Nederland: Henri’s Dragers


Henri’s Dragers

 

Exit 2015, Femmy Fijten, Henri's Dragers

 

 

Op zondag 19 november 1989 pleegde Henri zelfmoord. Door een koord vast te maken aan een zolderbalk, een lus om zijn nek te leggen en van een kruk te stappen. Hij was zestien jaar en een paar maanden en zou volgend jaar bevorderd worden naar 6 vwo.

Maandagochtend, de twintigste, hoorde ik het bericht om zeven uur. Ik had mijn jas al aan en mijn autosleutels in de hand om naar school te gaan toen de telefoon ging en de conrector mij de noodlotstijding bracht. Geen les deze maandag, daarvoor in de plaats een samenkomst op school.

Onderweg in de auto dacht ik aan Henri, zoals hij was in de brugklas. Ik was mentor van zijn groep geweest. Niets wat dit teweeg zou hebben kunnen brengen, kon ik mij indenken. Klein was hij, zelfs nog in de vijfde. Een levendig kereltje met helderblauwe ogen en flaporen. Zijn haarkleur was van dat onbestemd donkerblond, kortgeknipt, de oren magistraal vrijlatend. Aan alle activiteiten deed hij mee, nooit de beste, nooit de slechtste. Slim genoeg voor het vwo, al moest hij er hard voor werken en dat deed hij. Hoe ik mijn hersens ook pijnigde ik kon mij niet voorstellen dat hij toen een hekel aan het leven had.

Met zestien leek hij nog steeds een kind. Geen pubertrekjes, geen puistje te zien. Hij groette me altijd vrolijk als hij mij tegenkwam op de gang, al zat hij na de brugklas niet meer bij mij in de les. Zijn ouders had ik een paar keer gesproken in dat eerste jaar op school. Zijn vader was een oudere man met grijzende slapen, rimpels in het voorhoofd. Serieus nam hij op ouderavonden de prestaties van de jongen door. Onvoldoendes waren beslist onnodig, vond hij. Zijn moeder, die veel jonger dan haar man leek, interesseerde zich voor zijn positie in de klas. Gewone ouders op een gewone ouderavond. Zo waren de rollen altijd verdeeld.

Net na half acht parkeerde ik mijn auto op het schoolplein naast die van mijn collega geschiedenis, die net uitgestapt was. Hij zag grauw. Zijn lichte regenjas hing open, de gure wind waaide de voorpanden opzij. Hij wachtte op me en wreef met twee handen over zijn gezicht. “Hij is van mijn groep,” zei hij. Ik knikte en klopte hem bemoedigend op zijn bovenarm. De beste leraar van school, die zo populair was dat iedereen bij hem in de klas wilde zitten, voelde zich verantwoordelijk voor het heengaan van Henri, zíjn jongen. Zwijgend liepen we tegen de koude wind naar de ingang. Ik proefde het zout op mijn lippen, van de zee, zo dichtbij.

In de docentenkamer schonk ik koffie in. De conciërge had het al op tafel gezet. Kop en schotels ernaast. Meestal deed hij dat pas met de pauze. Het bocht rook zoals gewoonlijk, branderig en zuur, maar mijn collega bedankte me toen ik hem een kom aanreikte. Om het drinkbaar te maken deed ik er twee klontjes suiker bij en een scheut melk. Hij roerde zonder er bij na te denken.

Toen de meeste docenten binnen waren, sprak de rector over de te volgen strategie. We stonden met onze hoofden gebogen te luisteren. Allen zouden tijdens het eerste uur in hun eigen groep de tragedie toelichten. Ondertussen was de informatie ook op het grote bord in de hal geschreven, daar stonden normaalgesproken de roosterwijzigingen op, en waar leerlingen op keken in de hoop dat er een leraar ziek was en er een uur werd vrijgegeven. Bij de eerste bel liep ik zuchtend naar mijn lokaal.

Ik draaide de deur van het slot, en liet de brugklassers naar binnen. Ondertussen wist iedereen dat er iets aan de hand was. Zwijgend liepen ze naar hun tafel, gingen zitten en keken mij met grote ogen aan. Zo stil waren ze anders nooit. Een meisje begon te huilen. Met ernstige stem vertelde ik over Henri, wat er was gebeurd. Spontaan verzon ik een necrologie over de jongen. Hoe aardig en sociaal hij was. Ik blikte terug op zijn leven vanaf het moment dat hij in mijn brugklas kwam. Tranen liepen langs wangen, neuzen werden collectief gesnoten. Tot nu toe had ik niet gehuild, meer nog dan verdrietig was ik verbaasd over het enorme effect dat de dode op onze leerlingen had.

De meesten kenden hem niet persoonlijk, hij was gewoon een leerling uit 5V. Het ene verdriet bleek het andere te versterken tot de school in een groot treurend orgaan was veranderd dat gonsde door gejank, gesnotter en gefluister. Af en toe klonk een luide uithaal, waarbij het hogere werd aangeroepen, de idioot die het in zijn macht had gehad deze onredelijkheid te hebben voorkomen. Een dode van zestien jaar… 
 Als ik er nu aan denk blijft de verbijstering rond dit gebeuren de overhand houden. Het was voor mij net zo onvoorstelbaar dat de jongen zichzelf van het leven had beroofd, als dat duizend leerlingen tegelijk door zijn dood ontroostbaar waren.

