Op bezoek bij de Mlabri


The show must go on

Ze zal een jaar of zestien zijn dit Mlabri-meisje. Over een paadje in de buurt van hun kampement wandel ik met haar door het bos. Ze spreekt vloeiend Thais, wat uitzonderlijk is voor deze mensen en onderweg laat ze me alles zien. Ze hurkt neer onder een boom om te tonen hoe ze de yam-wortel uitsteken; een ietsje verderop opnieuw, ditmaal om wat blaadjes van de bitter bush te plukken die ze als medicijn tegen bloedingen gebruiken. Hun taal kent een vijftal medicinale planten, weet ze te vertellen, wat schril afsteekt tegen het aantal dat andere bergvolkeren weten te onderscheiden.

Ze leefden als verzamelaars en jagers uit het neolithicum

We komen bij een paar afdakjes van bamboestaken, bedekt met bananenbladeren die schuin, zo ongeveer als zonnepanelen, tussen de bomen staan. Dit soort schuilplaatsen werden door de Mlabri gebruikt als nachtleger. Ze sliepen in een schuine stand met hun hoofd altijd hoger, om als er onraad was snel weer ter been te zijn. Na een paar dagen, als het voedsel in de omgeving op en de bladeren van hun dakjes geel werden, trokken ze weer verder.

mlanbri shelter
Schuilplaats van Mlabri

Ze zwierven door de toen nog uitgestrekte bossen rond Nan en Phrae in Noord Thailand en leefden als verzamelaars en jagers uit het neolithicum. Niemand zag ze in die tijd. Soms stootten bijgelovige Thaise boeren op die verlaten afdakjes in de jungle en zo kregen de Mlabri hun bijnaam: “de Geesten van de Gele Bladeren”.

Pas in 1938 wordt er door de Australische anthropoloog Hugo Bernatzik voor het eerst melding van ze gemaakt in zijn boek “The Spirits of the Yellow Leaves”.

Hun leefomgeving werd vernietigd

‘Het is helemaal niet verwonderlijk, dat niemand van hun bestaan op de hoogte was’, heeft de Amerikaanse missionaris Gene Long, die al meer dan 35 jaar onder deze mensen leeft en hun taal heeft leren spreken, me gisteren gezegd. ‘Angst is ingekerfd in het karakter van de Mlabri. Bij het minste of geringste sloegen ze op de vlucht.’

Maar de bossen in Noord Thailand waren toen al in een rap tempo aan het verdwijnen, wat de volgende jaren alleen maar zou toenemen. Niets ontziende houtkap en de slash and burn van de Hmon-mensen in dit gebied, vernietigden uiteindelijk hun habitat en levensstijl. Uiteindelijk waren ze gedwongen zich als dagloners te verhuren aan dezelfde lieden, die hun leefomgeving hadden vernietigd.

‘Geld kenden ze niet en hun taal heeft alleen de cijfers van één tot tien’, vertelde Gene Long. ‘Een kwantiteit van méér dan tien kunnen ze niet conceptualiseren. Ze werden, en worden eigenlijk, nog altijd door de Hmong stevig uitgebuit bij het zaairijp maken van hun velden hier in de bergen. Vaak tegen minimale beloning.’

Voor de vorm begint hij een stuk ijzer te bewerken

Verder lopend over het bospad komen we bij een afdak van golfplaten. Daar is de smid aan het werk. Zijn vuurtje tussen een paar zwerfstenen wordt aangejaagd door een blaasbalg bestaande uit een holle bamboebuis, waarin een zuiger zit van een stok omwonden met een dot ruwe katoen. Zo werden de kapmessen gemaakt.

‘Een Mlabri-vrouw zal nooit een man trouwen, die zijn eigen mes niet kan maken’, vertelt het meisje, terwijl we kijken hoe de man voor de vorm een stuk ijzer begint te bewerken.

