Slavernij en zwartepieten: Volkskrant-interview prof. Henk den Heijer

Op 3 oktober 2015 publiceerde De Volkskrant een interview met Henk den Heijer, aan de vooravond van zijn pensionering als hoogleraar zeegeschiedenis.

Den Heijer was in opspraak geraakt door publicaties en optredens waarin hij op basis van onderzoek het gangbare beeld van woeste blanke slavenhandelaren nuanceerde.

Den Heijer werd geïnterviewd door Cor Speksnijder, een uitstekend journalist die door blijft vragen én recht doet aan zijn gesprekspartner. Gedeelten van dit vraaggesprek nemen we over, inclusief het inleidende gedeelte dat wat meer over de persoon Den Heijer vertelt.

Met de publicatie willen we aangeven dat de discussie over een beladen onderwerp als slavernij gediend is bij feitenonderzoek en nuchtere presentatie, niet bij slaafs volgen van de waan van de dag. Wat er gebeurt wanneer zo’n debat met ideologische oogkleppen op plaatsvindt wordt ook pijnlijk duidelijk.

 

 

Het ‘gezicht’ van Henk den Heijer

Hans Geleijnse, Henk den Heijer, Slavernij

Foto Universiteit Leiden

Als iemand kan omzien in verwondering is het Henk den Heijer. De geboren en getogen Scheveninger heeft een loopbaan achter de rug die gezien zijn achtergrond bepaald niet voor de hand lag. Hij begon als monteur, waarna een wirwar van banen en opleidingen tot de academische wereld leidde. Vorige week nam hij afscheid als hoogleraar zeegeschiedenis aan de Universiteit Leiden.

‘Ja, ik ben een sociale stijger’, zegt Den Heijer (65) droogjes. ‘De vrienden van vroeger zijn verdwenen, maar ik heb altijd een band gehouden met de vissersgemeenschap.’ In zijn Leidse werkkamer achter het Rapenburg zijn de boekenkasten deels leeggehaald. Op de drempel van zijn emeritaat kijkt Den Heijer terug op de lange weg en de vele zijpaden die hem op latere leeftijd in deze kamer brachten. En op de verontwaardiging die hij oogstte met zijn bevindingen over de slavenhandel, waarin het er volgens hem minder barbaars aan toeging dan vaak wordt gedacht. Zijn leerstoel heeft hij vijf jaar bezet.

(….)

Na de lagere school was hij het liefst gaan varen. Net als zijn opa. Zijn ouders – uitbaters van een viswinkel – vonden hem te jong voor een leven op zee. Het werd de lagere technische school. Met een lts-diploma op zak ging hij als elektromonteur aan de slag bij een winkelbedrijf. ‘Ik repareerde apparaten en sloot dingen aan.’ Daarna volgde een baan bij de PTT, waar hij zich specialiseerde in de techniek van telecommunicatie.

Den Heijer weigerde dienst – ‘ik ben twintig jaar lid geweest van de PSP (Pacifistisch Socialistische Partij, red.)’ – en vervulde zijn vervangende dienstplicht als verpleegkundige van psychiatrische patiënten. Een tijdelijke terugkeer in de techniek werd gevolgd door een curieuze reeks werkzaamheden: plantsoenendienst, technisch tekenaar, nachtdiensten in een psychiatrisch centrum, een eigen klusbedrijf, organisator bij een culturele stichting en nog zo wat.

(…..)

Den Heijer was leergierig. ‘In de avonduren haalde ik mijn atheneumdiploma. Ik leerde een tijdje Arabisch, Spaans, Frans. Wilde filosofie studeren, maar met alle werkloosheid in de jaren tachtig zag ik daar geen toekomst in. Het reizen had mijn belangstelling voor geschiedenis gewekt.’ Hij haalde – nog steeds in de avonduren – onderwijsakten voor geschiedenis. In 1988 studeerde hij cum laude af aan de Leidse universiteit.

