Mixed Dubbel 50. Confrontatie

Irene went aan haar ‘nieuwe leven.’ Vriendin Wende komt haar opzoeken. Met onthutsend nieuws

Femmy Feijten, Mixed Dubbel, Feuilleton, Cover

Mijn mond viel open. Ik kon niet geloven wat ze zei. Vond Luca dat? Mijn hart klopte als een razende. Weg, weg… dacht ik: dit wilde ik niet meer, geen woord over Juliette. In één keer was ze terug in mijn huis met haar narcistische persoonlijkheidsstoornis, en als dit de lichte variant was, dan hoopte ik nooit iemand met de zware tegen te komen.
‘Gaat het?’ vroeg Wende, ze legde haar hand op mijn arm.
‘Ineens ben ik mijn lucht kwijt,’ hijgde ik.

In een artikel, dat ik ooit eens had geredigeerd over de hulpverlening aan NPS-patiënten, stond dat hulpverleners door zulke patiënten ‘ingepakt’ worden. Het kostte mij geen moeite om te bedenken hoe Juliette dat zou doen. Met die huilogen van haar en haar kleine snotterneusje vertelde ze over haar verleden. Iedereen blij dat ze de oorzaak achterhaald hadden en de patiënt konden genezen. Niet lang erna waren ze tevreden met de vorderingen van de patiënt. Uit ervaring wist ik dat die grote blauwe kijkers vol tranen onontkoombaar zijn.

Wat wist ik eigenlijk over Juliette? Met haar ouders en broers had ze ruzie. Met haar jongste enig contact. Wat ze over haar mislukte eerste huwelijk had gezegd, bracht mij het schaamrood op de kaken. De informatie van Wende leek hetzelfde als wat ik wist. Volgens Juliette kwam ze echter uit een streng katholiek gezin, niet uit een asociaal gezin. Hoewel het een het ander natuurlijk niet per definitie uitsloot.
Waarschijnlijk had ze haar ziel verkocht aan de duivel. Wende geloofde dat slechte mensen een deal met Satan sloten. Dat kon ik mij herinneren van de discussies op de tennisclub toen we blij, vrolijk en onschuldig door het leven gingen. Wat hadden we het goed toen. De lachende gezichten van Jackie en Marit, pilsje in de hand en maar kletsen. Drukke gebaren van Wende, de opgetrokken wenkbrauwen van Laura… Dat kwam nooit meer terug.

‘Als ik haar op straat tegen zou komen, zou het mijn dood worden.’
‘Ze had aardige trekjes en als ze nou genezen blijkt te zijn? Zoiets als met jouw beroerte, eerst kon je niet lopen en nu wel. Als zij beter is, kan ze zich misschien gedragen.’
‘Jezus, … Wende, ze wilde mij vermoorden. Dat heeft ze al twee keer geprobeerd. Daar kan ik niet overheen stappen en haar accepteren…..echt niet. Dat is een risico, dat ik nooit zou nemen. Ik ben doodsbang voor haar. Dat moet je begrijpen. Bovendien heb ik een post traumatisch stresssyndroom dat bij het horen van haar naam allerlei stoffen vrijmaakt waardoor de paniek onmiddellijk toeslaat.’
‘Als ze geneest? Iedere dokter verklaart haar 100%, dan nog niet?’
Met mijn hand maakte ik een wegwerpgebaar. Ze vond mij koppig en ze was teleurgesteld. Dat er mensen waren die niet snapten dat ik Juliette vreesde, begreep ik niet. Dénken aan haar alleen bezorgde mij al een angstaanval.

Voor de lunch vertrok Wende. Haar kinderen kwamen uit school. In gedachten at ik mijn boterhammetje. Ik kon Juliette niet uit mijn hoofd zetten. Ik wilde erover praten met Mark, al wist ik van te voren dat hij daar geen zin in had. Met tranen in mijn ogen haalde ik de sperzieboontjes af en zette het avondeten klaar.

Tuinieren had ik zo lang mogelijk uitgesteld. Onze tuin associeerde ik met Juliette. Ik werd er misselijk van om er in te werken. Ondertussen kon ik harken, maaien, schoffelen en wieden, ik moest er aan geloven. Het was een heerlijke voorjaarsdag en ik besloot het gras te maaien.