Die maandagochtend duurde een eeuwigheid en toch was het daarna gedaan. Iedereen ging zijns weegs. De dinsdag daarop leken de leerlingen uitgerouwd. Het verdriet was in een keer opgebruikt en werd niet over een lange periode uitgesmeerd, zoals bij volwassenen gebeurt. De lessen vingen aan zoals op iedere willekeurige dag. Alleen tijdens het eerste lesuur in 5V werd nagepraat en vooruitgekeken naar de begrafenis.

Vrijdags ging ik op condoleancebezoek. Ik schudde Henri’s vader en moeder de hand en betuigde mijn medeleven met het enorme leed dat hen ten deel viel. Bijna ruggelings stonden ze tegen elkaar. Ik zag een koele blik van moeder naar vader. Hij keek haar aan met haat in zijn ogen. Zo kwam het op mij over, alsof ze elkaar de schuld van zijn dood gaven. Henri had geen broertjes en zusjes. Er waren wel klasgenoten van Henri. Acht jongens zouden de kist dragen. Bijna enthousiast vertelde de vader hoe de uitvaartleider de ceremonie van te voren met de dragers had geoefend.

Begrafenissen mijd ik als de pest. Die zaterdag ben ik niet gegaan. Uit verhalen begreep ik dat de aula bomvol was geweest en dat de vrienden van Henri hadden het keurig gedaan, al hadden ze gehuild tijdens het dragen.  Een van de jongens, Marcel, die in dezelfde brugklas had gezeten als Henri, sprak ik de week erna aan in de gang. “Was het zwaar?” 
 Hij knikte. “Na de dienst zijn we naar het huis van zijn ouders gegaan,” zei hij, “Henri’s vader wil graag contact met ons houden.”

“En willen jullie dat zelf ook?”
Hij haalde zijn schouders op. “Ze hebben niemand meer.”

Na dat jaar vertrok ik van school. Ik kreeg een baan in het oosten van het land. Twintig jaar later kwam ik via LinkedIn weer in contact met Marcel. Hij wilde mij toevoegen aan zijn netwerk. Ondertussen was hij professor in Tilburg. Het leek hem een goed idee elkaar een keer te ontmoeten. We spraken af bij het Grand Café in Arnhem op de Korenmarkt. Toen ik hem van een afstandje aan zag komen lopen, herkende ik hem meteen al was hij dun van haar geworden en droeg hij een bril. “Niks veranderd,” merkte hij op toen hij mij zag en schudde mij de hand. Met een brede grijns ging hij zitten.

Al snel kwam het gesprek op het droevige einde van zijn klasgenoot. Marcel vertelde dat Henri’s ouders kort na die afschuwelijke gebeurtenis gescheiden waren. Dat kwam niet door Henri’s dood, de relatie was al jaren slecht. Wellicht had dat voornemen Henri zo aangegrepen dat hij een eind aan zijn leven had gemaakt, wie zal het zeggen. Henri’s vader had zich vastgebeten in de klasgenoten van zijn zoon, alle jongens die de kist hadden gedragen. Op iedere geboorte- en sterfdag organiseerde hij een herdenking waarbij ze verwacht werden. In eerste instantie vonden ze het onprettig, maar ze voelden zich verplicht en gingen. Op een bepaald moment keken ze uit naar deze bijeenkomsten. Iedere keer was er een ander thema, dat wonderbaarlijk genoeg paste bij de periode in hun leven. De pa van Henri zat voor, hij had sprekers uitgenodigd en adviseurs. De jongens hadden vragen, de deskundigen hielpen met oplossingen. De zitting werd afgesloten met een slemppartij.

“Je zou ze gerust herdenkingsfeesten kunnen noemen,” vertelde Marcel. Henri’s vader bleef al die jaren de spil in het geheel. Hij hielp hen met studie, financiën en wijze raad. Alle acht hebben ze zich een toppositie kunnen verwerven door de steun van Henri’s vader. Vijf jaar geleden was de man overleden, dat was een droevige dag. Allen hadden g afscheid kunnen nemen. Hij had in Marcels hand geknepen en hem bedankt voor zijn vriendschap, en zo was het ook de anderen vergaan. “Jullie zijn als zonen voor mij.” Ze hadden zijn kist gedragen. Alweer na al die tijd.

Nog steeds ontmoeten Henri’s Dragers, zoals ze zich noemen, elkaar jaarlijks op zijn sterfdag. “Er gaat geen dag voorbij, dat ik niet aan hem denk.”


Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.

7 Comments

  1. Heftig Annemarie! Je had weleens wat hierover gezegd. Jij hebt zoveel meegemaakt in je leven.

  2. Mooi verhaal Femmy, de gedachte aan mijn 17 jarige broer die tijdens een sinterklaasviering als voorzitter van het schoolbestuur even iets ging halen, geschept werd door een busje en dat ik na drie dagen moest besluiten de stekker eruit te laten trekken, komt weer boven. Het hele Kennemer Lyceum was op de crematie in Westerveld, al weer 50 jaar geleden, maar vergeten doe je dit nooit.

  3. Heel herkenbaar. Heb 40 jaar in het onderwijs gezeten. De dood kwam regelmatig langs om leerlingen en collega’s op te halen, altijd onverwacht. Dank voor je ontroerende verhaal.

    • Ik sluit me hier van ganser harte bij aan.
      Het is een verhaal dat sprakeloos maakt.
      En je doet beseffen, dat ondraagbaar leed het beste in de mens naar boven kan brengen.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.