Onder invloed van professor Jaap Bruijn (maritieme geschiedenis) richtte Den Heijer zich op de West-Indische Compagnie (WIC). Al ging zijn belangstelling aanvankelijk vooral uit naar sociale bewegingen in de 19de eeuw. ‘Dat paste meer in mijn ideologisch kader.’ Terwijl hij in Gouda les gaf op een middelbare school, werkte hij aan zijn promotie. Hij promoveerde op de Nederlandse handel in Afrika tussen 1674 en 1740. In 2003 werd hij universitair docent in Leiden en zeven jaar later was de aanstelling tot hoogleraar de kroon op zijn academische carrière.

Den Heijer zette de WIC op de kaart, de onderneming die in de 17de en 18de eeuw het alleenrecht had op de handel en scheepvaart in West-Afrika en Amerika. De aandacht van Nederlandse historici was voorheen vooral gericht op de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die handelde in Azië.

(…)

Hans Geleijnse, Henk den Heijer, Slavernij

Prof. Den Heijer (tweede van rechts) tijdens het ‘ontspoorde’ slavernijdebat in De Rode Hoed

Onderzoek en publicaties over de slavernij

De WIC bedreef slavenhandel. Is het mogelijk waardevrij onderzoek te doen naar zo’n beladen onderwerp?

‘Historisch onderzoek is nooit waardevrij. Ik woon in Nederland en leef in 2015 – dat bepaalt mijn kijk op het verleden. Bij het slavernij-onderzoek heb ik geprobeerd me in te leven in de 18de-eeuwer. Je kunt de waarden en normen van die tijd laten meewegen in de beoordeling van gebeurtenissen.

‘Wij vinden het vreselijk dat IS mensen onthoofdt, in de 17de eeuw gingen wij naar onthoofdingen kijken. Kennelijk beoordeelden mensen het destijds anders dan wij nu. Degenen die aan de haal gaan met de slavernij bekijken het verleden vanuit het heden: slavenhandel is een misdaad tegen de menselijkheid. Ja, dat vind ik ook. Alleen had niemand in de 18de eeuw gehoord van een universele verklaring van de rechten van de mens.’

In uw werk concludeert u dat de behandeling van slaven minder wreed was dan veelal wordt aangenomen. Schuurde dat nooit met uw linkse politieke opvattingen?

‘Nee. Ik probeer op basis van wat ik vind in de archieven en op basis van de destijds heersende mentaliteit een situatie te reconstrueren en een oordeel te vellen.’

U kreeg in 2011 kritiek op uw oratie en op uw bijdragen aan de tv-serie De Slavernij. U zou de gruwelen van de slavenhandel bagatelliseren. Was u verrast?

‘Ja, door de scherpte van de kritiek. Een debat in de Rode Hoed ontspoorde totaal. Quinsy Gario, de man van het zwartepietendebat, las een gedicht voor waarin hij de verkrachting van slavinnen gelijkstelde aan seks met dieren. Hij suggereerde dat ik dat stilzwijgend goedkeurde.

‘In de tv-serie heb ik gezegd dat er geen bewijzen te vinden zijn dat slavinnen voortdurend werden verkracht in het Nederlandse slavenfort van Elmina in Ghana. Ik zei: het zal zijn voorgekomen, maar niet voortdurend. Uit de archieven blijkt dat Europese mannen relaties hadden met vrije Afrikaanse vrouwen. In die context ligt het niet voor de hand dat slavinnen permanent werden verkracht. Dat standpunt werd mij hoogst kwalijk genomen, onder anderen door de historica Patricia Gomes.’

‘Ik werd ook aangevallen vanwege een burlesk gedicht uit de 17de eeuw, waarin een Afrikaanse vrouw voorkomt die te lelijk zou zijn: ‘om tegen aan te pissen’. In de serie werd mij gevraagd: is dit racistisch? Ik antwoordde: nee. De schrijver van dat gedicht was naar Afrika gegaan om rijk te worden, raakte gefrustreerd en uitte dat in het gedicht. Het bevat ook strofen waarin hij mede-Europeanen verkettert en vol lof is over Afrikaanse hulpjes. Volgens de zaal was ik een halve racist. Dat ergerde mij en ik zei: dit is zwarte emotie tegenover witte wetenschap. Ook dat werd mij kwalijk genomen.’

