Er is mij verteld dat u op zoek bent

Rob Verschuren, Goa verhaal

Bob’s Bar was ooit begonnen als Bob Miranda’s ouderlijk huis, een eenvoudige visserswoning zonder verdieping. Door de jaren heen had Bob stukje bij beetje uitgebreid. Hij volgde hierbij zijn invallen en maakte gebruik van de materialen die voorhanden waren. Waar Bob en zijn negen broertjes en zusjes met hun rijstkommen op de vloer hadden gezeten, stond nu een U-vormige bar.

Het café was er omheen gegroeid als een organisch labyrint. Hier lagen terracotta plavuizen onder een golfplaten dak, daar was de vloer van trottoirtegels en dekten palmbladeren de bamboe spanten. Bij de pooltafel keek je tegen antieke dakpannen aan, afkomstig van een Portugese villa. Tussen de balken had Bob stukken blauw plastic gespannen met het oog op de moessonregens. Geen twee tafels waren gelijk en de gasten zaten op krukken, caféstoelen, tuinbanken en planken. Bij daglicht deed het pijn om naar te kijken, maar Bobs Bar ging pas na donker open. In het spaarzame licht van spotjes en schemerlampen was de ruimte zowel sfeervol als geheimzinnig.

Aan het tafeltje dat toeristen altijd kozen als ze de kans kregen, onder een grootbladige klimplant en met uitzicht op de bar en de entree, zaten een man en een vrouw. De man was klein en schriel. De vrouw was een half hoofd groter en had het figuur van een rijpe papaja. Zij droeg paarse leggings en een fluoriserend groene bloes. Hij een Hawaïhemd waar de zoom van zijn shorts een duimbreedte onderuit kwam. Amerikaanse toeristen die vandaag een specerijenplantage en een krokodillenboerderij hadden bezocht en nu de volgende attractie uit hun reisgids aandeden, dat was de indruk die ze maakten.

‘Ik hou hier helemaal niet van,’ zei de vrouw.
De man bromde iets.
‘Rook je dat toen we binnenkwamen? Ze roken hier hasjiesj.’
‘Kalm nou, Marion. We praten met die meneer en zijn weer weg.’

De vrouw keek naar de deur. De man ook, al dwaalde zijn blik regelmatig af naar de bar. Bobs barmeisjes waren allemaal jong en mooi en naar plaatselijke begrippen schandalig gekleed. Bob wist dat zijn klantenkring alle soorten gedonder en geweld in zich had en werkte alleen met vrouwelijke personeel. Waar mannelijke bediening agressie kan aanwakkeren, hebben vrouwen een sussende invloed, was zijn filosofie. En hoe mooier ze zijn, des te harder sloven de klanten zich uit om een beschaafde indruk te maken.

‘Waarom moesten we hier afspreken? Zo louche allemaal. Kijk die meisjes, het lijkt wel een bordeel. Daar, een bordeel. Ik zeg het zoals het is’
De man keek nu openlijk naar de bar. ‘Kom nou, Marion. Dat zijn gewoon barmeisjes. Kijk hoe aardig dat ene kind is voor die arme lilliputter. Ze helpt hem op de barkruk te klimmen.’
‘Let jij nou maar op de deur. Hij is al een kwartier te laat.’

Op dat moment kwam een man uit de diepte van het café. Hij was groot en zwaar en donker van huid. Voor hun tafeltje bleef hij staan. Hij blokkeerde het uitzicht op de bar en verduisterde het licht terwijl hij zwijgend op het echtpaar neerkeek. ‘U kunt mij Kamtansak noemen,’ sprak hij tenslotte.
Hij schoof een stoel bij en ging zitten. Het licht kwam terug en schitterde in de stenen van de ringen die hij aan de vingers van allebei zijn handen droeg. Zelfs om zijn duimen zaten ringen. Ze namen elkaar op.
‘Er is mij verteld dat u op zoek bent,’ zei de man die ze Kamtansak konden noemen.
‘Wij zijn op zoek,’ zei de vrouw.

Kamtansak groef in het borstzakje van zijn shirt. Hij stak de man een pasfoto toe. De vrouw graaide hem weg en hield hem voor haar ogen. De man boog zich naar haar toe en keek mee. Kamtansak bestudeerde hun gezichten, zijn ogen tot spleetjes geknepen. Toen de vrouw het fotootje voor zich op de tafel had gelegd zei hij: ‘Ze is twee jaar. Haar naam is Shakti, maar u mag haar natuurlijk noemen wat u wilt.’

‘Haar ouders?’ zei de man.

