Mixed Dubbel 75. Kinderwens


Irene heeft Juliette geanalyseerd als pathologisch jaloers. En beraamt een plan om het gevaar voor eens en altijd te elimineren

Femmy Feijten, Mixed Dubbel, Feuilleton, Cover

Een gesprek op de club in de kantine schoot mij te binnen. Het ging toen over kinderen. Het was zo’n discussie waar Marit geheel uit de bocht vloog. Dat gebeurde meestal als het over het huwelijk, het krijgen van kinderen of haar baas ging. Juliette en ik waren nog zo kort lid dat Wende niet eens wist dat ik geen kinderen wenste.
‘We willen geen kinderen,’ antwoordde ik haar toen ze vroeg waarom ik geen kinderen had.
‘Oh,’ zei Wende, ‘Dat kan ik mij best voorstellen. Ik ben gek op mijn zonen, maar het had ook anders gekund.’
Marit ging erop en erover: ‘Het verbaast mij dat er zoveel vrouwen zijn die kinderen willen. Volgens de overlevering in talloze romans en films kunnen die dan de zegen van een goed huwelijk zijn, maar volgens mij vinden mensen kinderen vooral lastig. Dat verzin ik niet zelf, ik hoor dat overal om mij heen. Als mensen echt iets leuks gaan doen, nemen ze een oppas en laten ze de kinderen thuis. Een vakantie is pas geslaagd als je de kinderen ‘drie weken niet hebt gezien op de camping’. Marit was onstuitbaar, ze ging door: ‘Dat is geen grap, ik hoorde dat laatst iemand zeggen.’ Wij gniffelden en amuseerden ons met haar relaas, of we nu wel of geen kinderen hadden. In mijn ooghoek zag ik Juliette echter strak voor zich uit kijken, wat mij verwonderde. Aangemoedigd doordat ze de lachers op haar hand had, ging Marit verder: ‘Steeds probeer ik vrouwen te overtuigen van de voordelen van een kinderloos bestaan. Dat ze beter over het krijgen van baby’s na moeten denken. Tegen romantische filmbeelden waarin sterren een hemelse blik krijgen als ze zwanger worden, kan ik echter niet op.’ Marit keek zwijmelend naar boven terwijl ze over een haar buik wreef. Opnieuw schoot iedereen in de lach. Het was haar stokpaardje. Geen glimlach was te bespeuren op het gezicht van Juliette. Ze zei met een vlakke stem: ‘Het is mijn grootste wens, een kind.’

Ze was bloedserieus, dat stond mij helder voor de geest. Iedereen kletste maar raak, en zij zei het op zo’n gedragen toon. Alsof ze een hogere macht aansprak en er een toverformule voor nodig was om zwanger te raken. Tranen welden in haar ogen, haar blik op de hemel gericht. We keken haar met open mond aan.
Gelukkig was het tijd voor mij om met mijn wedstrijd te beginnen, ik hoorde niet hoe het gesprek verder was gegaan.
Een kind was haar allergrootste wens. Waarom had ze er dan geen? Ze was getrouwd geweest, ze had Jacob gehad… Later was het onderwerp niet meer aan de orde gekomen. Terwijl ik haar geen gebrek aan openhartigheid kon verwijten. Haar relaties met mannen, oei, oei, menig keer had ik daar blozend naar zitten luisteren. … en dan toch een kinderwens? Dat was iets om wat mee te doen? Misschien dat Jacob mij er meer over zou kunnen vertellen. Tenminste, zou hij mij nog willen helpen?