‘Ik dacht: ik ga hier nooit meer aan deelnemen. Iedereen mag alles tegen jou zeggen, maar zodra je iets terugzegt, wordt elk woord op een goudschaaltje gewogen.’

Zit er geen kern van waarheid in de kritiek? Bronnen zijn beperkt en vooral afkomstig van blanke kapiteins en officieren. Slaven hielden geen dagboek bij.

‘Met die beperking moet je leven. Die bronnen hebben ook een voordeel: ze staan los van emotie. Er wordt alleen geregistreerd wat er gebeurt. Als een slaaf sterft, wordt hij zonder omhaal overboord gezet. Als een zeeman overlijdt, wordt er gezongen en zijn er plichtplegingen. Dat zegt iets over de mentaliteit. Het staat er indirect, niet rechtstreeks.’

Kun je een correct beeld krijgen van het leven aan boord van de slavenschepen?

‘Een redelijk beeld. Een van de ideeën is dat slavinnen aan boord voortdurend werden verkracht en mannen mishandeld. Als je dat zou doen, zou je een tijdbom creëren. Aan boord waren tientallen bemanningsleden tegenover honderden slaven. Die hou je niet in de hand als er constant excessief geweld wordt gebruikt. Er waren verkrachtingen en mishandelingen, maar het is zeer te betwijfelen of het schering en inslag was.

‘De bemanning had instructies om slaven redelijk – in de context van de 18de eeuw – te behandelen. Dat je slaven niet te vaak mag geselen, dat je moet zorgen dat ze er redelijk gevoed uitzien. Uit eigenbelang. Een halfdode slaaf levert niets op. Bemanningsleden die een vrouw hadden verkracht of zich te buiten waren gegaan aan geweld, werden bestraft: ze kregen hun gage niet en werden nooit meer aangenomen.’

De beroemde tekening van het slavenschip Brooks, volgepropt met slaven, vertelt een ander verhaal.

Hans Geleijnse, Henk den Heijer, Slavernij

‘Propagandawerk’. Tekening slavenschip Brooks 1789

‘Dat is een propagandatekening van Britse abolitionisten, voorstanders van de afschaffing van de slavernij. Het schip heeft bestaan en er zijn dergelijke stuwplannen bekend, maar het is zeer de vraag of dit gebruikelijk was. Als je mensen als haringen in een ton vervoert en de helft sterft onderweg, doe je als koopman iets niet goed. Vrouwen zaten niet vastgeketend en mannen ook niet altijd. Die kwamen elke dag aan dek, om ze te laten bewegen en enigszins fit te houden.’

Er zijn verslagen van slaven over het leven op de plantages in de koloniën. In hoeverre wijken die af van het beeld dat naar voren komt uit ‘blanke bronnen’?

‘Het hangt ervan af naar welke je kijkt. Er zijn verslagen waaruit blijkt dat er mogelijkheden waren voor slaven. Collega Han Jordaan stelde op basis van archiefonderzoek op Curaçao vast dat slaven kans hadden om geld te verdienen, dat ze zich vrij konden kopen. Het beeld is genuanceerder dan we denken. De Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod zei: er moet een verstandhouding zijn geweest tussen plantage-eigenaren en slaven, anders zou het voortdurend moord en doodslag zijn geweest op de plantages.’

In Nederland is slavernij nooit toegestaan. Kennelijk leefde ook destijds al het besef dat het systeem niet deugde.

‘Voordat Nederland koloniën had, werd slavernij afgedaan als een paapse dwaling. Totdat we er zelf voordeel van hadden. Er zijn echter altijd predikanten en rechtsgeleerden geweest die zich tegen slavernij uitspraken. Toen in 1596 slaven te koop werden aangeboden op de markt van Middelburg, zei de burgemeester: dit doen wij niet. Later accepteerden we slavernij wel aan de andere kant van de oceaan – een dubbele moraal. Als een rijke planter uit Suriname naar Nederland kwam, nam hij zijn huisslaafje mee. Hier was hij vrije knecht, terug in Suriname weer slaaf.’