Toen ik klaar was en de maaimachine uitzette, voelde ik een windvlaag langs mijn nek. Brrr… de rillingen liepen langs mijn rug. Ik draaide mij om en stond recht tegenover mijn kwelgeest. Onverhoeds deed ik een stap naar achter en viel bijna. Ik sloot mijn ogen, het bestond niet, ze kon er niet zijn, ik verbeeldde het mij. Ik haalde diep adem en opende mijn ogen. Ze stond vlak voor mij. Met die ogen, die blik, de verwrongen mond. Ze had een smalle, zijden sjaal in haar hand. Ik bevond mij midden in de nachtmerrie die ik vreesde sinds Wende over Juliette had gesproken.

‘Dat is schrikken, hè?’ Ik moest rustig blijven ademhalen. ‘Met één beweging had ik je zo kunnen wurgen.’ Met haar handen maakte ze van het sjaaltje een lus om een denkbeeldige nek. Het was waarschijnlijk de zijden stof die ik langs mijn hals had gevoeld, die mij de kriebels bezorgde. ‘Dan was ik van je af geweest. Wat een zegen.’

Stotterend zei ik: ‘Ga… weg. Mijn tuin.. uit.’
‘Ach, jeetje… een spraakgebrek. Je bent er niet op vooruitgegaan de laatste jaren. Je moest jezelf eens zien lopen. Niet precies een jonge hinde. Volgens mij is je gezicht scheef blijven staan… ach, ach die arme Mark. Hij moet de rest van zijn leven met een invalide doorbrengen.’ Al is huilen het laatste wat ik wilde, ik kon het niet voorkomen. De tranen stroomden over mijn wangen.
‘Ga toch, ga,’ riep ik smekend.
‘Zoals ik je hier iedere dag je rondje zie maken, vind ik het aandoenlijk. Tjonge, jonge wat een tempo, dat komt nooit meer goed.’
Iedere dag… zag zij mij iedere dag mijn rondje maken…… waar stond ze dan? Hoe kon dat?

‘Je hoeft niet bang te zijn dat ik je vermoord. Ik ben op proefverlof, en er even tussen uitgeknepen. Dat komt nog. Ik heb nog een rekening te vereffenen, dat weet jij beter dan wie ook.’ Ze trok een vriendelijk gezicht, de uitdrukking waarmee ze elk persoon om haar vinger kon winden. De grote, helder blauwe ogen met lichtjes, haar lach, en regelmatige gebit. Daarna vertrok ze, maakte vrolijk nogmaals het wurggebaar met haar sjaaltje en liep huppelend weg. Haar wijde rok cirkelde om haar slanke benen. Het zwarte haar wapperde achter haar aan.

Ik stond te klapperen met mijn tanden en trilde over mijn lichaam. Het was niet voorbij. Ik wilde niet alle dagen en alle uren voor mijn leven vrezen.

Mijn gedachten waren dag en nacht bij Juliette. ’s Nachts lag ik uren wakker en als ik sliep had ik nachtmerries. In mijn dromen werd ik gewurgd. Badend in het zweet, benauwd en angstig werd ik wakker. Mark maakte zich zorgen.

‘Zet haar uit je hoofd. Voorlopig zit ze veilig opgeborgen. Vanmorgen heb ik de politie gebeld, maar je hebt je vergist. Geloof mij, schat, ze hebben mij gezegd dat ze de kliniek niet uit is geweest en dat ze geen lange, smalle sjaaltjes in het bezit mogen hebben. De nachtmerries en waanbeelden zijn ontstaan nadat Wende heeft verteld dat ze een keer vrij komt. Maar dat zal nog even duren, hoor.’
‘Het is geen verbeelding. Ze stond hier in levende lijve in de tuin met dat sjaaltje in haar hand.’

Af en toe liep ik naar sporen van haar bezoek te zoeken zodat ik Mark kon overtuigen. Met Madonna op mijn arm, de enige die mij geloofde en piepte op de plek waar ze had gestaan. Ze kon mij schuin aankijken, meelevend. Ze leed met mij mee.

 

Gerelateerde berichten