Thailand. Een avondje romantische verbeelding in niemandsland

 

Bij dageraad vertrok ik uit Chiang Mai, dat al zovele jaren mijn thuisbasis is. Onder een met houtskool aangestampte hemel waar de zon niet meer doorheen kwam. Het is weer eens de jaarlijkse afbrandperiode, die de lucht verdikt met fijnstof, naalden in je ogen zet en je neus vol roet.

In schaduwloos licht dat geen primaire kleuren meer weet te scheppen en alles deprimerend flets en mistig maakt, startte ik Afrimele, mijn oude Chevy pick-up, en reed naar het zuiden. Een periodieke vlucht, zoiets als een transhumance naar betere weidegronden, waar de zon niet is ingekooid achter mensgemaakt vuil.

Naar het zuiden, naar het zuiden, schreeuwt een endogene stem, misschien een duizend kilometer, waar het land nog kleur heeft en vrij van ziekelijke brandlust. Zonder tegensputteren geef ik er gehoor aan.

Om onder die zwart bespikkelde hemel en tussen de door rook uitgewiste bergen er de stemming in te houden, draai ik onderweg Franse chansons, Jacques Brel, Edith Piaf, Charles Aznavour, Gilbert Bécaud. Als Jacques Dutronc langskomt met Paris s’éveille associeert mijn geheugen op haar eigen ondoorgrondelijke wijze een rits herinneringen aan elkaar, stammend uit de Parijse dagen in mijn jonge jaren.

Ze voeren me naar Le chat qui pèche, toen een discotheek -of hij er nu nog is weet ik niet- in een van de zijstraatjes in het Quartier Latin. Het was midden in de winter en het moet op een druilerige vrijdag- of zaterdagavond geweest zijn, want het was afgeladen vol. Met een flesje Pelforth installeerde ik me langs de dansvloer. Naast me stond een meisje in een zilverkleurige regenjas en rode laklaarsjes mee te deinen op de muziek. Ik sprak haar aan, noodde haar voor een dansje, zij in haar nog vochtige regenjas, ik kleumend in een doorweekt spijkerjack.

Ingeklemd tussen andere natte jassen schuifelden we op de jazztonen van Miles Davis wat rond, want bewegen was nauwelijks mogelijk. Violène kwam uit Senlis, maar bewoonde nu een kamertje in de buurt van Bastille. En dat is waar we na wat drankjes en dansjes terecht kwamen, in een 19de eeuws voormalig bediendenvertrekje na een moeizame beklimming van een smalle, eindeloze wenteltrap.

Tot een week geleden had ze er gewoond met haar vriend, maar die had haar laten zitten. “En nu ben jij mijn man en kan ik je niets meer weigeren”, zei ze kordaat na een opgetogen ontvangst tussen haar dijen. Maar de voorzetting zou anders zijn dan zij in gedachte had. Ofschoon ik Parijs een romantische dimensie toe ken, heb ik van die enorme schimmel vol culturele pretenties en frivoliteit nooit mijn thuis willen maken.

Na een paar dagen, na hooguit ook die week met Violène, stikte ik onder die lage hemel van het noorden en ging zuidwaarts, naar wat Camus met zijn kenmerkende voorkeuren, de oudste zee ter wereld noemde. Om dan -precies zoals hij als hij weer eens uit de mist van het noorden kwam afzakken- te herademen bij het zien van de eerste cipres. En net als hij heb ik het leven met alle ups en downs die voorbijtrekken zo mateloos lief, dat ik die liefde onmogelijk tot een enkele vrouw zou kunnen beperken.

Daarbuiten is dweepzucht van welke aard dan ook, me altijd vreemd geweest. Ik ben als het ware geboren met een grote portie Boeddhistische onthechting onder de leden. Het moet me hebben aangezet het in Thailand te proberen, dat eenzame koninkrijk waar binnen niet al te lange tijd misschien ook een bestorming van de Bastille gaat plaatsvinden. Het is een land zonder een spatje morele verontwaardiging. Schuldig is er niemand. Boeten doet we allemaal al naar gelang de inhoud van onze karmische spaarpot.

Hoe dat zich verder ook mag ontwikkelen , ik heb oog voor het relatieve karakter van elk oordeel dat zich wenst op te werpen als onveranderlijke waarheid. Perspectivisme tot in het absurde, zo mag je het best noemen. Boeddhistisch toch?

Zuidwaarts, zuidwaarts dus, ook nu weer… Tegen het vallen van de avond rijd ik Sakeo binnen, een stadje in het hartland van de Isaan, die dorre streek, waar al vele eeuwen geleden met het oerbos voorgoed werd afgerekend. Sakeo werd enigszins uit haar anonimiteit gehaald door Khao Kor, een massieve bergmassa die de horizon haar contouren geeft. In de jaren 70-80 was er een belangrijke basis van communistische opstandelingen die gevoed met Chinese ideologie, een omwenteling zochten. En o ironie, na over en weer enkele gestileerde vechtloopjes uit de martial arts te hebben uitgevoerd, is China nu Thailands grootste vriend. De drama’s die zich destijds afspeelden in deze bergen, zijn nou geworden tot een toeristische attractie voor de middenklasse uit Bangkok, die zich komt vergapen aan een stukje geschiedenis. Noem het maar historisch ramptoerisme…