Mlabri women
Mlabri-vrouwen

Het heeft er veel van weg dat ze een van buiten geleerd lesje opzegt en eigenlijk is dat ook zo.Tientallen jaren geleden toen ze nog als verzamelaars leefden zal het wel zo geweest zijn. Nu is het een praatje om af te steken tegen toeristen en ze wat folklore voor te toveren. Maar ik ben er de man niet naar de dingen op de spits te drijven en vraag haar niet of het ook op haar van toepassing is.

Dit is een show en hij vindt plaats op de flank van een berg een tachtig kilometer ten noordoosten van Nan in Noord Thailand in de buurt van Boi Klua. Dit is een van de vele Royal projects, die in dit land zijn opgezet. Er worden voornamelijk handicrafts gemaakt, met als doel de mensen uit de omgeving wat extra inkomen te verschaffen.

Ze willen liever het echte zien

De producten die ze maken worden onder koninklijke auspiciën verkocht in een zestiental winkels in Bangkok. Enkele jaren geleden heeft het project ook een aantal Mlabri geadopteerd, waar er niet veel meer van zijn. In totaal telt deze etnische groep nog maar een 250 leden. Aangezien ze geen geschreven taal hebben is over hun origine niet al te veel bekend.

Thais houden van shows. Thailand heeft zijn olifanten-, slangen-, krokodillen-, apen-,   buffels- en zelfs varkensshows. En vele dans- en themashows en niet te vergeten de talrijke handicraft shows met zijde weven, zilversmeden, houtsnijden, stenen slijpen en potten bakken.

Alhoewel druk bezocht, spreken die shows westerlingen in het algemeen niet zo aan. Ze willen liever het echte zien, wat er vaak al niet meer is of wat in andere gevallen moeilijk te bereiken is of in te plannen en nemen dan maar met een dergelijk surogaat genoegen.

Oosterse mensen hebben geen problemen met die shows. Thais leren hun eigen geschiedenis voornamelijk aan de hand van popcultuur schreef een Thaise journalist een paar maanden terug in de Bangkok Post. Middels soaps, liedjes, cartoons en misschien een grappige quiz. Hij zal het wel weten, dacht ik.

Ze amuseren zich kostelijk met het uiterlijk van westerlingen

Je zou er aan kunnen toevoegen dat ze veel aspecten van wat hun land aan cultuur heeft alleen via shows leren kennen. En nu is er dus de Mlabri-show. Liggend buiten de circuits van het internationale toerisme, is hij opgezet voor een puur Thais publiek.

Even later nemen we een kijkje nemen in de kantine, waar ook wat van de lokale handicrafts staan uitgestald. ‘De Mlabri-vrouwen weven hier tassen, de mannen manden van vezelplanten’, vertelt het meisje.

Erg druk is het er niet. Een groepje jongeThais, uitgerust met camera op smartpole, loopt het ene selfie na het andere te nemen. In een hoekje staan een paar oudere Mlabri-vrouwen het gezelschap aandachtig op te nemen en die moeten ook mee op de foto. Ik denk terug aan de woorden van Gene Long tijdens die lunch van gisteren bij hem thuis.

Hij bracht ze als eerste wat medische verzorging

‘Voor Mlabri zijn buitenstaanders net zo exotisch als zij voor ons. Je moet ze soms eens horen grappen over het uiterlijk van westerlingen, over spitsneuzen, hangbuiken en onderkinnen.’ Zijn handen vormen een carnavalsmasker in de lucht en zetten er een pinoccio-neus op om het plastisch te maken.

gene long with coffee
Gene Long

Gene Long woont in Ban Yuan, een van de drie Mlabri-dorpjes, die er in Thailand zijn. Het ligt diep in de heuvels op een uur rijden van het stadje Phrae. Hij woont er met een 70 Mlabri-mensen en zijn Amerikaanse vrouw. Zijn twee kinderen, die nu in Bangkok en de VS studeren, zijn er geboren.

Alle leden van het gezin zijn vloeiend in Thai en Mlabri. Gene is hoog opgeleid en leidt de stichting Keeping out of Trouble. Hij is de eerste die zich over de Mlabri ontfermde en ze wat medische verzorging bracht.

