Siam! Siam! Tour d’histoire met Erik Kuijpers 62

De strafexpeditie die er geen wordt…

deel 2 van 2

In ondiep water op de riffen af

‘ Die hele lange nacht is de rust niet onderbroken. Wij bevestigen de ankers weer aan de kabels en kunnen die nu snel laten zakken. Wij kunnen geen tien yard zien aan beide zijden van het schip maar weten naar welke kant wij in de nacht zijn afgedreven.

En bij het eerste daglicht kunnen we het zien. Wij denken in diep water te zitten maar hebben ondiep water bereikt en horen in de verte de golven breken op een kust. Dit is een hachelijke situatie!

Geen wind genoeg om het schip weg te sturen en het schip drijft snel naar een gevaarlijke kust waar wij, als we al ontsnappen aan stuklopen op de rotsen, alleen overleven als gevangenen van gemeen volk dat bekend is van hun barbaarse methodes en dat, uitgerekend nu, boos is op Siam.

Alle hens aan dek om de ankers te laten zakken als we komen in water van 15 fathom diepte en twee ankers met 130 fathoms kabel beschikbaar – en het legertje mariniers nog steeds ‘hors de combat’.

Met welk geweld zwiept de zee haar schuimende korst en schudt het schip heen en weer! Hoe zwaar dreunen en zwepen de golven en slepen ons arme schip onstuimig en onvoorzichtig naar de verdoemenis!

Dit voel je alleen als je het ziet en meemaakt. Geen kwast van een schilder, geen lied van een poëet, geen enkele auteur kan schrijven over de trieste en toch majestueuze realiteit van deze scene.

De morgen breekt helemaal open en het daglicht komt over aarde en zee. Wij zien alleen maar zware golven en beseffen dat de lang verwachte storm die plek bereikt heeft en als een gek met de golven tekeer gaat.

Aan de loefzijde zien we een hoge kaap die we op miraculeuze wijze die nacht zijn gepasseerd en die de storm van ons weg heeft gehouden; maar nu komt de woede van de hele storm over ons verdoemde schip heen en zal ons van de ankers slaan en met grote snelheid tussen een richel met rotsen jagen. ‘

Opgewacht door ‘barbaren’

‘ Achter het schip zien we alleen maar een hoge rots die verticaal de zee in loopt en daarachter duinen met wolkenpluimen er boven.

Aan de zuidkant zien we een doorgang in de rotsen en een mooie zandkust maar zijn ook waarneembaar groepjes mensen die heen en weer rennen en elkaar gebaren van verrukking geven …. ze hebben het schip ontdekt, en waar die vandaan komt, en gedachten aan wraak en plunderen zullen spoedig worden bevredigd.

Zouden we het schip op het strand zetten dan waren onder normale omstandigheden schip en lading en bemanning gered, maar we hebben mensen aan boord die je met de punt van een zakdoek kunt neerslaan en ook die te laf zijn om te knokken.

We hebben een kleine kans: de eerste zucht wind van de storm pakken en met het gevaar van het verlies van de masten de zee opzoeken. Houden de masten het dan zijn we safe; houden ze het niet dan is het ‘Dag Caledonia’. De reddingsboten hangen klaar, water en brood zijn aan boord gebracht zodat we er zo in kunnen.

We hijsen alle zeilen en dan komt de eerste windstoot. Het schip hangt als op een dood punt, de ankers zijn verloren, en dan heel langzaam klimt ze omhoog, wij passeren de riffen op heel korte afstand en vangen dan vol de wind.

“Thank God we’re saved” zegt Middeleton die aan het roer staat als hij het schip voelt bewegen onder zijn nooit falende arm. Wij zijn ineens weer op volle zee. ‘

(Suiker)water maken

‘ Wij zijn ontsnapt aan die plunderende moordenaars en vangen de volle wind als we menen de kust van Maleisië te zien en wij weten de kust van Cambodja nu rechts van ons. Wij gaan volle vaart tot de wacht ineens lenswater ontdekt: het schip moet ergens water maken.

Ze gaan aan de pompen en rapporteren acht voet water in het ruim. Na tien minuten is er zes voet bijgekomen en weer later, met de pompen nog steeds volop aan het werk, nog steeds veertien voet water.

De enige kans is volle vaart vooruit naar de zandbank bij Paknam en ondertussen gebruiken wij iedere emmer en zelfs wasbakken om het water, vermengd met de suiker van die arme Arabier, overboord te gooien.

De taak van het water ruimen is nu opgedragen aan de mariniers die ineens niet meer ‘hors de combat’ zijn; angst en lijfsbehoud hebben ineens hun zeeziekte genezen en ze werken met ondefinieerbare ijver.

Wij tellen nog twaalf voet water in het ruim als we de Caledonia over de zandbank voor Paknam krijgen. Het lekwater wordt minder en minder en het is duidelijk dat de hoge golven ergens een gat hebben gevonden.

Om acht uur in de morgen leggen we aan bij het huis van meneer H in Bangkok, tot verbazing van alle partijen hierbij betrokken die verbaasd zijn een zwaar beladen schip na tien dagen al licht als een veertje terug te zien.

Eerst ontladen wij alle wapens voor de stabiliteit van het schip en dan inspecteren wij het lek om te ontdekken dat een plank los is geraakt net boven de waterlijn.

De oude Arabier, Hadji Fattala, komt aan boord om naar zijn suiker te vragen en merkt dat het schip schoner is dan ooit. Hij zweert ons beiden te zullen aanklagen want dit is natuurlijk onze schuld; hij trekt zijn baard uit bij plukjes en paradeert grotesk het dek op en neer, vervloekt iedereen en alles wat hem tot deze uitdaging bracht, en tenslotte gaat hij zitten huilen om het geld dat hij kwijt is.

We kunnen het niet helpen medelijden met hem te hebben maar was hij wat minder gierig geweest dan was de suiker aan boord gegaan in vaten en had hij de helft nog gehad.

De Caledonia gaat in het dok. De mariniers gaan van boord, wij ook, en ook de kok die bijna afgeknald was en bezweert nimmer meer met mariniers te varen ook al betalen ze hem twintig keer zijn loon.

Dit is voor mij de eerste en laatste keer in actieve dienst. Een week later krijg ik een overplaatsing naar de Siamese cavalerie en wordt aid-de-camp, adjudant te velde, van Prins Chudamani. En die geeft me weinig te doen behalve lopen in een net pak en met vergulde sporen.

 

Toelichtingen

Bron: Narrative of a Residence at the capital of the Kingdom of Siam (1852), by Frederick (Fred) Arthur Neale (1821-1863)

Prins Chudamani; Prins Tjaw Fa.
Fathom; 1,8288 m.

Gerelateerde berichten

Erik Kuijpers
Over Erik Kuijpers 595 Artikelen
Erik Kuijpers (1946) werkte 36 jaar als aangiftemedewerker inkomsten- en vennootschapsbelasting. In 2002 emigreerde hij naar Nongkhai in Thailand waar ook zijn partner en pleegzoon wonen. Erik pendelt nu afhankelijk van de seizoenen tussen Thailand en Nederland