Spiedend naar een hotelletje rijd ik door de hoofdstraat en stuit op een bord dat me er een aanwijst. Ik gooi het stuur om en rijd een zijstraatje in met shop houses, waarin massagegelegenheden en barretjes met een krans van vrolijk knipperende kerstlichtjes aan de gevel. Op de terrasjes ervoor etaleert zich de koopwaar in oosterse vrijmoedigheid, zodat daarover geen misverstand kan zijn. Jonge, vrolijk babbelende meisjes, die ondertussen hun telefoonschermpje bewerken. Als ik er met neergelaten raampjes langsrijd, beginnen ze te joelen: welcome, welcome, massage… Ze wuiven en ik wuif terug als de tra-la-la-koningin van Lombardije ooit bezongen door Wim Sonneveld.

Het Chinese hotelletje een paar honderd meter dieper de soi in heeft ouderwetse luiken voor de kamers op de bovenverdieping. Ooit moet er een laagje verf op gezeten hebben. Het is me goed genoeg. Na de check-in ga ik op verkenning en zet me neer in een van de barretjes, waar eenzaamheid een van de onmogelijkheden des levens is.

‘’My name is Nok, you buy me drink?’’, zegt het meisje dat naast me aanschuift. Het is het bekende kennismakingsritueel in deze gelegenheden. Normaal gesproken ga ik er allang niet meer op in. Maar deze avond zal anders zijn, heb ik besloten. Het moeten die Franse chansons zijn, die me in een romantische bui gebracht hebben. Hoewel ik weet dat het onmogelijk is de dingen uit een voorbije jeugd te willen herbeleven, heb ik al lang besloten me eens lekker te trakteren op een stevige portie nostalgie…

Bier mag het van Nok niet zijn maar wodka met een scheut jus d’orange wijst ze niet af. Zelf zou ik het liefst een goede canon rode wijn hebben beliefd, maar die hebben ze niet. OK, dan ook maar wodka. Na een eerste slokje doet tafeldame Nok een spontane greep uit de wisselvalligheden van haar leven. Voorheen werkte ze in Pattaya, daarvoor ook enige tijd in Phuket.

Het was een geëvolueerd typetje, dat wat van de wereld gezien had. Op uitnodiging van een benevolente aanbidder, was ze zelfs een keer drie maanden in Kopenhagen geweest. Maar dat dat hoefde niet meer. Van al haar levensdagen echt nooit meer… Wat een nors zootje was het daar. Gloomy…, zo noemde ze het. Nooit wil ze nog een voet  zetten in farang land… Om me niet te ontrieven, laat ze er meteen een poeslief glimlachje op volgen.

Nadat de toeristenindustrie in Pattaya met de coronacrisis besmet raakte, is ze nu teruggekeerd naar haar geboortestreek, waar het een stuk gemakkelijker is om te overleven. Ze noemt me haar dorp, waar ik komend uit Chiang Mai langsgereden gereden moet zijn. Ik heb er geen beelden bij.

Boem-tà-tà-boem tà-tà-boem, blèrt de Isaan muziek uit de luidsprekers. Na drie shots al aardig tipsy krijg ik het toetsenbord van de muziekcomputor in mijn handen geduwd. Ik typ wat Franse chansons in. Nog een shotje wodka en we glijden van onze krukken om in peristaltische bewegingen een dansje uit te voeren op Paris s’éveille. Ik knijp mijn ogen halfdicht en stel me voor dat het daar ergens ligt.

Daarna weer een paar shotjes. Een paar andere meisjes schuiven aan, want ze hebben in de gaten dat zich in ons hoekje een gratis feestje aan het ontrollen is. Meisjes uit dorpjes in de buurt voor wie Sakeo de grootstad is. Met zijn allen gaan ze aan de wodka. Er is geen verder toch enkele andere klant…

Opnieuw een dansje met Nok, nu niet meer dan wat geschuifel op Jeanne d’Arc gezongen door Graeme Allwright. Tijdens die romantische week met Violène deed ik er een gig mee in verschillende Parijse cafés pingelend op een geleende gitaar. In mijn hoofd begint de wodka te bruisen en metamorfoseert nostalgie tot melancholie. Nok, die ook niet meer al te stevig op haar benen staat, hangt als een windstille vlag op halfstok aan mijn nek.

Ik weet nog hoe de politie, zeven man sterk, plots binnenviel en alle meisjes op de foto zette. Inclusief Nok, die nog altijd troosteloos afhing van mijn nek, die al een krampscheut aan het opbouwen was.  Vanuit de kassa moet er geschoven zijn, want daarna nokten die agenten weer braafjes af. Tegen sluitingstijd kreeg ik een gepeperde rekening voor mijn neus. Ook nostalgie heeft zijn prijs. Daarna ben ik moederziel alleen terug gestrompeld naar dat verveloze Chinese hotelletje, pratend tegen de sterren en onderwijl proberend de romantische verbeelding zo lang mogelijk vast te houden.

Over Antonin Cee 200 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*