‘De moeder is een alleenstaande vrouw. Ze wil het kind afstaan om het een betere toekomst te geven. Ze vraagt geen geld. Als we haar honderd dollar geven is ze rijk.’

De man keek weer naar het fotootje. ‘En wat vraagt u zelf, meneer Kamtansak?

‘Een klein bemiddelingspercentage. Ik ben niet belangrijk. Waar het om gaat, dat zijn de papieren. Dit is een vreemd land, meneer, mevrouw. Wij laten de armen op straat creperen, maar wanneer menslievende buitenlanders ons willen helpen, schreeuwen we moord en brand. Op kinderhandel staan strenge straffen. Lex dura, sed lex. Weet u wat dat betekent?’

‘Ik weet wat dat betekent,’ zei de man.

‘Ik ook, meneer. Ik heb het opgezocht. Om papieren te krijgen moeten we een paar mensen betalen. Belangrijke mensen. Dure mensen.’

‘Hoeveel?’ vroeg de vrouw.

‘Wilt u het kind?’

De vrouw knikte. ‘Ja,’ zei de man, ‘wij willen Shakti.’

Kamtansak keek een tijdje naar zijn handen. Toen schoof hij zijn stoel achteruit. ‘Blijf hier zitten. Ik moet een paar telefoontjes doen.’ Hij stond op en liep naar de uitgang. Onder het lopen trok hij een telefoon uit zijn broekzak.

‘Wat een proleet. Zag je die ringen?’ De man had alleen aandacht voor het fotootje.
‘Rudolph, niet kijken. Er komen twee politiemannen binnen. Denk je dat hij … o God.’

Nu keek de man op. ‘Ze lopen naar de bar.’
‘Dat zegt niets, ze weten dat we hier zitten.’
‘Marion, probeer in godsnaam kalm te blijven.’
‘Blijf kijken. Doe alsof je zomaar wat rondkijkt. Vertel me precies wat er gebeurt.’

‘Ze staan aan de bar. Ze praten met de dwerg. De dwerg haalt een envelop uit het tasje dat hij op schoot heeft. Het is zo’n draagtasje van die winkel waar jij hebt proberen af te dingen op die tentjurk. Etnische Kleren en Souvenirs of zoiets. De ene politieman kijkt wat er in de envelop zit. Nu steekt hij zijn neus erin. Hij vouwt de envelop dicht. Steekt hem in zijn broekzak. Dubbelgevouwen. Hij slaat de dwerg op de schouder. Het barmeisje zet twee flessen bier neer. En bierpullen. Zie je wel, Marion, het heeft niks met ons te maken.’

De vrouw draaide zich half om en keek naar de bar. De politiemannen stonden aan weerszijden van de lilliputter en hieven hun pullen. Ze lachten.

Kamtansak kwam terug. Zonder de politiemannen een blik waardig te keuren, ging hij zitten. Hij schraapte zijn keel. ‘Dertigduizend dollar.’

De man en de vrouw wisselden een blik die hij niet kon peilen. Het was de vrouw die sprak: ‘Met officiële papieren? Waar we geen gedonder mee krijgen, hier niet en thuis niet?’

Ze praatten nog een tijd met gedempte stemmen. De politiemannen vertrokken, maar de vrouw bleef rondkijken alsof ze in een slangenkuil zat. De man stelde vragen en Kamtansak antwoordde kalm en beleefd. ‘Dan doen we het zo,’ zei hij tenslotte. Hij stond erop handen te schudden. De man en de vrouw gehoorzaamden alsof ze hun hand in de wc-pot staken. Als Kamtansak het al zag, dan liet hij niets merken. De vrouw begon op te staan.

‘Blijf nog heel even zitten,’ zei Kamtansak. Hij legde zijn onderarmen op de tafel en boog zich voorover. ‘Wat ik nu ga zeggen, daar heb ik persoonlijk geen enkel belang bij, maar ik kan voelen dat u de armen hier echt wilt helpen. Hebt u er weleens over gedacht om te investeren in een buffelmelkerij?’

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

4 Reacties

  1. Haha, je zet ons op het andere been, Rob.
    Bij de zin ‘Blijf nog heel even zitten’, dacht ik: Wat kan er nou nog komen… na al die spanning?
    Wel het was verrassend.
    Ik kijk uit.

  2. Fantastisch verhaal, fantastisch geschreven. Meer alsjeblieft!

    Bert van Balen
  3. Weer een pareltje Rob! Femmy heeft al verwoord wat ik ook van jouw verhaal vond.

  4. Prachtig! De broeierige sfeer in de kroeg, de hypocriete, en toch ook weer ‘gewone’ Amerikanen’. Schitterende slotzin.

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)