Er gaan stemmen op om herstelbetalingen uit te keren voor de slavernij. Wat vindt u?

Hans Geleijnse, Henk den Heijer, Slavernij

Slavenopstand Haïti
Tekening van slavernijenjij.nl

‘Aan wie moet je uitkeren? De slachtoffers zijn niet te traceren, het is vijf, zes generaties geleden. Een deel van de zwarte gemeenschap van toen is vrijgelaten tijdens de slavernijperiode. Daarna is er anderhalve eeuw overheen gegaan. Je moet niet overdrijven. Alsof slavernij tot de dag van vandaag traumatiserend is. Ik geloof niet dat er onder historici in Suriname en de Antillen een brede stroming is die de eis van herstelbetalingen ondersteunt. Ik vind wel dat wij landen moeten helpen die door het kolonialisme achterop zijn geraakt.’

Heeft u zich de laatste tijd bewust afzijdig gehouden van het slavernijdebat?

‘Nee, ik vind dat ik me in het maatschappelijk debat moet mengen als mensen denken dat ze slachtoffer zijn. Vorig jaar heb ik nog een lezing gegeven voor een Surinaams publiek in Rotterdam. En ik blijf onderzoek doen. Samen met collega’s onderzoek ik het economisch effect van de slavernij. Er zijn mensen die zeggen dat de grachtengordel is gebouwd met geld van de slavenhandel. Onzin. Het droeg slechts voor een klein deel bij aan de economie. Je kunt wel zeggen dat de slavernij indirect meer impact had dan direct. In Middelburg – waar de particuliere handelsonderneming Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) was gevestigd – was bijna iedereen op een of andere manier betrokken bij de slavenhandel, de bakker, de slager, noem maar op.

‘Vanwege de valorisatie (het toegankelijk maken van kennis voor derden, red.) van dit onderzoeksproject zijn er plannen voor een publiek debat over dit onderwerp. Als er alleen activisten op afkomen, heb ik daar geen zin in. Iemand als Sandew Hira (Surinaamse publicist, red.) is niet geïnteresseerd in mijn mening. Die wil mij en andere ‘witte’ historici verketteren. Daar ga ik niet aan meewerken.’

 

CV Henk den Heijer

1950 geboren in Scheveningen

1986 atheneumdiploma

1988 doctoraalscriptie De ondergang van een monopolie – De West-Indische Compagnie van handelsmaatschappij naar beheersorganisatie: 1730-1738

1997 proefschrift Goud, ivoor en slaven: scheepvaart en handel van de Tweede West-Indische Compagnie op Afrika 1674-1740

2002 De VOC en de Beurs

2003 docent maritieme geschiedenis aan de Universiteit Leiden

2005 De geoctrooieerde Compagnie

2006 Expeditie naar de Goudkust

2010 aanstelling als hoogleraar

2015 emeritaat

 

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

4 Reacties

  1. De vraag naar hetslavernijverleden zou kunnen leiden naar de simpele vraag waar en hoe, hier en nu, slavernijachtige toestanden bestaan.

    Wie nu een goedkoop in Bangladesh onder slavernijachtige omstandiheden vervaardigd Tshirt draagt, draagt schuld gelijk onze landgenoten drie eeuwen geleden.
    En voelt dat eveneens nauwelijks, neem ik aan.

    Vandaar mijn vraag aan Tino Kuis: hoe ziet JOUW garderobe eruit?

