Mixed Dubbel 49. Jaar na de bevrijding

Deel 3. Een jaar later

Irene is door haar wilskracht en de komst van haar vriendinnen uit de klauwen van psychopate Juliette gered. Irene herpakt zich. Een jaar na Exit Hel gaat het leven zijn gewone gangetje. Met Mark.

Femmy Feijten, Mixed Dubbel, Feuilleton, Cover

Iedere dag om negen uur, om twaalf uur en om vier uur maakte ik een ommetje. Madonna liep met mij mee, zodra ik thuis gekomen uit het ziekenhuis, had Wende haar gebracht en tegen mij gezegd dat haar jongens hem altijd wilde uitlaten, ze waren gek op het hondje, maar ik zou haar nooit meer afstaan. Ze kwispelde en was niet meer bij mij weg te slaan. De vreugde die ik voelde toen ik haar eindelijk weer terugkreeg en in mijn armen kon houden. Mijn kleine bondgenootje zou mij nooit in de steek laten.

Tussende ommetjes door deed ik mijn werk. De coördinatie van de Wetenschapsbijlage had ik tijdelijk opgeschort. Dat was mij te veel met die dwingende deadlines. Ik moest het aantal uren dat ik achter de computer zat beperken. Mijn revalidatie vergde tijd en energie. Het ging echter de goede kant op. De spanning was langzaam maar zeker uit mijn lichaam weggeëbt. Blij was ik met alle aandacht van mijn vrienden en niet in de laatste plaats van Mark.

Net terug van het ochtendrondje zag ik Wende voor de deur staan. Ze droeg elke keer dat ik haar zag iets anders, dat bracht haar beroep waarschijnlijk met zich mee. Een witte broek, en een paarse bloes was het dit keer. Geduldig wachtte ze tot ik er was, want mijn tempo leek op dat van een tachtigjarige. Sinds kort snapte ik iets over de betekenis van afstanden voor mensen die slecht ter been zijn. Ons station was niet meer dan een kwartier lopen, voor bejaarden en voor mij tegenwoordig was dat te ver. Met de bus gaan, mocht je geen alternatief noemen. Buschauffeurs trokken in zo’n tempo op, dat iemand zoals ik de hele bus door werd gepingpongd.

‘Gezellig dat je langskomt,’ zei ik tegen Wende, de sleutel in het slot stekend.
‘Zal ik koffie maken?’ vroeg ze. Ze had een doosje gebak bij zich, ‘voor erbij.’ Voor haar was het eigenlijk niet zo goed ‘iets erbij,’ maar ze kon moeilijk lekkere dingen laten staan.
‘Koffiezetten kan ik zelf, hoor,’ antwoordde ik. ‘Je moet het niet voor mij blijven doen. Daar word ik lui van.’

Doordat ze op het puntje van haar stoel ging zitten, zag ik dat ze mij wat te vertellen had.
‘Is er iets bijzonders?’ vroeg ik haar.
‘Voor je het van een ander hoort, zal ik het je maar vertellen,’ zei ze met een doffe stem.
Vragend keek ik haar aan, haar mond stond strak en ze had een frons tussen de wenkbrauwen.
‘Luca en Mira gaan uit elkaar.’
‘Het verbaast mij niet. De laatste jaren maakten ze vooral ruzie.’ Dat had ik van horen zeggen, want ik zag Luca en Mira nauwelijks. Het was zuur als mensen scheiden, voor mij persoonlijk ging er niets verloren.
‘Het blijft erg, vooral voor de kinderen.’ Wende zuchtte.
‘Ruziemakende ouders zijn net zo min prettig,’ merkte ik op.
‘Dat is niet het enige. Luca gaat regelmatig op bezoek bij Juliette. Volgens hem is ze psychisch in orde. De behandelingen hebben blijkbaar gewerkt,’ ging Wende verder.

Wende keek mij niet aan. Ze beet op haar onderlip.
Van kruin tot vingertoppen voelde ik mij verstijven. De angst voor Juliette viel als een deken over mij heen. Meteen kreeg ik moeite met ademen.
‘Hoezo? Kan dat dan? Wordt iemand als zij beter?’ In de tbs-kliniek was ze prima opgeborgen. Ik had er nooit bij stil gestaan dat ze ooit vrij zou komen. Uit psychiatrisch onderzoek was gebleken dat Juliette een persoonlijkheidsstoornis had. Daardoor was ze gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar en had de rechter haar tot een paar maanden gevangenisstraf en tbs veroordeeld. Er waren verzachtende omstandigheden. Tenslotte was ik al ziek toen ze voor mij kwam zorgen en nog niet dood toen ze vertrok. Het was mij te machtig het proces op de voet te volgen, daardoor ging het voor een deel langs mij heen. Ik was blij dat de deskundigen het met mij eens waren en haar knettergek vonden.

Wende zei: ‘Als ze geneest, moet je er vrede mee hebben dat ze vrij komt. Iedereen heeft recht op een tweede kans. Je kunt iemand niet zijn hele leven ontnemen.’ Mijn ademhaling ging dienst weigeren. Ik hapte naar lucht. De wereld om mij heen begon te bewegen.
Wende vervolgde haar verhaal: ‘Wat haar is overkomen, je moest eens weten. Luca heeft er over verteld. Als je dat hoort. Daar schrik je van.’

Ik schudde mijn hoofd, had de neiging mijn handen voor mijn oren te doen, ik wilde niks weten. Wende vertelde onverstoorbaar verder. ‘Ze heeft een traumatische jeugd gehad. Haar vader schijnt een dominante man te zijn, haar moeder had geen tijd voor de kinderen. Juliette is bijna verzopen als kleuter, ze is misbruikt door haar broer en haar eerste man. Het is bijna niet te geloven, wat een rampzalige toestanden ze heeft meegemaakt. Daardoor liep ze die persoonlijkheidsstoornis op. Een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Ik had er nog nooit van gehoord. Zij heeft de lichte variant, waarbij iemand sociaal blijft functioneren. Zulke mensen zijn juist charmant en aantrekkelijk. Zoveel heb ik begrepen. Het had goed af kunnen lopen als er niet iets was geweest wat haar agressie had getriggerd, waardoor de stoppen zijn doorgeslagen.’

‘Zo,’ zei ik. Het begon toch niet opnieuw? De angst klopte tegen mijn schedel, kedoeng, kedoeng. ‘En hadden haar broers die stoornis ook? Waren die ook mensen om zich heen aan het vermoorden?’ vroeg ik Wende. Ze haalde haar schouders op, ze had geen idee wat ik bedoelde.
‘Met haar familie heeft ze geen contact, dat vind ik zielig genoeg. Ik heb geen idee hoe het met die mensen is. Geen van haar broers was op de zitting. Het moet wel een asociaal gezin zijn.’
‘Kwam ze niet uit een streng katholiek gezin, waar zo hard gewerkt werd? Dat heeft zij mij verteld, indertijd.’
‘Het fijne weet ik er niet van. Kan zijn dat ze gelovig waren.’ Ik kon mij niet herinneren dat ik Juliette ooit had zien bidden of naar de kerk zag gaan. Hier in Loerheide was een prachtige katholieke kerk. Een joekel van een ding, met grote tuin en begraafplaats, niet ver van de tennisbaan.

‘Iets anders. Volgens Luca is haar agressie getriggerd doordat jij haar slecht hebt behandeld.’

Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.