Een nachtelijke strooptocht. Aflevering 1: Schildpadeiland

Ze gingen op een windstille nacht. De baai was glad en zwart als een olieplas. Een week lang had Vinh op Duc ingepraat, en voor het eerst in zijn leven had hij de triomf van zijn overredingskracht gesmaakt. Nu ze stil en klein over de grote stille zee voeren, was het Duc die met samengeknepen ogen in de verte tuurde, alsof zijn wil de nacht kon doorboren en hun bestemming oproepen uit de duisternis. Vinh hield zijn blik op de lichtpuntjes aan land gericht. Ze werden snel vager en smolten samen tot een vormeloos schijnsel, lieflijk en wreed als de koortsdroom van een schipbreukeling. Met lange halen trok hij het bootje door het water. De enige geluiden waren het schuiven van de riemen in de dollen en het neerkomen van de bladen. Eén keer hoorden ze, hoog in de lucht, de dunne schreeuw van een vogel. Of misschien was het de afscheidsgroet van een vissersziel die opsteeg naar de hemel.

Op de bodem van het bootje lag een bos takken die Mai had bestreken met hars en omwikkeld met palmbladeren. Mai’s linnen schoudertas lag er bovenop en Ducs voeten rustten op een rol henneptouw. Het leek een onderneming waarbij touw van pas kon komen, al hadden ze geen idee hoe. Ze waren op weg naar Schildpadeiland, het grootste eiland in de baai, lager en groener dan de andere eilanden en bij daglicht minder onverbiddelijk om te zien.

Geen van de jongens sprak. Na een half uur vulde de donkere vorm van Schildpadeiland de zichtbare wereld en het bootje begon te schommelen op de witte golfjes van de branding. De boeg stootte tegen steen. Vinh trok de riemen binnenboord en draaide zich half om op het bankje. Ze keken omhoog naar de woestenij van rotsblokken, de dwergachtige, kromme bomen die zich in de spleten vastklampten, de verpletterende zwarte chaos die uit de hemel op hen neer leek te vallen. De branding kabbelde als een dompteur die sussende woorden spreekt tegen een grauwende tijger.

‘Daar,’ zei Duc.
Vijf meter boven hun hoofden was een stuk van een bamboe reling te zien.
‘Een pad.’

Ze legden de boot vast en begonnen te klauteren, Duc met de fakkels en de draagtas en Vinh met de rol touw om zijn schouder. Het pad, of wat daar voor door moest gaan, voerde dieper het eiland in, nu eens stijgend, dan weer horizontaal, rond de voet van rotspilaren die het hemeldak zelf leken te dragen en over zwiepende bamboebruggetjes, waaronder het water zwart en stil in nauwe spleten stond. Uit de diepte loerden alle schaduwwezens van hun kinderjaren, de huilers, de jakhalzen en de geitenharen nachtdemonen en de krijsende uil.

De grotingang was een scherpe driehoek, zwarter dan de nacht, aan de basis twee armlengten breed. Hij werd bewaakt door een hut die uit de rots zelf leek te groeien. Zoals de woningen in de visserswijk rustte hij op palen, die onder allerlei hoeken in de wand waren verankerd. De muren en het dak waren van gevlochten palmbladeren. De hele constructie zag eruit als een weddenschap met de dood, een provisorisch bivak dat in de eerste de beste storm van de wand zou worden geblazen. Ze keken er lange tijd naar, zwijgend en luisterend, alsof er een kwaad in huisde dat niet gewekt moest worden, of misschien om het moment uit te stellen dat ze de grot binnen moesten gaan.

‘Geen mens,’ zei Vinh hardop.
‘Nee,’ zei Duc.
‘Ze moeten toch ergens koken en hun spullen laten,’ zei Vinh. ‘En schuilen voor de regen. Niemand blijft hier ’s nachts slapen. Daar zijn aapmensen veel te bijgelovig voor.’
‘Ja, zei Duc.
‘Klaar, makker?’
Duc glimlachte.

Wordt vervolgd.

Voor een introductie op Tyfoon zie: https://www.trefpuntazie.com/tyfoon-rob-verschuren-op-trefpunt-azie/

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 45 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*