Sterven voor de Wildernis Deel 2

Antonin Cee heeft uiteindelijk wildreservaat Huay Kha Kaeng bereikt. Hij heeft zijn tentje opgezet bij een riviertje. In deel 2 trekt hij verder de wildernis in.

Liggend in mijn tentje luister ik naar de geluiden van de nachtvogels. Sommige olijke snatereraars kleppen aan een stuk door, andere doen het in een periodieke mineur met een melancholiek ondertoontje.

Er zijn er bij die tòk, tòk, tòk, schoenen aan het verzolen zijn en snelle spijkeraars, die een dak beschieten. Weer andere die in resonerende bijlslagen een boom lijken te vellen.

Seub Nakhasathien, Thais natuurbeschermer van het eerste uur
Thais natuurbeschermer van het eerste uur

Ik denk aan Seub, hoe hij zich gevoeld heeft voor dat beslissende moment. Een martelaar, die vrede met zichzelf had?

Al half ingeslapen voer ik een innerlijke dialoog met hem. Laten we het niet mooier maken dan het is, zeg ik tegen hem. Het leven van ons tweevoeters is een gevecht met de natuur.

Het is nu ook een worsteling met zijn medebroeder

 Dieren voegen zich in, ze assimileren, passen zich zonder morren aan. De mens begiftigt met spraak en rede transformeert. Dat is zijn kracht en tegelijkertijd zijn archillespees. Het impliceert agressie naar zijn omgeving.

Hij zet de dingen naar zijn hand, ontgint land, legt dammen en stuwmeren aan, graaft naar kolen en olie. Diezelfde agressie houdt tegenwoordig in dat we op de inkrimpende natuur willen passen anders zijn we ons leefmilieu kwijt. Hoe dat dient te gebeuren is dan weer de inzet van een heel andere worsteling. Die met zijn medebroeder. Eerst vochten we alleen maar met elkaar om grondstoffen en markten. Nu ook om schone lucht en water, die zich niets van nationale grenzen aantrekken, waardoor het nog gecompliceerder wordt.

Ook dat gevecht blijft een gevecht tegen de natuur. Want ook die medebroeder is, al zijn uitvindingen, technische hoogstandje, prothesen en excessen ten spijt ook een stuk natuur. In ontologisch opzicht is alles immers natuur en de mens misschien het beste stuk ervan, maar dat vinden paarden en ezels ook van zichzelf.

De natuur als bedreiging. In Thailand is dat nog dichterbij in de vorm van landverschuivingen, jaarlijks terugkerende overstromingen en flash floods, tsunami’s en aardbevingen. Maar ook in de vorm van roofdieren.

In Nederland hebben we alleen nog maar milieu

Ik ken een Thaise uit een klein dorpje in de buurt van Rayong. Ze is boven de negentig en in haar hoofd nog zo scherp als een puntenslijper.

Ze herinnert zich haar kindertijd, toen het rond haar dorp nog wemelde van de wilde dieren, waaronder ook tijgers, zoals ze me verzekerd heeft. In Nederland ervaren we die bedreiging niet zo vaak meer.

Hooguit tijdens een watersnood of een zeldzaam hevige storm, die een boom laat vallen op de auto van de buurman. Eigenlijk hebben we er geen natuur meer, maar uitsluitend milieu.

En daar letten we goed op: tuintjes, bossen uitgelijnd als parken, prieeltjes doorsneden door kunstig aangelegde sloten in de nieuwbouwwijk.

We hebben getemde, onderworpen natuur, waaraan we hun wildheid zouden willen teruggeven, tegenwoordig een luxe product. We laten wat hertjes en schotse koeien los in het bos, een troep wilde paarden aan de Oostvaardersplassen, die niet mogen worden bijgevoerd.

Het concept van the survival of the fittest wordt er gereanimeerd. Dood aan de natuur, leve het milieu. Dat was de titel van een essai dat een stel Nederlandse ecologen eens over dit onderwerp schreven.

Het is een kwestie van de juiste maat

Maar de worsteling gaat verder. Om te overleven moet nu de menselijke natuur getemd worden, zodat hij de aarde niet langer afbreekt. Jij Seub, hebt het ook gezegd: “Laten we de bossen beschermen, zodat we ze de gelegenheid geven ons te beschermen”.

Het is, zoals zo vaak een kwestie van doseren. De juiste maat. Op de rand van inslapen krijg ik een visioen van een oude Griekse wijsgeer, die dat meer dan 2500 jaar geleden de wereld heeft voorgehouden.

Ze steken hun kop op alsof ze een lekkernij verwachten

Ik wil de zon haar entree zien maken en ben vroeg op. Eerst zit zij nog wat te kniezen achter een paar kleine streepwolken, maar dan trekt ze haar poederdoos open, geeft er gouden tressen aan en zwiert pontificaal de wereld binnen.

