Sterven voor de Wildernis Deel 1

‘Hoe de bossen gebruikt dienen te worden? Laten we vooral geen tijd verliezen met discussies. Er is zo weinig bos over, dat we ze helemaal niet meer zouden moeten expoiteren. Laat ze aan zichzelf over en laten we ze uitsluitend behouden voor de indirecte voordelen die ze ons brengen zoals schone lucht en water. Als we de bossen opgebruiken, wat blijft er dan van ons over?’

 Uitspraken van Seub Nakhasathien, neergeschreven eind jaren tachtig voordat hij zich een kogel door het hoofd joeg. Het werd destijds uitgebreid gerapporteerd in de lokale pers.

Hij legde een vinger op corruptie

Seub was toen de chef van wildlife sanctuary Huay Kha Kaeng, dat zich met het aangrenzende Thung Yai Naresuan Park uitstrekt over drie Thaise provincies tegen de Birmaanse grens.

Tezamen vormen ze het grootste wildreservaat in Zuidoost-Azië en huisvesten een aantal bedreigde diersoorten. Mede door zijn inzet werd het door Unesco bijgeschreven op de lijst van werelderfgoed.

(4)Seub was in Thailand een ecologische radicaal avant la lettre, die zich inzette voor behoud van bos en dier. En de vinger legde op de corruptie, die alle instanties en instituten van dit hele land heeft doordrenkt, wat een heel andere soort van erfgoed is uit feodale tijden.

Hij verzette zich tegen de aanleg van wegen

Seub nam geen blad voor de mond. Zo nam hij bijvoorbeeld publiek stelling tegen een aanvraag voor een concessie voor houtkap in Huay Kha Kaeng van Thai Plywood Company. ‘Het is The Forest Department dat wil kappen en het is ook datzelfde department, dat het bos wil behouden’, zei hij in zijn vingerwijzende argumentatie.

Ook verzette hij zich met hand en tand tegen de aanleg van wegen in het gebied en kreeg hij het aan de stok met invloedrijke mensen, die er een jachtterrein van wilden maken. Zijn zelfmoord was een ultieme poging om de problemen rond natuurbescherming in Thailand aan de kaak te stellen.

Het is het meest ongerepte gebied in Thailand

De twee parken beslaan tezamen een oppervlakte van meer dan 620.000 hectare. Ze zijn de habitat van 120 verschillende soorten zoogdieren, waaronder ook een 300 olifanten en enkele tientallen tijgers, alhoewel niemand dat ooit precies geïnventariseerd heeft.

Verder kent het park een 400 vogelsoorten, rond de honderd verschillende reptielsoorten en ruim net zoveel vissoorten. De parken worden doorsneden door verschillende rivieren en hebben een veelheid aan praktisch onbereikbare watervallen. Het is ongetwijfeld het meest ongerepte gebied in Thailand.

Ik had al eens eerder een poging ondernomen er te geraken. De eerste keer in jeugdige onbezonnenheid vanuit Kanchanaburi op een off road motor. Dat was nog voordat daar het grote stuwmeer bij Tong Pat Poem werd aangelegd. De geasfalteerde weg vanuit Kanchanaburi City kwam toen nog niet verder dan het 70 kilometer verderop gelegen River Kwai Village Hotel.

Het was niet meer dan een hoopvolle gedachte

Zelfs om aan de Birmaanse grens te geraken bij Three Pagoda Pass, dat voor mij altijd een magische bijklank heeft gehad, was toen nog een moordende tocht. Een voertuig dat niet beslagen was met 4-wielaandrijving, deed er beter aan om maar meteen aan bermtoerisme te gaan doen.

Die eerste poging was eigenlijk niet meer dan een hoopvolle gedachte, want toen ik eenmaal het hoofdspoor naar de grens had verlaten om door te stoten naar Huay Kha Kaeng, was er al snel geen doorkomen meer aan. Maar goed ook, want ik zou waarschijnlijk in grote logistieke moeilijkheden geraakt zijn.

Ik probeerde het een tweede keer vanuit Uthai Thani, ook al weer heel wat jaren terug. In een oude Mitsubishi, die met de inzet van al zijn bladveringen en schokbrekers ook niet opgewassen bleek tegen de bulten, kuilen en rotsblokken op het zandspoor. Na enkele tientallen kilometers was ik gedwongen rechtsomkeer te maken.

De late middagzon slaat er met zijn toverstaf op

Maar nu snor ik in Afrimele, mijn Chevy Pickup, over de goed geasfalteerde 3282 comfortabel in de goede richting.

De Thaise zomer kondigt zich aan in de verkleurende en vallende bladeren. Er is al begonnen met het afbranden van rijstvelden en kreupelhout, dat de hemel doet beslaan. Het land ligt er bij met gespleten koortslippen.

