aan.

‘Versta me niet verkeerd’, zei ze, haar handen plat op de bar leggend, ‘ik begrijp dat heus wel’. ‘Ik heb daar lang genoeg gewoond om het te snappen. Al dat vocht. Dat werkt in op je gezichtspieren. Je houdt er een nors uiterlijk aan over. Je gaat zitten piekeren. Ergens moet er toch ook nog iets anders zijn. En dan ga je op pad en vindt zowaar ineens een paradijsje’.
‘Maar geloof me’, zei ze een vingertje heen en weer bewegend, ‘het is onwerkelijk’. De jongens keken haar vol verbazing aan.

‘Mooi verhaal’, zei de lange. ‘Je hebt er kennelijk over nagedacht. Heeft het ook een happy end zoals de massage hier?’.
Verderop aan de bar schraapte de man met de paardenstaart weer zijn keel en draaide zich om naar het tempelplein.

‘Wat ik alleen maar wilde zeggen’, vervolgde Tiet, ‘jullie hebben een mythe om Thailand heen geweven’. ‘Een fabeltje, dat is wat jullie er van gemaakt hebben. Iets om kleuters te vertellen voor het slapengaan. Maar ik moet toegeven, wijzelf doen daar ook flink aan mee’.
O’, zei de lange. ‘Doen jullie dat. Ik heb er nog niets van gemerkt.’
Tiet stak haar neusje in de lucht en slaakte een demonstratieve zucht.

‘Dat komt nog wel’, zei ze. ‘Als je de marketingmensen van ons Nationaal Verkeersbureau eenmaal leert kennen. Die doen er alles aan om die westerse mythe in stand te houden. Ze bouwen hem constant verder uit. De Thaiheid, zogezegd’

‘Vroeger wist niemand wat dat was. Iedereen leefde zijn leven en was gewoon zichzelf. We waren wat we waren. Tout court, zoals de Fransen dat zo duidend zeggen. Geen mens dacht er verder over na. Het woord is ooit uitgevonden door een westerse journalist denk ik, al zegt de Thaise geschiedschrijving dat het een van onze prinsen was die er mee kwam aanzetten’.

Antonin Cee, Begoochelingen 2, Pegels, Thaise mythe

Ze haalde een pakje shag tevoorschijn en begon een sigaret te rollen. De oranjeman haalde een Zippo tevoorschijn en haastte zich vuur te geven.
‘Je spreekt ook Frans, hoor ik’, zei de lange. ‘Je lijkt me een ontwikkeld wijfjesdier’. Zijn ogen stonden al behoorlijk troebel.

Tiet nam een stevige haal en zoog de rook diep in haar longen. ‘Mijn man zaliger was dol op Frankrijk’, zei ze. ‘Hij ging er vaak heen om te schilderen. Soms mocht ik ook mee en onderweg pik je hier en daar wat op.’ Ze blies de rook recht in het gezicht van de lange waardoor die begon te hoesten.
‘Neem me niet kwalijk’, zei ze. ‘een slechte gewoonte van me. Morgen houd ik er mee op’. Er viel een stilte, waarin alleen de windbelletjes van de tempel nog te horen waren.
‘Toch vind ik het heel sereen’, kwam de lange weer.
‘Fijn dat je dat vindt’, zei Tiet. Ze pauzeerde even om met getuite lippen weer een trekje te nemen.

‘Maar over onze zogeheten Thaiheid gesproken’, hervatte ze de rook demonstratief weer naar de lange blazend, ‘het zal wel een van die westerse antropologen zijn, die voor ons ontdekt heeft wat dat precies inhoudt’. ‘Er lopen hier nogal wat van deze lieden rond en ze hebben de Thaise ziel helemaal uit elkaar gerafeld. Zelf zijn we er echt het volk niet naar in onszelf te gaan zitten wroeten…’.

(wordt vervolgd)

 

Het korte verhaal ‘Begoochelingen’ komt uit de bundel ‘Inheems Kruid’, een door auteur Antonin Cee omgewerkte versie van zijn boek Tussen Eigen en Ander. ‘Pegels’ is het tweede van vijfdelige serie.

Gerelateerde berichten

Antonin Cee
Over Antonin Cee 123 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).

1 Comment

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.