Vanaf de overkant van het riviertje, nu volgekruid met gelig licht, komt een stel waterhagedissen aanzwemmen. Als ze vlak voor me zijn steken ze hun kop op, alsof ze een lekkernij verwachten.

(6)Ik laat mijn tentje voor wat het is en stap in Afrimele om de laatste vijftien kilometer te overbruggen naar het bezoekerscentrum van Huay Kha Kaeng. Als een tunnel boort de weg zich door het bladerdak. Onderweg staat hier en daar een bord dat bezoekers maant onderweg niet uit hun auto te stappen met een verwijzing naar de roofdieren in het reservaat.

Het staat er alleen in het Thai en meer is waarschijnlijk ook niet nodig. “We zien hier hoegenaamd nooit een buitenlandse bezoeker”, zou een van de rangers me later vertellen.

Alleen onder begeleiding van een ranger kan je de jungle in

Verderop kom ik hetzelfde riviertje opnieuw tegen. Hier houden alle wegen op en gaat Afrimele aan de kant. Een wiebelende hangbrug voert naar de overkant, waar de gebouwen van de rangers liggen.

Bij het bezoekerscentrum ga ik een foldertje ophalen en de mogelijkheden onderzoeken een trek te maken. Maar dit is een wildreservaat en geen National Park. Er worden hier in het geheel geen treks georganiseerd. Waarschijnlijk heeft Seub hier ook de hand in gehad.

Uitsluitend onder begeleiding van een van de rangers is het mogelijk om een verkenningstocht door de jungle te maken in de directe omgeving van het kamp. Ik ga mijn opwachting maken bij de receptie, waar niemand een woord Engels spreekt, wat nog eens aangeeft dat commercie hier nog niet ontdekt is.

Ze laat me de volle breedte van haar postfrisse gebit zien

 ‘Kan ik met een van de rangers de jungle in?’, vraag ik aan een meisje aan de balie. Ze schuift haar pet naar achteren en kijkt me aan met ogen waarin verwondering blinkt door een buitenlander in haar eigen taal te worden aangesproken.

Dan breekt haar gezicht open en laat ze me de volle breedte van haar postfrisse gebit zien. ‘Ik zal eens kijken of er iemand beschikbaar is’, zegt ze de woorden nauwgezet articulerend zoals je doet bij een kleuter, die net zijn eerste woordjes heeft leren stamelen. ‘Het zal waarschijnlijk wel even duren’.

Ik drentel weer naar buiten en ga onder een afdak zitten, waar een grote soepketel aangeeft dat er wat te eten moet zijn en bestel een bamisoepje bij een oud vrouwtje. Ze is zo mager als de eerste geschreven hanenpoten van een leerling op de basisschool. Terwijl ik mijn soep naar binnen werk, komt ze bij me zitten en houdt me nauwgezet in de gaten met haar door ouderdom uitgebeten ogen.

Hij wees me op de nagelsporen van een tijger

‘Kom je voor het monument van Seub?’, vraagt ze als ik mijn lege kom terzijde schuif. Als ik instemmend knik, legt zich een vleug van blijdschap in de rimpels van haar gezicht. Seub is hier ontegenzeggelijk de lokale held.

Ik heb de Cambridge History of Southeast Asia bij me, wat goede lectuur is op dit soort uitjes. Het bekort het wachten. Ik heb juist het hoofdstuk doorgewerkt dat het einde van het koloniale tijdperk beschrijft, als een ranger zich aandient. Hij kan me meenemen voor een wandeling van een kilometer of acht over een van de trails. Ik koop een paar flessen water en we vertrekken.

Veel wildleven heb ik niet gezien. Een wegschietend hert en rode mieren, dat is eigenlijk alles. Maar die laatste dan ook in enorme aantallen. Wel liet Uthai, zoals de ranger bleek te heten, me onderweg op een van de bomen de nagelsporen zien van een tijger die zich daar blijkbaar kwam manicuren.

Ik ben trots op wat ik gedaan heb

Wat verderop wees hij me op de uitwerpselen van een gaur, de Indiase bizon, die in voorbije tijden in grote getale de Thaise jungle bevolkten, maar tegenwoordig haast nergens meer voorkomt. Ik had eerlijk gezegd ook niet meer verwacht zo dicht bij het kamp.

Later bekeek ik de kamer waar Seub gewoond heeft, die na zijn dood onaangeroerd gebleven is. Een spartaans optrekje met niet meer dan een bed, een klerenrek en een schrijftafeltje. Naast het raam hangt een bord met zijn afscheidswoord.

“Ik denk dat ik alles gedaan heb wat in mijn vermogen lag tijdens mijn leven. Ik ben tevreden…., ik ben trots op wat ik gedaan heb.”

(8)

Enkele honderden meter verop staat zijn standbeeld starend over de bossen. Ik loop er een keer omheen en maak een buiging. “Het is allemaal een kwestie van de juiste maat”, zeg ik nog maar een keer. @Antonin Cee

 

 

Antonin Cee
Over Antonin Cee 118 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).