Peter’s kunststukjes. Superstier

Nuijsenburg, Kunststukjes, Paulus Potter, Superstier

Misschien is het een aardig experiment. Vraag een aantal mensen welke schilderijen uit de Gouden Eeuw tot de nationale beeldencanon horen. Nummer één wordt ongetwijfeld de Nachtwacht, waarschijnlijk ex aequo gevolgd door het Melkmeisje of het Meisje met de Parel, en dan, het kan niet missen, het statieportret, want dat is het, van de onbetwiste koning van de vaderlandse veestapel, De Stier van Paulus Potter.

Die ereplaats is terecht want De Stier is uniek. Nooit eerder (en later) beheerste een dier zo het beeld. En nooit eerder op dit enorme formaat, 2,355 bij 3,339 meter om precies te zijn. Dat is normaal het formaat voor historiestukken en bijbelse voorstellingen. En dat verheven formaat gebruikte Potter voor een beest. En wat voor één. Geen nobel dier als een paard of de koning der dieren, de leeuw, nee, een doodordinaire stier. Hij kijkt wel bijna hooghartig onverschillig, alsof wereld en toeschouwer niet bestaan. En hij is uiterst realistisch neergezet, onze kampioen van het stamboek.

Superstier niet uit vrije natuur

Alleen, De Stier is niet uit één stuk. Kenners van de boviene anatomie zagen al snel dat het beest samengesteld is uit diverse onderdelen. De kont, de hoorns en de halskwab zijn van een jong dier, het gebit zou naar schatting vier a vijf jaar oud zijn, en de schouderpartij dat van een volwassen stier. Potter had schetsen van verschillende stieren uitgewerkt tot zijn superstier.

Peter van Nuijsenburg, Kunststukjes, Paulus Potter, Superstier

Dat was niet ongebruikelijk in die tijd, toen schilderen in de vrije natuur nog niet mogelijk was. De verftube is pas rond het midden van de 19de eeuw uitgevonden. Het realistische landschap, dwz de waarheidsgetrouw op locatie geschilderde natuur, is dus een vrij recent genre. Voor die tijd leken landschappen wel realistisch maar ze waren vaak collages van losse elementen die de schilder aan elkaar schilderde. De molen aan de bocht van de rivier, een bekend motief bij o.a. Ruisdael, kan, maar hoeft er niet gestaan te hebben.

Potter was erg jong, 22,  toen hij De Stier schilderde. Hij werd in 1625 geboren in Enkhuizen in een wat we nu een artistiek milieu, zijn vader was ook schilder, zouden noemen. Hij is vrij snel met zijn ouders naar Amsterdam verhuisd. Later woonde hij in Den Haag en Rijswijk, in Den Haag was de landschapsschilder Jan van Goyen zijn buurman.  Ze waren lid van hetzelfde gilde.

Vraag naar realisme

Zijn eerste lessen heeft hij ongetwijfeld gekregen in het atelier van zijn vader, specialist  in historiestukken. Paulus had die ook op zijn palet, net als kroegscenes en andere uit het leven gegrepen taferelen, maar hij is vrij snel overgeschakeld op het schilderen van dieren. Waarom? Vermoedelijk omdat er vraag naar was. Realistisch geschilderde dieren, met een scherp oog voor het pakkende detail, in een vaak geïdealiseerd landschap, daar waren kennelijk liefhebbers voor.

Die liefhebbers behoorden tot de gefortuneerde kennissenkring van zijn moeder die van huis uit eveneens goed in de slappe was zat. Tot Potters klantenkring behoorde waarschijnlijk ook Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik-Hendrik. Zij zou het andere wereldberoemde werk van Potter besteld hebben, de Pissende Koe. Het verhaal gaat dat Amalia die schonkige, wijdbeens een kletterende straal lozende koe uiteindelijk niet wilde hebben. Meesterlijk geschilderd, absoluut, maar niet bij haar aan de muur. Toch te ordinair voor een dame met vorstelijke allures. Het heeft nu een ereplaats in de Hermitage in Petersburg, het voormalige paleis van de czaren.