Het was niet moeilijk om Jacob terug te vinden, tenminste als hij nog in Loerse Kop woonde. Ik had zijn telefoonnummer gewoon in mijn boekje staan. Zou de puinhoop daar opgeruimd zijn inmiddels? Hij had een aantrekkelijke vrouw bij zich toen ik hem de laatste keer zag, tijdens de Brüsende dagen. Hij zag er tevreden uit en ontspannen. Gelukkig leek er toen wederzijds begrip te bestaan over het geval Juliette, anders had ik hem niet durven benaderen.
Ik kreeg het schaamrood op mijn wangen als ik dacht aan het telefoontje op de eerste avond dat Juliette bij ons introk. ‘Een ongehuwd samenwonende, overspelige, hypocriete katholiek’ of iets dergelijks had ik hem genoemd. Het was in de tijd dat ik overal zeker van was, mijn beste tijd.
Ik wierp een blik naar buiten. Verkeer reed op en af. Er klonk continu een achtergrondgeluid van rijdende, optrekkende en remmende auto’s. De vage geur van uitlaatgassen rook ik dag en nacht, het sijpelde door de kieren langs de metalen kozijnen het huis in.
Ik draaide op mijn stoel, dacht aan mijn vergane paradijsje in Loerheide. Mijn mooiste jaren lagen er. De zon die in mijn werkkamer scheen als ik aan het werk was. De groene oase waar ik Madonna uitliet. Mark tevreden glimlachend achter de krant. Ik piepte zoals mijn hondje kon piepen als iets haar teveel werd. Mijn keel werd dichtgeknepen en ik moest slikken, ik voelde tranen langs mijn wangen.
Ik wilde de situatie terug zoals voor het tijdperk Juliette.

Die avond belde ik Jacob op. Zenuwachtig tikte ik met een pen op mijn bureaublad. Tante Zus zat ik de kamer te breien en ik hoopte dat ze niet meeluisterde.
‘Jacob de Maat.’ Een warme bas. Hij klonk vertrouwenwekkend.
‘Ja, eh, met Irene Blankenstein.’
Waarschijnlijk duurde het voor hij wist wie hij aan de andere kant van de lijn had. Toen zei hij:
‘Irene Blankenstein, uit Loerheide?’ Hij schraapte zijn keel.
‘Ja… ik woonde in Loerheide, maar ik ben verhuisd naar Den Haag.’ Ik tekende rondjes op mijn kladblokje, zonder er bij na te denken.
‘O.’ Ineens klonk hij metalig.
‘Het is nogal ingewikkeld. Ik wil het je graag uitleggen. Mag ik een keer met je praten.’
‘Als het maar niet over Juliette gaat, daar ben ik klaar mee.’ Dat kon ik mij voorstellen, de moed zakte. Als hij niet mee zou denken, werd het nog moeilijker.
‘Het gaat wel over haar,’ zei ik zacht.
‘Is het erg?’ Hij had zijn warme stem teruggevonden.
‘Ze heeft mijn man, mijn huis, mijn vrienden te pakken en ik wil alles terug.’ De wanhoop klonk, dat hoopte ik, door tot in Gelderland.
‘Wat kan ik er aan doen?’ Een gewicht gleed van mijn schouders. Hij zou mij bijstaan.
‘Misschien kan jij mij daarbij helpen.’
Ik hoorde hem diep zuchten.
‘Ze blijft aan de gang. Ik heb begrepen dat ze een akelige rol heeft gespeeld gedurende je ziekte?’
‘Ja, ze heeft mij bijna vermoord. Twee keer zelfs, al gelooft niet iedereen dat. Op de een of ander manier komt ze er mee weg. Nu lijkt het haar te doen om mijn man Mark.’
‘Toevallig ben ik morgen in Den Haag. Ik heb een bespreking met de voorzitter van de Katholieke Raad. Daarna zou ik tijd voor je hebben.’
‘Werk je in de binnenstad?’
‘Ja… het Plein, misschien kun je daar naar toe komen?’
‘Tuurlijk, dat is prima te doen. Ik kom met de fiets.’ Het begin van de ommekeer, ik wist het zeker.
Hij was een goeie man. Of hij met mij mee zou doen, dat wist ik niet.


Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.