Op plaatsen waar voldoende water is, staat een tweede rijstoogst op te schieten. De late middagzon slaat er met zijn toverstaf op en maakt de veldjes onwerkelijk groen.

Ergens onderweg rijst tegen de horizon een volkomen gelijkbenige driehoek van een berg op als een Egyptische pyramide. Dit is een stuk van het hartland van Thailand, dat maar weinig bezoekers trekt.

Er is geen kip meer op de weg

Eenmaal op de smalle landweg die naar reservaat voert, neemt de begroeiing toe. Grote dipterocarpen, de woudreuzen van de bladverliezende bossen van het noorden, steken met hun belachelijk kleine kruintjes op uit het land, dat langzaam begint te glooien.

Ik ben nu in de bufferzone, die voor het eigenlijke reservaat ligt. Op de weg is geen kip meer te zien. Een dertigtal kilometer verderop kom ik bij een slagboom van het Forestry department met een eenzame bewaker, die in zijn hokje de krant zit te lezen.

Als ik me bij hem meld, put hij zich uit in hoffelijkheden. Maar binnenlaten kan hij me niet. Het is na vijven en dan kan er niemand meer het park in. Om veiligheidsredenen, zoals hij uitlegt.

Of ik hier dan mijn tentje kan opzetten, vraag ik hem. Hij wijst naar het stroompje een paar honderd meter achter zijn hokje. ‘Je kan daar gerust gaan staan. Er is een toilet en stromend water’, zegt hij. ‘Morgenvroeg om 8 uur gaat het hier weer open.’

Met pepers en basilicum een lekker maal

Ik zet Afrimele op stal en sjouw mijn spullen naar de waterkant. De zon begint al te trekkebenen en ik zal moeten opschieten, als ik niet in het donker mijn kamp wil maken.

Ik zoek een mals stukje gras uit langs het riviertje. Geheel conform de handleiding die ik er bij aankoop bijkreeg, staat mijn pop-uptentje in minder dan een halve minuut. Slaapzak en luchtkussen erin en mijn nachtleger is klaar.

AntooninCee, Sterven, Wildernis, deel 1Ik zet mijn gaskomfoortje op een boomstam en bekijk mijn voedselvoorraadje. Vanvond zal het een macaronischotel worden al pomodore, eenvoudig maar op smaak gebracht met wat pepers en flink wat basilicum, een lekker maal.

Dan kom ik tot de ontdekking dat ik mijn campingpannetjes niet bij me heb. Streep door de rekening. Het zal tomaten en brood worden.

Een land met sociale intelligentie

Verlegen om een praatje, komt de bewaker eens kijken hoe ik het stel. We gaan zitten  op de boomstam en roken samen een sigaret.

‘Misschien komen de olifanten vannacht wel’, zegt hij naar de overkant van het stroompje starend. ‘Maak je geen zorgen hoor’, voegt hij er grinnikend aan toe, als hij de vraagtekens in mijn ogen ziet. ‘Ze blijven altijd aan de andere kant van het water.’

Zijn blik valt op mijn kooktoestelletje. ‘Tham kaeng arai?’ (letterlijk, welke curry maken) vraagt hij, een gebaar makend alsof hij rijst aan het wokken is. Ik vertel hem, dat ik mijn pannetjes vergeten ben en dat het een broodmaaltijd gaat worden.

‘Ik haal wel even een pan’, zegt hij zonder enige aarzeling. ‘Ik ben zo terug’. En hij salueert en vertrekt. Even later hoor ik hem zijn brommertje starten.

Het is een van die momenten, dat ik ineens weer besef waarom ik dit een aardig land vind. Niet bijzonder inventief, maar met een sociale intelligentie, die maakt dat mensen in het algemeen prettig met elkaar omgaan. Ik zie een boswachter op de Veluwe dit niet zo gauw doen.

De schreeuw van een nachtvogel versterkt de stilte

Na mijn maaltje te hebben genuttigd, laat ik gezeten op mijn boomstam, de nacht over me komen. De maan, die nog ruim beneden het eerste kwartier staat, kruipt boven de bomen uit en begint zijn zwerftocht langs de hemel begeleid door de elektrificerende zang van de cycaden, totdat ook die ophoudt.

(7)De rauwe schreeuw van een nachtvogel versterkt de immense stilte. Dan is er ineens gesnuif en het gekraak van brekende takken. Een plons in het water van het stroompje. Ik tuur naar de overkant, maar kan ze niet zien in de diepe slagschaduwen van de bomen.

Maar ik weet dat ze er zijn de olifanten van Huay Kha Kaeng. Ik ben enorm content deze wereld hier voor mijn voeten te hebben.

@Antonin Cee

Wordt vervolgd.

Antonin Cee
Over Antonin Cee 146 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.