Later kreeg de stier een koe

Wie met De Stier wilde pronken weten we niet. Hij moet in elk geval ruim behuisd zijn geweest want De Stier alleen was hem niet genoeg. Aanvankelijk stond De Stier er in zijn eentje maar Potter heeft de voorstelling later uitgebreid met de koe, de drie schapen, de herder of boer (die later zou opduiken als de Teun van het leesplankje) en het weidelandschap met op de achtergrond de kerktoren van Rijswijk.  Of de andere typische ‘Pottertoetsen’, de minutieus geschilderde kikker op de voorgrond, de fel-realistische koeienvlaai en de niet minder realistische, bijna hoorbaar rond zoemende vliegen al meededen in de eerste opzet valt niet met zekerheid te zeggen. We mogen aannemen van wel. Zo kon de schilder laten zien wat hij waard was.

Peter van Nuijsenburg, Kunststukjes, Paulus Potter, Superstier

Kunstverzamelaar Willem V van ballingschap terug in Nederland

https://www.trefpuntazie.com/wp-admin/edit-comments.phpEen andere Oranje, stadhouder Willem V, liet zich, anders dan Amalia, niet afschrikken door de koeienflots en de strontvliegen. Hij nam De Stier op in zijn verzameling. Toen het  Franse revolutionaire leger in 1795 Nederland binnenviel, vluchtte de stadhouder naar Engeland. Zijn kunstverzameling met onder andere werken van Rembrandt, Van Dijck en Rubens werd in beslag genomen en naar Parijs gebracht. De Stier kwam met andere roofkunst te hangen in het Louvre, een ander voormalig paleis, en werd een trekpleister. De Stier werd gezien als een symbool van de democratie. Een volks beest dat als een vorst het doek beheerst, dat had pas echt revolutionair élan.

eter van Nuijsenburg, Kunststukjes, Paulus Potter, Superstier

Boek Kees Schuiten over Franse kunstroof

Na de nederlaag van Napoleon keerde De Stier terug in zijn vaderland. De 19de eeuw was de tijd van het opkomend nationalisme en elk volk, dat wil zeggen de elite, ging op zoek naar verhalen, mythes, geschiedenis en kunst die de nationale cultuur en nog liever, het nationale karakter zouden uitdrukken. Dat was natuurlijk een onderneming waarbij het verleden meestal ernstig werd geromantiseerd maar dat maakte niet uit. De 17de eeuw werd de Gouden Eeuw, Rembrandt de schilder en de Nachtwacht het schilderij van de zichzelf ontdekkende natie.

Koe of stier, nationaal symbool?

De Stier kreeg ook een rol in de nationale bewustwording. Toen de 19de eeuwse kunstschilder Cornelis Kruseman werd gevraagd wat het beste symbool voor Hollands welvaren zou zijn,  zou hij geantwoord hebben: de koe. De Amerikaanse kunsthistorica Amy Walsh die zich verdiept heeft in Potter, was het met hem eens. Net als Simon Schama die in de veestapel ‘het Hollandse fortuin in een Arcadisch landschap’ ontdekte. En niets was Hollandser als De Stier. De Stier representeerde in al zijn robuuste directheid een nationale karaktertrek, waarvan we allemaal weten dat het flauwekul is, de oer-Hollandse nuchterheid.

Dat heeft Potter uiteraard niet allemaal kunnen bevroeden. Hij schilderde een stier, geen symbool. Daarmee is de cirkel rond. In een tijd waarin nationale symbolen verdacht zijn of behalve Sybrand Buma niemand nog veel kunnen schelen, is De Stier weer wat het al die eeuwen voordien was. Een schilderij, een meesterwerk waar zich elke dag een paar honderd bezoekers van het Mauritshuis aan vergapen. Dat is al mooi genoeg.

 

 

Deze pagina delen

  • Delen op Facebook
  • Delen op Twitter
  • Delen op LinkedIn
  • Delen op Google+
 

Lees ookgerelateerde berichten

Reageer

E-mail (wordt niet gepubliceerd)