Een nachtelijke strooptocht. Aflevering 6: De plukker (slot)

‘De goden hielden op naar de mensen te luisteren en ook de mensen konden de goden niet langer verstaan. Nobele geesten willen niet door iedereen begrepen worden. Ze kiezen voor hun communicatie andere nobele geesten, en hun gemeenschappelijke taal is geheimtaal voor wezens van lager niveau. De goden kozen de schepselen die hen in vele opzichten het meest nabij komen, de vogels, die de blauwe hemel met hen delen. En onder de vogels zijn hun favorieten de zwaluwen, die nooit op aarde neerstrijken, maar leven en sterven in de lucht en slapen en paren op de hemelwind. Met hen spreken de goden, en door hen spreken ze tot de zeldzame mensen die de taal van de vogels verstaan, een spirituele taal waarvan het idioom mythe is en de grammatica symboliek. Hebben jullie berouw?’

De jongens, die als gehypnotiseerd hadden zitten luisteren en geen woord hadden begrepen, schrokken op uit hun trance. ‘Ja, meneer,’ zeiden ze tegelijk.
De Buffel schudde traag zijn hoofd. ‘Dat is dan jullie tweede stommiteit van deze nacht. Geef je nooit over aan berouw. Wanneer je kwaad hebt gedaan, kijk dan hoe je het goed kunt maken. Verdraag de straf voor je daden in de wetenschap dat je iets goeds doet door anderen ervan te weerhouden dezelfde dwaasheid te begaan. Iedere misdadiger is een weldoener voor de mensheid. Jij, hoe word je genoemd?’
‘Duc, meneer.’
‘Duc. De rechtschapene. Een slecht passende naam voor een dief in de nacht. Vertel me Duc, welke straf verwacht je?’
Duc keek naar zijn voeten.
‘De waarde van dingen wordt niet bepaald door wat je eraan hebt, maar door de prijs die je ervoor betaalt. Ram vertelde me dat je een goede klimmer bent.’

De jongens keken naar de aapman, die met een nagel tussen zijn tanden stond te peuteren.
‘Nou?’
‘Ja, meneer.’
‘Houd je van klimmen?’
‘Ja, meneer.’
De Buffel bracht zijn hand naar zijn kin en streelde de dun gesponnen draden die daar hingen. ‘Ram?’
‘Ai.’
Kun je een plukker van deze ‘rechtschapene’ maken?’
‘Ai.’
‘Meld je hier morgenvroeg om elf uur,’ zei De Buffel tegen Duc en hij begon op te staan.
‘Meneer?’

De Buffel verstarde, half overeind gekomen uit zijn stoel, één hand op de leuning, de andere geheven in de aanzet van een wegwuivend gebaar. Zijn wenkbrauwen schoten omhoog in een vertoon van verbazing.
‘Als Vinh mee kan komen.’
De Buffel liet zich terugzakken op zijn stoel.
‘Wie is Vinh?’
Duc gaf een knikje opzij, waar Vinh met grote ogen van de een naar de ander zat te kijken, alsof hij iets probeerde te begrijpen dat hem ontgaan was.

De Buffel nam hem van hoofd tot voeten op. Een snelle, kille blik uit die borende zwarte ogen. Toen keek hij Duc weer aan en zijn woorden waren alleen tot Duc gericht.
‘Waarom zou ik willen weten hoe hij heet? Hoe kan zijn naam voor mij van belang zijn? Hij is een klimmer, die medeplichtige van je, maar niet van grotten. Een plukker, maar niet van nesten. Zijn soort is de toekomst en ik behoor al tot het verleden.’

Weer stond hij op en ditmaal liet hij zich niet tegenhouden, en geen van de jongens zei iets. Ze keken hem na. Hoe hij trekkend met zijn linkerbeen naar de deur liep waardoor hij was gekomen. Hier draaide hij zich om, en met zijn zachte toneelstem, die moeiteloos door de lege ruimte droeg, sprak hij vreemde afscheidswoorden, niet minder raadselachtig door de terloopse toon waarop ze werden uitgesproken: ‘Na Boeddha’s dood was zijn schaduw nog eeuwenlang te zien in een grot. Een enorme, gruwelijke schaduw.’ Toen was hij verdwenen.
Ram kwam los van de muur.

‘Was jij bang?’ vroeg Vinh toen ze in de sloep zaten, het kielzog een vers geploegde voor die de witte onderlaag van het water aan de oppervlakte bracht, de buitenboordmotor hoog en toonloos jankend, de sterrenhemel weidser, oneindig veel weidser dan op de heenweg.
‘Ja,’ zei Duc.
‘Ik niet zo erg,’ zei Vinh. ‘In de grot wel even, maar niet bij De Buffel. De Buffel, ha! De Geit, zul je bedoelen.’ En met grote welsprekendheid en opluchting beschreef hij de heerser over de eilanden en zijn armoedige paleis, de lachwekkende grijsaard in pyjama, de kale zaal, het aangevreten wandkleed dat zijn ouders nog niet op de vloer zouden willen hebben, alsof Duc dit alles niet met eigen ogen had gezien.

In de zachte branding van Schildpadeiland liet Ram de sloep tegen de roeiboot aandrijven. Hij hield de boord vast terwijl de jongens overstapten en wachtte tot ze zaten voor hij afduwde. Met zijn hand op de gashendel nam hij hen grinnikend op.
‘Weet je waarom de baas jullie laat gaan en jou een baan aanbiedt?’ vroeg hij.
‘Omdat ik goed kan klimmen,’ zei Duc.
‘Nee, jonge broer, omdat je geen nestje wilde pukken waar eitjes in zaten.’
Toen hief hij zijn hand in een soort van groet en greep de gashendel weer vast en spoot weg, de sloep overhellend in een lange, glijdende boog, terug naar Nevelkaap en de barakken van de aapmensen.

Dit is de zesde en laatste aflevering van een fragment uit ‘Tyfoon’, geschreven door Rob Verschuren.

Wilt u het hele boek lezen, dan zijn hier de gegevens:

Titel: Tyfoon
Auteur: Rob Verschuren
ISBN: 978 90 6265 996 8
Uitgeverij: In de Knipscheer: http://www.indeknipscheer.com/?s=tyfoon
Aantal blz.: 172
Prijs: € 17,50

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*