Op weg naar Noy

Alphone Wijnants, Noy, Lolita, Likken
Noy

Ik ben op weg naar mijn nieuwe vlam, ze heet Noy en is zo pril. Het is pikkeduister over Bangkok en de aarde. Dat ik kom, is niet voorzien. Noy heeft dichte wenkbrauwbogen fonkelend als kohl, lange en gezonde haren, een volle rode mond. Ze is een tengere verschijning.
Haar smalle ronde schouders maken haar kwetsbaar.
Plotsklaps ben ik weg van haar. Het is iets gaga.
Met handen en voeten maan ik de chauffeur tot spoed. Ik ben er nog niet. Haar tepels zijn knalrond en dik als rijpe olijven steken ze uit, haar borsten stellen niets voor. Als ze op haar zij ligt, verzinken ze in haar ribbenkast. Daarvoor moet ik het niet doen!
Op de Sukhumvit of achterop een motorsai zit die lange haardracht van haar voortdurend vol bewegingen van strengen, zoals mierenlijnen zich naar een nest krullen. Dat komt door de tred in haar schouders of door de wind.
Ze brengt haar lichaam soms dicht bij het mijne en dan hou ik zo van haar dat ik haar hecht probeer te omhelzen. Maar Thaise mensen hebben dat liever niet in het openbaar.
Noy ziet er als zeventien uit. Iets ongerijpts heeft haar lichaam, lichtvoetig, buigzaam, van geringe zwaarte. Ik kan haar makkelijk van onder de douche op bed neerleggen. Niettemin, haar buik heeft weke plooien van een bevalling. En vlak boven haar lies een rafelige jaap uit haar kindertijd, iets van een stier met gekte in de kop.
Ze weert me altijd ontoombaar af, als ik haar wil likken. ‘Not do!’ zegt ze onaangedaan en haar vinger wijst voor mijn neus heen en weer, tussen haar witte dijen als de wijzer van een metronoom. Ze klemt haar knieën halsstarrig tegen elkaar, aaneengeschroefd.
Likken kan niet. Ik kijk verbaasd.
‘This is fo-wew to me-lly!’ ‘Fow to melly?’ ‘Yes, only to me-lly!’
‘For to marry?’ galm ik verbaasd.
We snijden in noordoostelijke richting door Bangkok.
Vòòr ons stuitert de maan als een balletje zuurdesem over de daken, springerig als een wants op een grauwe matras. Van het oude vliegveld Don Mueang maken vliegers zich van de grond los. Pinkelend als vuurvliegjes in de nacht, die hemel en aarde als een jungle inpalmt.
Het is een drukke route voor wie beneden op aarde omhoogkijkt.
Ik neurie het lied van het meisje uit het dorp en mijn hoofd is van Noy vervuld, een meisje van de rijstvelden.
Ik kom achter je aan;
Ook al moet ik alle klongs bevaren.
Het lijkt precies of het maantje me woorden ingeeft. Het maakt me ongedurig. Ik knijp mijn ogen dicht. En ik wens – een hartenwens – daar op de achterbank van de taxi dat alle verkeerslichten vliegensvlug spontaan op groen springen.
Dat doen ze niet.
De chauffeur klemt de lippen op elkaar. Zijn mond is stom. Zijn blik is aan de onvoorspelbare manoeuvres van auto’s, scooters en tuktuks vastgeklonken. Het lijkt een drukte als de scheepvaart in de straat van Malakka.
Daarstraks kreeg ik iets in de kop. Ik kon het niet bedwingen. Het is geen jaloezie. Ik verzon dat Noy niet meer van me zal houden. Daarom maan ik de man tot spoed. Ik tob en dub. Ik wil niet te laat zijn, nog voor twaalf uur wil ik haar zien. Ik wil haar nog bemoedigen voor ze begint. Ik zit ermee in, dat ze me zal afwijzen als ik niet onvoorziens opduik en zij zich de ogen kan uitwrijven dat ik er ben. Het is inbeelding.
Maar een gunst vraagt ze me nooit. Ze vraagt nooit iets.
Ik hits de chauffeur aan. Mijn hoofd gloeit.
Als ik er ben, kan ik me haar gezicht zo voorstellen. Een wenkbrauw een millimeter omhoog, een dunne fronslijn in haar hooggewelfd voorhoofd, net boven die lage inplanting van haar glanzende haar. Ook doet ze iets instinctiefs met haar welgevormde mond – één mondhoek in een impulsieve trek – je neemt iets waar, maar je weet niet wat.
Noy zal perplex staan.
‘Here I am, sweet girl!’ roep ik. Ik zwaai een weinig met mijn blote handpalm die ik haar recht vooruit toesteek. Haar haren in een malse Thaise wrong. Haar ogen glanzen van een fierheid om mij, zwart als dik aangezette kohl. Haar bewegingen tegendraads. Ik trek niet teveel aandacht; voor haar baas ben ik haar Engelse leraar zogezegd. Hij ziet haar niet graag met liefjes afkomen.
Haar lippen zijn altijd rood.
