Tegenmacht, het nieuwe modewoord

‘Tegenmacht’ is het nieuwe modewoord in de politiek. Het is bijkans op ieders lip. Elke politicus die zichzelf een knip voor de neus waard vindt, is opeens een kampioen van de tegenmacht. Ook figuren die zich er in de praktijk weinig aan gelegen lieten liggen verdedigen het nu als het hoogste goed van de democratie. ‘Tegenmacht’ lijkt nu zelfs de evergreen ‘visie’ van de eerste plaats te verdringen.

Het schijnt menigeen in de polder te verrassen, maar tegenmacht is niks nieuws. Sinds de Amerikaanse en Franse Revoluties van de 18de-eeuw is het in elk geval als principe erkend. De Franse Verlichtingsfilosoof Montesquieu baande met zijn scheiding tussen de wetgevende (volksvertegenwoordiging), uitvoerende (bestuur) en rechterlijke macht (rechtspraak) de weg naar de huidige democratie. Maar ook daarvoor wilden mensen als het even kon tegenwicht bieden aan de heersers, koningen en keizers die hen vaker kwaadschiks dan goedschiks de wet voorschreven. Tegenmacht is net zo oud als de politiek.

Montesquieu

Na de doorbraak van de democratie zo’n 100 jaar geleden kennen we twee vormen van tegenmacht. In het parlement is dat voornamelijk het werk van de oppositie. Ze moet de regering controleren en machtsmisbruik en schandalen aan de kaak stellen. Omdat ze in de minderheid is en tegenover de regering altijd op achterstand staat, is ze aangewezen op steun buiten het parlement. Dan komt de tweede vorm van tegenmacht in het geweer: de civil society, het conglomeraat van maatschappelijke organisaties, de pers, en protestbewegingen. Zij trekken naar het Haagse Malieveld of het Amsterdamse Museumplein om de boven ons gestelden op hun manier hun waarheid in te peperen. (De pers om dit te verslaan).

Leraren protesteren in maart 2019 op het Malieveld

Zodra de tegenmacht zelf onderwerp van debat wordt, weet je dat er stront aan de knikker moet zijn. Helemaal als, zoals nu, de schijnwerpers er vol op gaan. In dat geval heeft de tegenmacht niet gewerkt zoals ze geacht wordt te werken. De regering heeft te lang ongecontroleerd haar gang kunnen gaan. Misstanden konden zich ontwikkelen tot schandalen en het parlement en de oppositie stonden met de handen in de zakken aan de zijlijn. Soms komt een schandaal, zoals de toeslagenaffaire rond de kinderopvang, alsnog aan het licht. Dat was te danken aan de hardnekkigheid en het doorzettingsvermogen van een paar politici en journalisten. Het systeem liet het afweten.

Je kunt dat opblazen tot een crisis van de politieke cultuur, maar daar schiet niemand, en zeker de slachtoffers niet, veel mee op. Zolang de schandalen worden blootgelegd, schuld wordt erkend, de verantwoordelijken opstappen en de slachtoffers worden gecompenseerd, lijkt reparatie mogelijk. Je kunt er als politicus goede sier mee maken, – nieuw leiderschap! -, en soms verkiezingen mee winnen. Dat riekt vooral naar opportunisme. Voor een cultuuromslag is meer nodig dan hoog van de toren blazen en vol op het orgel van de verontwaardiging gaan. De burger heeft meer aan de handen uit de mouwen, dwz. degelijk (parlementair) werk en oplossingen leveren.

Het parlement controleert de regering.

Om de zittende macht effectief te kunnen controleren moet de tegenmacht voldoende mankracht en expertise in huis hebben. In dit krachtenveld is het belangrijkste voordeel van een regering haar informatievoorsprong. Zij kan informatie tegenhouden, manipuleren en desnoods weg lakken zoals bij de diverse schandalen is gebleken. Daar moet de tegenmacht haar pijlen op richten. Meer transparantie, openheid, is een grote stap voorwaarts maar op zich niet genoeg. Het zou geen kwaad kunnen als de tegenmacht in het parlement ook het eigen functioneren eens kritisch onder de loep neemt.

Om zich te profileren steken Kamerleden veel energie in zaken van ondergeschikt belang. Het regent geen Kamervragen, het is een permanente wolkbreuk. Een veilige oversteekplek voor de bruine brulkikker in natuurgebied de Groene Berm is natuurlijk hartstikke belangrijk, maar moet je er Kamervragen over stellen of de bewindspersoon daarvoor naar de Kamer roepen? Je bent geneigd te zeggen dat de tijd van de bewindspersoon en het geld van de belastingbetaler beter besteed kan worden.

Op dinsdag worden tijdens het wekelijks vragenuurtje Kamervragen beantwoord.

Het grootste probleem is uiteraard de versplintering. De representatieve democratie is geweldig, maar je kunt ook overdrijven. Je kan niemand het recht ontzeggen om zich met zijn persoonlijke wensen- en grievenlijstje verkiesbaar te stellen. Niettemin, 17 partijen, waarvan maar twee, VVD (34) en D66 (24) met meer dan 20 zetels en zeven met drie zetels en minder, in de Tweede Kamer zitten is aan de royale kant. Dat kan niet werken en dat gaat niet werken. Ook niet omdat veel van de nieuwe Kamerleden nauwelijks ervaring hebben en nog maar moeten zien of en hoe ze de weg vinden.

De actualiteitenrubriek Nieuwsuur hield onlangs een informeel onderzoekje onder een aantal Kamerleden. De teneur was dat een fractie minstens 10 leden moest hebben om haar werk enigszins naar behoren te kunnen doen. Nog beter zou 12 zijn, voor elk ministerie een. Nu hebben we vier partijen, naast de VVD en D66 ook PVV (17) en CDA (15) die daaraan voldoen. Je zou zeggen: hijs de stormbal, laat de sirenes loeien, dit is code rood. Maar het wordt hooguit voor kennisgeving aangenomen.

Soms moet je de democratie tegen zichzelf in bescherming nemen. Iedereen snapt dat een weerbaar parlement van vitaal belang is voor de politieke hygiëne. Met 13 kleine, en vooruit, middelgrote partijen is dat onmogelijk. Minder maar beter geëquipeerde fracties zijn beter in staat om de regering achter de vodden te zitten en tot de orde te roepen. Appeltje, eitje, wat u zegt.

De oplossing ligt voor de hand: een kiesdrempel van bijvoorbeeld 5 procent, zodat de kleinste splinters geen kans meer maken. Wie waagt dit voor te stellen, wordt aangekeken of hij de democratie om zeep wil helpen. Tegenwerpen dat Duitsland en België een kiesdrempel hebben en toch ook volwaardige democratieën zijn, heeft geen zin. Een enkeling wil nog wel erkennen dat de versplintering een probleem is, maar dit is nu eenmaal ‘onze politieke cultuur’. ‘Folklore’ dekt de lading beter.

Nu krijgt iedereen nog rode konen van de tegenmacht en nieuw leiderschap, maar zodra het politieke bedrijf de dagelijkse routine hervat, wordt het weer business as usual. Met een tandeloos parlement, een tegenmacht op krukken, en een regering die ‘gewoon’ regeert zoals het haar goeddunkt.

Lees ook: Pas op voor combinatie passie en politiek

Over Peter van Nuijsenburg 259 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*