In Ban Yuan worden er door de Mlabri hangmatten gemaakt, die op de Amerikaanse markt gesleten worden. Maar soms werken ze ook op de velden van de Hmong, die veel van het bos in de omgeving hebben afgebrand. Ook komt het regelmatig voor dat er iemand een paar weken de jungle intrekt om het oude nomadenleven leven tijdelijk weer op te pakken.

Het is een aanslag op het collectief

‘Je moet dat zien als een verzetje’, vertelde Gene. ‘Mensen die op het land wonen, willen af en toe wel eens naar de stad, om te gaan winkelen, een bioscoop of een restaurant te bezoeken. Voor de Mlabri is enkele dagen in de jungle ook zo’n uitje.’
‘Is het moelijk om samen te werken met ze?’, vroeg ik toen we aan zijn zelfverbouwde koffie gingen.
‘Het is een andere wereld met heel andere waarden en eenvoudig is het niet. Sommige expats zeggen dat het moeilijk is de Thaise zienswijzen te begrijpen. Met de Mlabri ligt het nog een stuk ingewikkelder.’

mlabri men
Mlabri-mannen

Als voorbeeld haalde hij aan het volkomen ontbreken van de behoefte om ergens een vooraadje van aan te leggen.
‘Toen ze nog door de bossen zwierven werd alles wat ze op de dag aan voedsel wisten te vergaren ’s avonds collectief gedeeld en opgegeten. Niemand dacht eraan meer te verzamelen en het te bewaren voor de volgende dag. Dat zou door de andere leden van de clan als egoïstisch gezien worden en als een aanslag op het collectief. Dat is tegenwoordig nog steeds zo. Meer doen dan voor onmiddellijke bevrediging van basale behoeften nodig is, is ook nu nog taboe’”

Hij krijgt er van twee kanten van langs

In de jaren dat hij onder de Mlabri heeft gewerkt, werd Gene Long soms stevig bekritiseerd als zou hij de cultuur van de Mlabri vernietigen. Ik vroeg hem hoe hij daar mee omging: ‘Sommige mensen zeggen dat je te veel hebt gedaan. Dat je ze hun identiteit ontnomen hebt.’
Gene moest er om lachen.
‘Sommigen zeggen dat ik te veel doe en andere te weinig. Ik krijg er van twee kanten van langs. Van de Christelijke kant krijg ik te horen dat ik het woord van God niet verspreid.’

‘Okay, dat was oorspronkelijk wel de bedoeling. Maar tegen iemand die rillend van koorts onder een boom ligt gaan zeggen, “hé beste man, God houdt zo veel van je, dat hij Jezus gestuurd heeft om je zonden weg te wassen”, gaat er niet echt in. Je moet eerst hun situatie verbeteren.’
Hij pauzeerde even voor een slokje koffie.
‘En dan zijn er die brave humanistische lieden, die zeggen dat hun cultuur behouden moet blijven. Maar laat me je wat zeggen. Toen ik hier kwam was er een kindersterfte van 50 procent. Veel mensen zaten rillend bij het vuur, besmet met malaria.’

‘Anderen hadden grote gezwellen in hun mond, waar de pus uitdroop. Zijn dàt dan dingen die behouden moeten blijven? Ze hadden de Thaise nationaliteit niet en geen enkele toegang tot medische verzorging. Moet dat dan zo blijven? Het grootste gevaar voor de Mlabri is dat ze Mlabri zijn.’

Achter een hut ontdekte een Amerikaanse vrouw een brommertje

Mijn gedachten dwaalden onwillekeurig af naar een verhaal van Sjon Hauser, waarin hij vertelt over zijn eerste jungle trek in Chiangmai al heel wat jaren geleden. ’s Avonds sloegen ze hun kamp op in een Karen-dorp. Er was een Amerikaanse vrouw bij, die ergens achter een van de hutten een brommertje ontdekte en in een andere hut een radio. Tegen de Thaise gids ging ze er over te keer. ‘Dit is is geen authentiek dorp meer’, zo voer ze tegen hem uit. Later klaagde ze erover dat het matras waarop ze moest slapen wel erg dun was.