‘Hurry up,’ zeg ik de chauffeur nerveus. Hij kucht iets. Waar zijn mijn gedachten? Heel diep ga ik bij mijn eigen na of het wel klopt, die opwerping dat je bij een jonge vrouw meer kranigheid moet tonen. Meer doortastendheid.
Meer onbesuisde durf.
Onze leeftijden verschillen heel hard.
Als Noy straks met dat gekke opkijken stopt, kruipt er vaag een onvaste glimlach over haar kaken, of een engel van iets droomt. Haar ogen worden ronder en fonkelen van het diepste gagaat.
En dan toont ze me geluk. En dan lijkt het of ze van me houdt.
Is dat de liefde?
Ik leg mijn hoofd tegen het koele raampje van de taxi en reikhals om de nacht in één enkel beeld te vatten. Ik kan haast niet wachten. Schoorvoetend groet me dat ingetogen maantje als ik omhoog kijk. Sawadee krap, falang Op weg?
Op thanon Ramkhamhaeng zoeven aan beide kanten exotische bomen voorbij, rij na rij. Plukken duister hebben zich als luie schommelende nachtdieren in de kruinen vastgehaakt. De maan is dunnetjes maar parmantig en ze groeit zienderogen.
Falang, zo haastig, je bent zo haastig. Op weg naar een liefje? lispelt ze andermaal in mijn oor en dit keer stouter, wat spottend.
Op weg naar Noy. De chauffeur steekt zijn hoofd naar voren, trekt de lippen strak als een kat voor de sprong. Ik stop maar beter met hem aan te hitsen.
Bij jou zou Noy als een innocent bruidsmeisje overkomen dat argeloos, ja, hemels pril in haar witte kanten jurkje op het tuinfeest van een trouwpartij kon rondlopen. Dwalend tussen de genodigden, dichtbij. De gasten spreken haar aan, ze glimlacht en toch staat ze ver af. Ze drijft als een lotus in een vijver.
Als ik niet ga, ben ik zeker dat ik haar voor eeuwig kwijt ben, dat akelige denkbeeld drukt op mij.
Vandaag wisselt Noy van job. Daarom wil ik er zijn – verrassing! Haar baas opent op Bang Kapi achter zijn onbemeten karaoke-eettent een intieme club voor stijldansen annex visrestaurant. Uitsluitend voor Thaise middle classgasten. Dure paren met veel ringen van goud en halskettingen van goud. En een verkrampte lach van goud. Ze laten hun feestjurken wijd zwieren. Alles fonkelt en flikkert en blinkt, de spots schijnen onbarmhartig op hun weelde.
De visclub heet Pla Si Daeng – De rode vis en is heel chique. Hier zal Noy de tafels bedienen. De facto zal ze voor alles opdraven. Ze heeft niet één dag vrij. Ik ben vergramd op haar baas, maar Noy gaat niet mee in mijn boosheid.
Soms klautert ze op het podium voor de karaoke, haar smalle heupen in een wringing, haar bips gespannen in haar skinny jeans en aan de microfoon zingt ze schroomvallig een mor lam. Ze is een meisje van de Isaan en die vertoning is in haar weekloon inbegrepen. Het is armzalig weinig.
Ze is een kind van de rijstvelden.
Ze komt schoorvoetend op haar benen te staan en zingt nu en dan naast de maat, in het hoog buiten de toon. Ik steek mijn duim voor haar omhoog. Ze doet het toch maar! Soms maakt ze een wisselvallig danspasje, een beetje ongewend, maar het is zo ontroerend, onbedorven, argeloos…
Nu moedigt mijn maantje me aan. Geel als een overrijpe mango blaast ze zich boven de lage daken van de Lad Prao op, glimmend van pret.
Gekke, gekke falang! Je zet je hart op het spel.
Je zet alles uit je hoofd! Je kunt het niet helpen.
Haast je maar naar je liefje. Toe, gekke falang!
De chauffeur houdt de lippen op elkaar. Hij rommelt wat met kanalen op de radio en we vallen midden in een lied van Pueng. Met glissandi zingt ze dat het mijn hart verscheurt. Gekwetst en gekweld. Ik hou van Pumpuang Duangjan, de mor lam singer, de luk thung zangeres. Haar stem geeft me een pijn. Noy ziet eruit als zeventien, ze heeft een dochtertje van bijna drie, ze kent ook al die liedjes, ze zingt ze aandoenlijk vals maar met overgave en ik ben een oudere man.
De taxi scheert naar Bang Kapi, dwarst vele straten op de Lad Prao. Op stoepen staan klaptafeltjes zij aan zij. Op elke hoek wiegelt een glimp van blauwe etensdampen boven kookpotten en hoofden van koks die in de pan kijken. Via de autoventilatie dringt een gekaramelliseerde geur van kleverige rietsuiker, de smaak van curry en rode pepers, van vissaus in mijn neus. Nog zovele dwarsstraten voor we bij de Pla Si Daeng arriveren.
Zo haastig, falang! In a hurry? Is dat wel goed voor je hart? Nu ben je je zielsrust voor altijd kwijt, falang. Voor altijd. Dat is de liefde als ze toeslaat. Maantje, mijn maantje, waarom kwel je me zo?
