Veu speelt voor leraar

Paardje Veu en Ezeltje Sul lagen in het gras. Ze waren boos, boos op elkaar, ze hadden geruzied. Veu staarde langs de kloof naar de oosterkim, Seu naar het westen, ze keken bij elkaar langs.

Bert van Balen, Hallo 2018!, Tropenjaren

Sul vond die ruzie héél naar, ze waren altijd gelukkig met elkaar en waarom nu niet? Bij Veu was er maar een béétje een naar gevoel, Sul had pertinent ongelijk gehad, al was Veu het hoe en waarom vergeten.

Toen kwam Sul op een idee om het weer goed te maken. Veu bromde toch zo vaak dat Sul domme fouten maakte? Dat Sul ‘beter áls’ zei en geen ‘beter dán.’ Dat Sul nog steeds hoefrekende omdat de tafels van vertenigvuldiging zo moeilijk waren. Op z’n ezels bálkte in plaats van netjes te hínniken op zijn paards. Dat alles bracht Sul ertoe Veu te vleien en te vragen voor leraar te spelen.

‘Veu, je hebt me al veel geleerd. Zou je deze domme muisgrijze ezel jouw taal niet willen onderwijzen? Ik wil graag Hoogpaards leren, Veu. Wil jij mijn leraar zijn?’

Veu vergat alle boosheid en vlijde zich bij Sul neer. ‘Ja, dat is een goed idee van je, Sul, daar wil ik je wel bij helpen. Leven is permanent leren, nietwaar.’  Sul wond een paar wilde manen om het hoefje van Veu die nu lachte. Veu had altijd graag leraar willen zijn, maar dan voor leerlingen die écht leren willen en niet voor dwarsliggende proppenschieters. ‘Vandaag is de eerste les, we beginnen direct!’ zei Veu beslist.

Alex Ouddiep, Fabel, Veu en Sul, Taal

‘Het Hoogpaards,’ sprak Veu deftig, ‘is de taal van de kaste der Hoge Graziatische Paarden. Naast het Hoogpaards heb je het Middelpaards van de trek- en werkpaarden, en het Laagpaards van onevenhoevigen die vals balken zoals ezels en muilezels. Dan is er nog het Edelpaards dat hovelingen, eenhoorns en andere fabeldieren spreken en dat maar weinigen verstaan.’

‘Het Hoogpaardse alfabet heeft vier klinkers: de i en de a, beide in een korte en lange variant, geschreven  i  a  i:  a:   Er zijn zes medeklinkers, een ervan kun je met tien verschillende tekens schrijven – áls je kunt schrijven natuurlijk.

Het Hoogpaards gebruikt scripta continua, de lettertekens rijgen zich ononderbroken aaneen als bij een niet te stoppen diarree. Het lezen is daarom moeilijk en alleen weggelegd voor dieren met hoge begaafdheid en van hoge komaf, wat in Grazië zoals je weet bijna op hetzelfde neerkomt.’

Hier zweeg Veu en keek schichtig om zich heen. Was deze uitspraak te gewaagd? Maar bij Sul gingen de woorden het ene ezelsoor in en het andere uit, en er was ook nergens een gedachtenwacht te bekennen.

‘In het Hoogpaards moet je netjes hinniken, het liefst op zachte toon en met je hoofdje een beetje gebogen, dat toont respect, ook waar dat dieper in de borst ontbreekt. Trek je oogbrauwen een beetje op als het respect voor jou tekortschiet, het is een verdekte,  begrijpelijke en algemeen begrepen terechtwijzing van het Hogere Paard richting heffe des volks.’

‘Wij Hoge Paarden spreken altijd met twee woorden. Het tweede woord is ‘waarde’, in gesprek met monniken ‘eerwaarde’, en bij fabelpaarden  ‘ik die lager ben dan het stof onder uw hoeven’, wat je zou kunnen vertalen met allerhoogstgehoefde. Maar zo vaak spreken wij fabeldieren niet.

In het Hoogpaards maken we tussen lange en korte klinkers een scherp onderscheid (Sul begreep: onder-schijt), anders krijg je misverstanden met de Hoge Paarden. We zeggen dus niet: Er loopt een maan op de weg, of: de man staat aan de hemel, maar ……’

(Ezeltje Sul vulde de zin aan, Veu moest vandaag immers een leerling voor zich zien van goede wil. Maar wie sprak er nu eigenlijk zo? Ezels maken dit soort fouten zelden. Het zijn maar kleine foutjes die anderen uitvergroten als ze je niet mogen of ruzie zoeken of geen moeite willen doen om je te begrijpen, dat was tenminste Suls ervaring.)