    • Beste Alex,
      De laatste keer dat ik mij nieuwe kledij aanschafte is zeker een jaar geleden. Ik zou niet weten waar het allemaal vandaan kwam maar als ik wist dat het in Bangladesh was gemaakt zou ik me niet echt schuldig voelen. Ik geloof ook niet dat ‘onze landgenoten drie eeuwen geleden’ schuld moeten dragen. Het zou mooi zijn als de slavenhandelaars schuld voelden maar ik zit er niet echt mee. De vis die ik hier eet komt misschien uit visverwerkingsbedrijven waar slavernij-achtige toestanden bestaan. Ook daar voel ik me niet echt schuldig over. Ik heb er wel over geschreven. En de brandstof voor mijn vervoersmiddelen komen voor een groot deel uit het Midden-Oosten waar veel mensenrechtschendingen vóórkomen. Maar ik heb veel respect voor mensen die deze misstanden te lijf gaan op welke manier dan ook.
      Om te voorkómen dat je me een gebrek aan schuldgevoel toeschrijft kan ik zeggen dat ik me schuldig voel over de fouten en nalatigheden die ik als arts beging. Ze staan me nog scherp voor de geest. Het meest voel ik me schuldig over mijn passieve houding ten aanzien van FGM (Female Genital Mutilation) toen ik als arts in Tanzania werkte (rond 1970) en waarvan ik al snel door had dat dit voor een belangrijk deel verantwoordelijk was voor de grote moeder-en kindsterfte. Ik heb er niets tegen gedaan en rationaliseerde het weg met de gedachte dat het behoorde bij de ‘cultuur’ van het land waar ik me niet mee moest benoeien. Ik heb zelfs een keer een feestje bijgewoond waar pas besneden meisjes met een pijnlijk gezicht aan het dansen waren. Dat alles neem ik mezelf nog steeds erg kwalijk.

      Tino Kuis
      • Beste Tino,

        Onze kasten bevatten de kleren die ons lichaam bedekken.
        Dit ook in figuurlijke zin – de verhullingen van schaamte en schuld.

        Mijn persoonlijk geformuleerde vraag had echter een algemene strekking.
        Je hebt die ook naar de bedoeling opgevat: je geeft eigentijdse voorbeelden van slavernijachtige toestanden die niet tot dagelijkse schuldgevoelens leiden.

        Een persoonlijke reactie op dit blog heb ik met mijn vraag niet willen oproepen.

  2. ‘Met de publicatie willen we aangeven dat de discussie over een beladen onderwerp als slavernij gediend is bij feitenonderzoek en nuchtere presentatie, niet bij slaafs volgen van de waan van de dag.’
    Dat spreekt vanzelf.
    En dat normen en waarden in verschillende tijdperken anders liggen is ook waar.
    Maar het punt is dat door onafhankelijke tijdgenoten schrijvend eind 18e en begin 19e eeuw ook met schande en afschuw, en evenveel als nu, werd gesproken over de toestanden bij de slavenhandel en het veroordeelden naar de normen en waarden van die tijd. De Nederlandse schrijfster Betje Wolff was er één van.
    In 1829 beschreef dominee Robert Walsh de feitelijke toestanden op een slavenschip uit eigen waarneming, twee citaten:
    ‘It was not surprising that they should have endured much sickness and loss of life in their short passage. They had sailed from the coast of Africa on the 7th of May and had been out but seventeen days, and they had thrown overboard no less than fifty-five, who had died of dysentery and other complaints in that space of time, though they had left the coast in good health. Indeed, many of the survivors were seen lying about the decks in the last stage of emaciation and in a state of filth and misery not to be looked at.’
    ‘While expressing my horror at what I saw and exclaiming against the state of this vessel for conveying human beings, I was informed by my friends, who had passed so long a time on the coast of Africa and visited so many ships, that this was one of the best they had seen’.
    Hoe je bij zo’n verslag van een tijdgenoot kan spreken over nuanceringen, óók naar de normen van die tijd, is mij een raadsel.
    Lees dit en oordeel zelf:
    http://www.eyewitnesstohistory.com/slaveship.htm
    Overigens vind ik dat het debat over de slavernij niets te maken heeft met het debat over Zwarte Piet of de Gouden Koets hoewel ik enig begrip kan opbrengen voor hen die dat wel doen.

    Tino Kuis

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)