Alles aan mijn lichaam mag nog geen fractie van een aarzeling tonen als ik Noy straks in de ogen kijk. Of ik ben dubbelzinnig, onecht, onterecht en dan ben ik haar authentieke liefde niet meer waard!
Slaag ik, dan ontvang ik die lach van haar, die haar lippen vol en rood maakt.
Dat Noy dag en nacht in de Pla Si Daeng werkt en dat ik haar haast niet zie, drijft me tot wanhoop. In het putje van de nacht om drie uur sluit het restaurant en om vier uur na de afwas geraakt ze op haar kamer. Om elf uur ’s morgens is ze weer present op haar werk. Ze heeft geen enkele dag vrij. Vorig jaar heeft ze een brommer voor haar moeder gekocht. Die brengt er haar dochtertje sinds mei mee naar de kindergarten of soms het ziekenhuis. Zestigduizend baht is Noy haar baas nu schuldig.
Ik lieg als ik zeg dat Noy mijn nieuwe vlam is. Dat heb je intussen wel door.
Het zit helemaal anders in elkaar. Noy kwam ongeveer twee jaar geleden naar Bangkok, haar dochtertje, tien maanden oud, bleef in Roy Et achter. Geld in het laatje. Ik ken haar al van die eerste week. Een toeval, en raar maar ik voel me altijd zo goed bij haar, dat we telkens weer afspreken als ik in Bangkok arriveer.
Maar ik weet niet wat het is… Altijd is er een reden dat ik het niet liet duren. Duizend redenen. Voor het menselijk opzicht, voor mezelf, voor mijn volwassen zonen, voor de centen. Noy zelf vertikt het me ook maar enige gunst te vragen.
Noy zwijgt en houdt gewoon van mij zoals ik er ben.
‘Zoek toch een jonge vent,’ zeg ik luid tegen haar, opnieuw en opnieuw. ‘Een kerel van jouw leeftijd, een Thai, een falang, maakt niet uit, iemand die wil werken en nog een eeuwigheid met je te maken wil hebben…’ Zij zegt niets, ze kijkt me onwankelbaar aan.
‘Laat me toch schieten,’ roep ik ruw. ‘No,’ repliceert ze, ‘no! I wait untill the-we is the simple thing in you-wah hea-wt.’ Meer zegt ze nooit. ‘… the simple thing in your heart.’ Ik versta het niet.
In Bang Kapi, tegenover de grote Makro-winkel, net voor je het viaduct oprijdt, stap ik uit de taxi. Ik moet alleen de drukke viervaksweg over. Daarvoor moet ik een heel stuk omgaan. Helle rode neonkrullen schrijven bij een vervallen park aan de overkant de naam Pla Si Daeng tegen de hemel.
Zwarte kelders van huizen liggen als bouwputten in het donker. Een wildgroei van struiken. Noy zal eruit zien als zeventien; ik zeg niet dat ze dat is. Vanuit de bomen overvallen krekelmannetjes me met sjirpende noten in een gonzende samenklank. Ze roepen dat ene vrouwtje.
Venijnige muggen manen me tot spoed. In een reusachtige mand ligt de maan op de zwarte gedrapeerde doek van de hemel te schijnen. Ze lijkt vertoornd.
Ik heb ons nooit een kans gegeven, Noy! Ik zat maar te denken… en mijn hart klopte voort en ik luisterde er maar niet naar. Want ik zat maar te denken!
Noy is een meisje van de rijstvelden. Met ogen zwart als kohl. Op voeten, enkels, kuiten heeft ze littekens van het ongedierte dat in het water krioelt. Niet te rijmen met het frêle postuur dat je ziet, haar smalle schouders. Haar lippen zijn warm en rood. Ik kus haar graag.
Noy, ik heb ons nooit een echte kans gegeven.
Als ik maar niet te laat kom.

Bangkok, maart 2016

 

Foto Noy: ©Alphonse Wijnants 2017

 

 

Alphonse Wijnants
Over Alphonse Wijnants 26 Artikelen
Alphonse Wijnants (België) is gewezen leraar en directeur van middelbare scholen. Voormalig copywriter. Heden: Ronddwalen in Zuidoost-Azië en kortverhalen schrijven over mensen en voorvallen aldaar.

6 Comments

  1. Zo ken ik je wel. Lyrisch en prozaïsch met gedrevenheid, heerlijk beschrijvend en vol gevoelen.
    Me like!
    Wou dat ik tijd kon maken om schuchter trachten in de buurt te komen van uw passie.

  2. Soms blijven we doorgaan, Roger, omdat we geweldige lezers op onze weg ontmoeten.
    Dank.

  3. Prachtig geschreven verhaal met wonderlijke dialogen, zelfs de maan doet haar zegje. Ik beleefde het mee met jou, Alphonse, zat samen met jou op de achterbank in de taxi door de tropische nacht te scheuren. Je hebt een schrijfstijl die dusdanig zintuiglijk is dat de lezer meekijkt, ruikt, luistert en voelt. Nog van dat… en liefst zoveel mogelijk!

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.