Mixed Dubbel 68. Afscheid


Irene heeft een besluit genomen. Ze wil weg van alles. Op eigen benen staan.

Femmy Feijten, Mixed Dubbel, Feuilleton, Cover

Thuis schreef ik de laatste brieven voor mijn vertrek. Eerst een voor Mark.

Lieve Mark
De laatste jaren is het ons niet voor de wind gegaan, al heb ik steeds het gevoel gehouden dat we elkaar terug zouden vinden. Opnieuw vrees ik een crisis en ik denk dat we er niet meer uit zullen komen. De psycholoog heeft mij duidelijk gemaakt dat ik dingen van je wil, die jij mij niet kunt geven. Eerst dacht ik daar vrede mee te hebben, maar nu weet ik dat mij dat niet lukt. Om mijn problemen op te lossen heb ik rust en tijd nodig. Voorlopig verblijf ik als overgangsperiode bij tante Zus.
Als je mij een paar dagen wil laten bijkomen, zou ik dat zeer op prijs stellen. Als de tijd daar is zal ik je uitgebreid mijn overwegingen vertellen.
Natuurlijk ben ik je dankbaar voor alles wat je voor mij hebt gedaan. Hopelijk neem je het mij niet te veel kwalijk. Onze problemen zijn zeker mijn fout.
Mocht je liever meteen je eigen weg zoeken dan stem ik natuurlijk in met een scheiding.
Veel liefs, Irene

Daarna stuurde ik een e-mail naar Wende, Laura en Marit, mijn vriendinnen van de tennisclub.

Dag allemaal,
Komende dinsdag op Ladies Day ben ik helaas niet van de partij. Binnenkort zal ik jullie nog precies vertellen waardoor dat komt.
De komende dagen ben ik op pad en niet thuis te bereiken.

groetjes Irene

Tot slot belde ik tante Zus.
‘Dat had je eerder moeten doen, kind. Daar hoorde je niet thuis en die man van je kan het zelf het best uitzoeken, dunkt mij. Is hij er ooit voor je?’
Er bleken mensen te zijn die vonden dat Mark niet goed genoeg voor mij was, terwijl ik altijd had gedacht dat ik te kort schoot.
Dat gevoel was ingezet op onze bruiloft.
Op de receptie kwamen Marianne van Vliet, ome Bob Sgegge, tante Zus en Henriette voor mij. De rest van de pakweg tweehonderd gasten waren er voor Mark. Sommigen fluisterden mij toe dat er zat vrouwen achter de prof aan hadden gezeten. Ze vroegen zich openlijk af hoe ik de meest begeerde vrijgezel van Utrecht en omstreken had kunnen bemachtigen. Anderen vonden mij zo’n geluksvogel, omdat Mark zo’n fijne vent was. Sommigen stompten Mark tegen zijn borst of sloegen op zijn schouder en zeiden dat ze nooit hadden gedacht dat hij ooit aan een huwelijk zou beginnen. Iemand schudde mij de hand: ‘Dus jij bent het vrouwtje dat hem eindelijk te pakken heeft genomen.’ Die kerel gaf Mark speels een klap: ‘Het is gebeurd met je mannetje. Toch in het huwelijksbootje, wie had dat kunnen denken.’ Aan het eind van de receptie had ik het idee dat ik hem ten onrechte zijn riante vrijgezellenstatus had ontnomen. Gedurende die dag voelde ik mij kleiner en ongelukkiger worden, aan het eind ervan overwoog ik gillend weg te lopen en Mark te redden, en hem zijn leven terug te geven.
Plotseling stonden er twee mensen op, Monica en tante Zus, die mij te goed voor hém vonden. Wonderlijk.

Voor ik de laatste tas opnam om hem in de koffer van de auto te zetten, liep ik door het huis. Wat vonden we het prachtig toen we hier voor het eerst kwamen. De mevrouw met de gouden ogen die het verkocht zie ik nog zo voor mij. De slungelige makelaar die naar tabak stonk en met zijn papieren wapperde.

Het was precies het huis waar we naar zochten. De grote kamer met de open haard, met Marks fauteuil ernaast waar hij de krant las. De open trap naar boven. Daar was de slaapkamer, waar Mark en ik het bed deelden, en waar ik bijna dood was gegaan, waar Juliette mij had laten uitdrogen, en waar Marit mij had gered. Dit huis maakte alle gevoelens wakker. Van plezier, van verdriet, van angst…
Ik ging mijn kantoor in, daar waar Madonna bij mij op schoot zat, waar haar mandje had gestaan. Een snik ontsnapte mij.
Door de tuindeuren keek ik naar buiten. De prachtig aangelegde perken, de gazons. God, wat ging daar een tijd inzitten. Met de tuin was alle ellende begonnen. De aanleg ervan was het begin van de afbraak van mijn zelfvertrouwen. Deze tuin leek het hof van Eden, ik kreeg echter een wrange smaak in mijn mond als ik er naar keek. De laatste ontmoeting met Juliette was hier. Toen ze ontsnapt was uit de tbs-kliniek en mij hier bedreigde met de dood. Nou ja, ontsnapt… door de goede relatie met de portier, die haar een heel normale vrouw vond, kon ze naar believen in en uitlopen. Vreemd dat toen weer niemand mij geloofde. Af en toe dacht ik dat ik gek aan het worden was, dat ik waanbeelden gekregen had. Dat was niet zo, alles was echt gebeurd en berustte niet op fantasie, wat mensen ook van mij dachten. Het was een zegen dat te weten. Misschien was ik daarvoor Jim en Romana nog het meest dankbaar. Ik had al die tijd gelijk gehad en geen hallucinaties had. Dat anderen mij niet geloofden was te begrijpen. Het was een meesterplan.
Ik liep terug, pakte de laatste tas, en mijn handtas op en sloot de deur achter mij af.

