Mixed Dubbel 70. Mailbox


Irene zet eerste stappen op weg naar werk. Moeizaam. Ze voelt zich kut. Dan zoemt de mailbox

Femmy Feijten, Mixed Dubbel, Feuilleton, Cover

Voorlopig had ik geld op mijn eigen rekening om tante Zus te betalen en natuurlijk zou ik Mark om meer kunnen vragen. Na de scheiding kreeg ik sowieso mijn deel van het huis. Voorlopig wilde ik niet zeuren, ik probeerde het zelf te regelen.
Een aantal opdrachtgevers had ik door mijn ziekte tijdelijk afgezegd en ik wist dat ik de enorme hoeveelheid werk die ik voor mijn beroerte deed nog niet aan zou kunnen. Maar ik moest een paar klusjes binnen zien te halen. Gezien mijn goede werkrelaties verwachtte ik geen probleem.
Ik nam eerst contact op met Timo Vermeulen.
‘Ha, wat leuk eens iets van je te horen. Hoe is het met je? Helemaal opgeknapt?’ klonk de vlotte babbel van Timo.
‘Gelukkig wel en ik sta te springen om weer wat voor de mensheid te betekenen. Jouw wetenschapsbijlage heb ik altijd interessant werk gevonden. Het managen van zo’n type project ligt mij wel.’
‘Tja, ja, ja …. eigenlijk bestaat die functie niet meer. Dat wil zeggen, ik doe het zelf en dat is verdomde veel werk, maar ja… het gaat steeds slechter met de krant, dus het geld ontbreekt om het uit te besteden.’
‘Dat is jammer.’
‘Ja, het is niet anders.’
‘Als je iets hebt voor mij, dan hoor ik het graag.’
‘Dan ben je de eerste waar ik aan denk.’
Na een korte groet, leg ik Timo neer. Goh, dat valt tegen, ze waren tevreden geweest.
Na een paar telefoontjes, wist ik dat er geen geld was, of geen werk of geen projecten bij de uitgevers van Nederland en ik realiseerde mij dat ze een (ex) patiënt gewoon geen opdrachten gaven.

Er zat niet anders op dan mijn eerste baas te bellen. De oude Bob Sgegge van de uitgeverij van Sgegge en Moense was met pensioen, maar waarschijnlijk had hij voldoende invloed en had mij graag gemogen.
‘Sgegge.’
‘Ome Bob, met Irene.’
‘Ha lieverd, en hoe is het met je?’
‘Goed, met u?’
‘Ja, ja… we worden wat strammer, maar fietsen en wandelen doen we nog steeds. Margreet past vaak op de kleinkinderen, die wonen om de hoek.’
Voor hij uitgebreid zou gaan uitweiden over de kleinkinderen wilde ik tot zaken komen.
‘Fijn dat het u goed gaat, tenslotte heeft u er hard genoeg voor gewerkt. Over werk gesproken. Na mijn ziekte blijkt het niet mee te vallen om aan de slag te komen, juist nu ik het geld hard nodig heb, want ik lig in scheiding.’
‘Wat erg voor je. Al vind ik het een wonder dat je het zo lang met die arrogante kwal hebt uitgehouden.’
Ook oom Bob vond Mark zozo, maar dat wist ik al. Hij kende hem goed. De bijeenkomsten waarbij Mark adviseerde gingen over ‘Werken met getallen’ een tot op de dag van vandaag zeer in zwang zijnde wiskundemethode . De oude Bob Sgegge had de serie boeken een tiental jaar geleden eigenhandig in de markt gezet en hij was er rijk van geworden. Als deskundige vertelde Mark wat er allemaal niet aan deugde. Uit zijn lezing bleek dat hij de boeken ouderwets vond en dat ze voorbij gingen aan het feit dat wiskunde ook praktische toepassingen heeft. Blijkbaar was dat bij oom Bob in het verkeerde keelgat geschoten. Hij bleef Mark een arrogante kwal noemen.
‘Morgen ga ik langs op de uitgeverij. Ik zal het aankaarten, maar overschat mijn invloed niet. Van de jonge snuiters die er rondlopen ken ik de helft niet.’
Bedelen voor opdrachten had ik nooit meegemaakt en ik vond het buitengewoon onplezierig, gelukkig was dit oom Bob, dan ging het nog wel.

Uit de kamer hoorde ik de televisie. Tante werd doof. In mijn werkkamer kon ik de tekst letterlijk verstaan. Tante hield erg van televisie.
Ik keek naar mijn handen en zag dat ze trilden. Ik maakte vuisten en klemde mijn kaken op elkaar. Ineens brulde ik als een leeuw door mijn kamer. En sloeg met mijn vuisten op mijn hoofd. Het deed geeneens pijn. Voor ik uitgeschreeuwd was, stond tante in mijn kamer. Opengesperde ogen, wenkbrauwen hoog.
‘Kind, kind.’
Ik liet mijn armen vallen en viel huilend in haar armen. Ze duwde mij op bed. En haalde een glaasje water.

Door een remmende truck met oplegger, die fluitend stilstond werd ik wakker. Alles aan deze kamer was fout. De vreemde vettige asachtige geur, de vuile hoeken in het plafond die ontstaan waren door mijn kettingrokende nicht Henriëtte, het blauwgrijze gevlamde zeil, waarin schroeivlekken zaten. Zoveel dat het leek of Henriëtte haar peukjes op de grond uittrapte. Op bed lag een deken waar niemand meer onder zou willen liggen. Een vlekkerig lichtbruin. Het was een ochtendmarteling om hier wakker te worden. Ik stond krakend op, het hobbelige matras en de verloren gegane spiraal hadden mij gebroken.
Kut, kut, kut, dacht ik.
In het lavet stond ik mij onhandig te douchen toen tante binnenkwam.
‘Kind dat gordijn moet je zo doen, anders wordt de hele badkamer kletsnat.’
De hele badkamer vond ik een groot woord voor een uit zijn voegen gegroeide kast met stromend water. Maar natuurlijk lette ik op dat niet alles nat werd en ik wreef na mijn douchebeurt alles netjes droog. Van de badkamer uit liep ik de keuken in. Handdoek omgeslagen. Tante stond eitjes te koken en thee te zetten.
‘Ik ben zo blij dat je er bent. Heb ik iemand om een eitje voor te koken. Het is een gemis hoor, dat mijn dochter weg is.’
Ik glimlachte.
‘Doe niet teveel moeite, hoor. Je moet mij niet verwennen.’ Mijn kaken schoten bijna in een spasme na deze ongemeende glimlach. Er viel niets te lachen, niets. Elk moment stond het huilen mij nader dan het lachen.
De volgende morgen vulde mijn Postbus zich met e-mails. Van Marit, Wende, Laura maakte ik ze het eerst open.

‘Beste Irene,
Dit moet je niet doen. Kom terug. Maak het goed met Mark.
Ik mis je nu al. Ik wilde komende zomer de halve Marathon van Ede doen.
Zit je nu bij je tante?
Marit’

‘Lieve Irene,
Wat is dit nu allemaal? Kun je mij uitleggen wat er is gebeurd?
Jullie hadden het altijd zo fijn samen.
Heb je een ander? Die mooie man die er pas was?
Zit je daar?
Als ik iets voor je kan doen, laat het weten.
Liefs Wende’

‘Hé Irene,
Ik wist helemaal niet dat het zo slecht met jullie ging.
Wat een schok, dat je ineens weg was. Je komt toch wel gewoon terug?
Hoe moet dat nou met de tennisclub.
Ik heb er helemaal geen zin meer in als ik niet met je mag dubbelen.
Snik, Laura’

 


Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.