Wat is dat toch, dacht ik bij mezelf. Waarom hebben sommige westerlingen zo’n behoefte om primitieve mensen te zien? Is dat een soort Rousseau-achtige heimwee naar de onbedorven wilde, die welbeschouwd op deze aarde nooit heeft rondgelopen en alleen in hun eigen geest bestaat?

Ik moest ook terugdenken aan een gesprek een aantal jaren geleden met de vrouwelijke manager van Anders dan Anders reizen in België. Deze reisorganisatie heeft een bezoek aan de Mlabri in een van haar programma’s staan.
‘Wij brengen als enige reisorganisatie een bezoek aan een groep Mlabri die nog in hun oorspronkelijk staat leeft’, vertelde ze vol trots.

Ze stoffen hun blaaspijp af en doen hun lendendoek weer om

Dat is natuurlijk klinkklare onzin, maar misschien geloofde ze het zelf echt. Want er is die derde Mlabri-nederzetting, westelijk van Nan, waar een lokale reisagent zijn eigen show heeft opgezet.

mlabr with pig
Mlabri roosteren een varken

Met een varkentje als vergoeding weet hij van tijd tot tijd een groepje Mlabri te bewegen hun lendendoek weer om te doen, hun blaaspijp af te stoffen en dat varkentje ergens op een niet al te moeilijk bereikbare plek in de jungle te roosteren en op te peuzelen. En juist ja, precies op dat moment komt het ploegje toeristen van Anders dan Anders voorbij. Blije gezichten en camera’s in de aanslag. Zij zijn de bevoorrechten die dit mogen meemaken. Uiteraard speelt ook de gids het spel uitstekend mee en gooit er nog wat pikante informatie tegenaan.

In zijn “Les Tristes Tropiques” heeft ook Levi-Strauss het over dit fenomeen als hij zegt, dat hij graag als eerste een stam zou ontdekken. Maar voor hem als etnograaf is dat nog enigszins begrijpelijk, want hij kan daar academisch furore mee maken.

Maar waar komt die geheimzinnige wens, die door veel mensen gekoesterd wordt, om als eerste blanke een primitieve beschaving te aanschouwen in ‘s hemelsnaam vandaan?

Ik dronk mijn koffie op, nam afscheid van Gene Long en stapte in Afrimele, mijn Chevy pick-up, om deze Mlabri-show te gaan zien enkele honderden kilometers noordelijker.
‘Ben je hier gelukkig’, vraag ik het Mlabri-meisje voordat ik vertrek.
‘Ja hoor’, zegt ze. ‘Ik hoef hier niet hard te werken.’
Onder de omstandigheden lijkt het me zo gek nog niet van hun eigen cultuur een performance te maken.

©Antonin Cee

Openingsillustratie: Paul Gauguin, Parau api, 1892


Antonin Cee
Over Antonin Cee 178 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voerde themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn achttienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een verhalenbundel getiteld 'Inheems Kruid'. Onlangs bracht hij zijn tweede boek 'Thailand tegen het Licht' uit. Beide boeken zijn zonder verzendkosten te bestellen bij www.amazon.de.

3 Comments

  1. Je stelt de hamvraag zo indringend dat ik bij mezelf zit te bedenken hoe waar ze is. Waarom doen we dat?
    Omgekeerd zien we dat miljoenen mensen ook daar willen zijn, waar mensen in de grootste moderniteit en kunstmatigheid leven (cf. onze vluchtelingen naar de westerse wereld).
    Denk dat er wel meer zijn die een westers consumptieleventje willen dan omgekeerd.
    Om verder over na te denken, dit stukje.

  2. Ik sluit me bij Anton aan. Enorme dilemma’s. Je “oorspronkelijke cultuur te grabbel gooien” en in ruil daarvoor neemt de kindersterfte drastisch af. Het voorbeeld van de Amerikaanse tourist is treffend. Mooi stuk, Antonin..

  3. Erg mooi geschreven en veel stof tot nadenken, zonder antwoorden voorhanden, vind ik.
    Respect ook voor Gene Long, de missionaris die wijselijk zijn mond hield over zijn eigenlijke missie.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.