Ik zwaaide naar de buurvrouw die door het raam keek toen ik naar de auto liep. Mijntje, de buurvrouw die geactiveerd werd door mijn hulpgeroep, toen ik de trap was afgestuiterd. Ik ben nooit verder gekomen dan een keer samen een kop koffie drinken toen ik hier pas woonde. Wat was ze geschrokken van mijn onverwachte bezoek en stotterend had ze mij verteld, dat ze er niet aan deed, koffiedrinken met de buren. Hoe eenzaam ik in het begin ook was, zij sprak liever met een hibiscus.
Aan haar bewegingen en gezwaai zag ik dat ze naar de deur liep en mij wilde spreken. Op een drafje kwam ze naar mij toe.
‘Ga je weg?’ hijgde ze. Ik knikte.
‘Poosje naar een tante in Den Haag.’
‘Ik heb de bomen horen huilen. Je had dat niet mogen doen. Beter dat je gaat, veel beter. Ik zie nog meer dood en verderf. Het huis heeft een zwart aura. Er gaan nog vreselijke dingen gebeuren,’ Met gebogen hoofd ging ze terug naar haar huis. Hopelijk had ze geen gelijk.
Met een zucht stapte ik de auto in. Tenslotte stond hij op mijn naam en had ik hem betaald. Trillend van de zenuwen reed ik stapvoets de straat uit. De mooie bomenlaan van Loerheide. De Lange Akker, de villawijk van het dorp. Ik passeerde het dorpshuis, de tennisbaan. Hier was ik korte tijd perfect gelukkig geweest. Mét de meiden, mijn vriendinnen. Trots dat ik er deel van uitmaakte. Dat ik sociaal normaal geworden was.

De volgende dag zou Mark thuiskomen. Wat zou hij ervan vinden als hij mij niet aantrof? Ik realiseerde mij dat ik nooit het idee had gehad dat hij echt van mij hield. Daarom sloofde ik mij uit en deed ik mijn best om het hem dag en nacht naar de zin te maken … misschien onderschatte ik zijn gevoelens.
Ik dacht aan Jims woorden: ‘Natuurlijk houdt hij van jou, je doet zijn huishouden, verzorgt zijn relaties en brengt een flink salaris binnen. Hij hoeft nergens naar om te kijken. Geen wonder dat hij van je houdt. Mijn vraag is waarom houd jij van hem?’ Zijn ernstige gezicht, zijn gemeende belangstelling, wat was die man allejezus knap.

Toen ik ingevoegd was op de autoweg en het gaspedaal indrukte, zakte de nervositeit. Mijn schouders zakte, mijn gezicht werd zachter.
Op mijn gemak reed ik de A12 af. De bomen maakten plaats voor steeds meer huizen, het heuvellandschap werd vlak, vervolgens reed ik door polders tot de Randstad zich aandiende.
Ik werkte mij door Rijswijk, beton overal om mij heen. Voor de flat van tante zag ik een parkeerplaats. Blijkbaar was ik welkom.
Opgewekt ontving tante Zus mij met thee en bonbons, alsof ze niet snapte dat het niet voor de lol was dat ik hier kwam wonen.
Ze was oud geworden, de lijnen langs haar mond gaven een strenge indruk, al was ze dat allerminst. Haar grijze, gepermanente haar werd wekelijks door een aanhuiskapster gewatergolfd. Ze streek haar kleren, tante zag er keurig verzorgd uit. Een echte Haagse.
‘Goed dat je er bent, kind. Ik ga eens een poosje vertroetelen, dat heb je verdiend. Wat zijn verder je plannen?’ vervolgde tante.
‘Als ik uitgerust ben en fit genoeg, ga ik aan het werk. Het maakt mijn opdrachtgevers niet uit waar dat is. Ik zal hier en daar aan wat touwtjes moeten trekken om nieuwe opdrachten te krijgen. Ik wil mijn VWO diploma halen en gaan studeren.’
‘Zo, blijkbaar heb je er al over nagedacht.’
Dat had ik niet, maar het kwam er vanzelf uitrollen. Mijn plannen gingen in de richting van de zelfontplooiing. Wat ging ik eigenlijk studeren? Psychologie wellicht, om al die mensen die ik was tegengekomen beter te begrijpen. Strafrecht? Om enge mensen voor eeuwig in het gevang te krijgen.
‘Je kunt zo lang blijven als je wil, Henrietta is naar een eigen flatje verhuisd, dus ik voelde mij eenzaam en overbodig. Voor mij is het prettig dat ik mij nuttig kan maken.’
Eindelijk was de dochter van tante Zus op zichzelf gaan wonen. Ze had woonruimte op de Maartensdijklaan, dus erg ver van haar moeder zat ze niet en ik had begrepen dat ze regelmatig ’s avonds kwam eten. Tijdens mijn ziekte hadden Henriette en ik de vrede getekend.


Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.