‘….het Hoogpaards is eerder vaag dan precies.

We zeggen : we gaan, als we ook kunnen zeggen dat we over vijf dagen terugkomen.
We zeggen dat we gisteravond bij vrienden geweest zijn, ook als iedereen weet dat we die nacht bij onze vriendin geslapen hebben.
We zeggen dat we het niet weten als we geen antwoord willen geven.
We zeggen liever ja dan nee, ons maakt het weinig uit of het klopt klopt.
We wonen ver weg, nooit op drie uur rijden of een uur galopperen.
Onze portemonnaie of ijskast heet bijna leeg totdat je hem opendoet.’

‘Deze uitdrukkingswijzen moet je overnemen, Sul, als je niet wilt dat de Hoge Paarden aan het langste eind trekken. En Veu vatte in moeilijke woorden samen: het Hoogpaards is een machtsmiddel in de cultuur van Graziatische Paarden.’

Sul was verstomd. Was dit de Veu op wie je altijd vertrouwen kon, die van zijn eigen kaste hield maar hier die kaste zo niet aan- dan toch afviel? Sul stak een hoef op: ‘Leraar, ik wilde ook nog graag gewoon wat taal leren, Leraar praat alleen maar óver het Hoogpaards.’

Veu was op zijn hoeven getrapt,  maar hij vergaf het Sul graag.’Goed, goed, je hebt gelijk, ik laat me soms wat gaan als mijn hart flink klopt en mijn hoofd helder is. Als leraar ben ik gedreven, soms wat driftig, het zit diep in me. En de marxistisch gegrondveste sociolinguïstiek is nu eenmaal mijn hobbelpaard (hoge hoef, wat kon dit betekenen, vroeg Sul zich af, het was wartaal van een gestoorde). Inderdaad, laten we gewoon weer wat leren.’

Veu slurpte wat water en Sul ging er gemakkelijk bij liggen.
‘Het Hoogpaards gebruikt graag moeilijke woorden, Sul. Later maken we daar een lijstje van of een mantra. Ik geef nu alvast een paar voorbeelden.

Je zegt niet: sloot, zoals in het Middelpaards maar (Sul verstond:) irritatiekanaal, niet stroom maar (Sul hoorde:) elektrische tijd, niet leugens maar misverstanden. Met deze omvormingen herkennen en ontzien Hoogpaarden elkaar.
Dat moet jij ook doen, Sul, anders – ik zal eerlijk zijn – kijken ze op je neer.
Wij spreken van paardenbeen en paardenhoofd waar anderen poot en kop gebruiken. Jij mag dat ook bij ezels doen maar het hoeft niet.
Wij Hoogpaarden schrijden in plaats van lopen, we zitten niet maar zijn gezeten, we schijten niet maar evacueren ons. Geen vreten maar eten, lunchen en dineren.
Neuken doen we niet, we bedrijven de liefde, dat is heel wat anders.’

Hahaha (nu kon Veu eindelijk om zichzelf lachen) wat zijn we toch netjes, wat kunnen wij Hoge Paarden onszelf goed presenteren. Ons conversatiespel lijkt wel een paardenpoppenkast, een wedstrijd in Hoogpaardse mooipraterij.’

Sul geloofde het nu wel en wilde terugkeren tot het aardse. ‘Hoe zeg je: ik houd van jou op zijn Hoogpaards?’

‘Moet ik jou dat nog vertellen, dommie. Wij zeggen dat ook wel, maar vaker nog: ik zal voor je zorgen, nee, ik zal zorg voor je dragen. Dat gaat toch wat dieper.’

Alex Ouddiep, Fabel, Veu en Sul, Taal

Sul was moe geworden, liet kop of hoofd wat zakken maar bleef geïnteresseerd kijken, want dat deed elke scholier immers, zelfs als de les hem niet boeide.

Veu was ook moe, ‘enigszins vermoeid’, en sloot snel af, een mantra reciterend uit de lessen van de Graziatische Schooltelevisie: ‘Zijn-er-nog-vragen-zo-niet-dan-ben-ik-blij-dat-deze-les-duidelijk-was-en-goed-begrepen-werd.’

Toen boog Sul het hoofd heel diep in pedagogische eerbied en prevelde dat ene universele schoolzinnetje in het Latijn van deze tijd:
‘Thank you, teacher!’

 

Foto’s via Google @rechtenvrij