Verhaal van de Week. Mist

Om niet tot armoe te vervallen had ibu Agustine na de dood van haar man haar bescheiden woning opengesteld voor passanten die hun honger wilden stillen in de kale schemerdonkere ruimte van haar eenzame stulp, verzadigd van de muffige smoor van trassi, die mij als ik er kwam een gevoel gaf van huiselijkheid.

Haar eten was even voortreffelijk als het uitzicht op de kolossale waterplas voor haar deur, waar Agustine een bang ontzag voor had. Al eerder had ze me ingelicht over de draak die er zich schuilhield, en me toevertrouwd doodsangsten uit te staan wanneer ze op familiebezoek ging en met een motorprauw het Meer moest oversteken, zo groot als een binnenzee, al gauw een uur varen, en het monster kon overal zijn kop opsteken.

Het was nog licht toen op een dag tegen de avond een onbekende jonge man aan een van de wankele tafeltjes buiten, aan de voorkant van het huis, had plaats genomen, in afwachting van de maaltijdsoep die Agustine aan het bekokstoven was. Ze kwam met een rijk gevulde kom soto die ze mij met een selamat makan voorzette, daarna de onbekende, een goed geklede man met kort haar, die niet op of om keek.

Hij leek me niet iemand die met een rugzak rondtrok. In de contreien van het Meer kwamen weinig westerlingen. Synchroon zwijgend aten we onze soep van het huis, met tauge, flinters kippenvlees en gekookte eieren, genoeg om er verzadigd de dag mee af te sluiten, terwijl de kippen nog volop rondscharrelden, onverschillig voor het lot van die ene die constant werd belaagd door een opgefokte haan die haar de ogen uitpikte.

Robert Vacher, Mist, Cessna, IndonesiëToen ik Agustine erover aansprak, vond ze de haan nakal, hij was stout, zoals ook de tientallen zwijntjes ondeugend waren, die binnen de omheining van de houten vlonder boven het water met gekrijs en nijdige uitvallen elkaars te krappe ruimte bevochten, onwetend van het altijd loerend gevaar in de nek te worden gegrepen om in stukken gehakt in bamboe kokers boven houtvuur te worden gaar gestoofd.

Ik zag de achterdocht in de blik van de blanke toen hij even in mijn richting keek en waarmee hij wat hem niet beviel op afstand hield, vermoedde ik. Maar hij ontdooide.

Dwight was de naam, een Amerikaan die ibu Agustine al kende, zei hij, toen haar man nog leefde. Hij was de piloot van de Cessna, het eenmotorig propellervliegtuig dat ik regelmatig had zien opstijgen of landen op het stuk braakland op enkele tientallen meters van Agustine’s stenen woning.

Hij had de meeste vliegervaring in eigen land had opgedaan, meer speciaal in de Smoky Mountains waar hij op allerlei manieren doorheen was getrokken en overheen was gevlogen, real damp and cold like you’re in the clouds.

We staarden over het water. Dwight was een knaap die wist wat hij wilde, zo schatte ik hem in, iemand die niet zo gauw iets van zichzelf prijsgaf. Het kwam erop neer dat hij na het behalen van zijn vliegbrevet werd ingehuurd door vermogende weldoeners, onder wie zijn ouders, die hem en zijn Cessna financierden om contact te onderhouden met christelijke enclaves in de Archipel waar de alomtegenwoordige islam zich als een besmettelijke ziekte had verspreid en uit alle luidsprekers schalde.

Tegen het eind van de dag of eerder, keerde hij na elke vlucht terug naar de hangar van golfplaat in Tentena, zijn thuishaven, waar hij zijn gereedschap had, en brandstof. Soms had hij twee vluchten op een dag, Balikpapan, Banjarmasin, Palopo Kendari, Tomini. Waar een beroep op hem werd gedaan, kwam hij in actie, meestal ging het om afgelegen of moeilijk bereikbare plaatsen.

Toen ik hem aansprak had hij net een vlucht achter de rug naar Makale. Het was even stil. Toen vertelde ik dat een paar weken geleden in Makale de nacht had doorgebracht in een klooster waar ik tegen middernacht aankwam na een lange tocht door de bergen vol maanverlichte bochten en afdalingen. De nachtportier die me binnenliet ontving me met zwarte koffie en pisang ‘uit eigen tuin’.

Hij bracht me naar een kamer waar een bed stond met schone lakens, een ongekende luxe voor iemand met alleen een slaapzak. Ik was er al lang aan gewend om me in elke willekeurige kamar mandi te overgieten met koud water maar hier was een douche, en ik trof er zelfs een schone handdoek en een washandje waarop de letters JMJ, Jezus, Maria, Josef waren aangebracht. Ik maakte er geen gebruik van, van dat washandje, kon het de Heilige Familie niet aandoen om ze te confronteren met mijn edele delen.

Er verscheen geen lach of grijns op het gezicht van Dwight die met open mond luisterde. Ik had hem even gehypnotiseerd. Zelf had hij nog nooit een klooster van binnen gezien. Hij was lid van een andere Club. Waar hij dagelijks mee te maken had, waren vooral praktische zaken. In mijn enthousiasme voor het bijzondere leven dat ik hem ter plekke toedichtte, liet ik me ontvallen dat het voor mij misschien interessant zou kunnen zijn om een keer met hem mee te vliegen. Alleen al om te zien hoe zijn dagelijks leven eruit zag.

Ik verwachtte een botte weigering maar hij antwoordde tot mijn stomme verbazing dat ik de volgende dag als ik wilde, mee kon vliegen naar Bada. In de ochtend heen, tegen het eind van de dag terug. Ik mocht me er niet te veel van voorstellen, het was een vlucht van amper een kwartier.

We klommen de volgende morgen op het afgesproken tijdstip in de cockpit, gespten ons vast, zetten de koptelefoon op, waardoor we met elkaar konden blijven praten, de motor loeide, hortend en stotend taxiede de Cessna in de richting van het water, kwam los van de grond en al heel snel vlogen we boven het Meer. Het was een stralende dag. Dwight leek volkomen ontspannen. Hij dacht er vaak aan, zei hij, dat mensen die in vroeger tijden naar de Bada-Vallei wilden, er te voet twee nachten over deden om in Bomba te komen. Overdag was het te heet om te lopen. Een extatisch geluksgevoel overviel me, ik voelde me bevoorrecht.

We landden op een op een kaal stuk grond, stapten uit en spraken af elkaar in de namiddag terug te zien. Op de afgesproken tijd was ik weer bij de landingsstrip. Hoe stralend het begin en ook de rest van de dag er had uitgezien, de lucht boven het Meer zat potdicht, gevangen in een op het oog ondoordringbaar dichte mist waar de Cessna zich ongetwijfeld doorheen kon boren, maar of het verstandig was, daar twijfelde zelfs Dwight aan, die blijkbaar heel wat gewend was.

Dwight besloot te wachten en radiocontact te maken met Tentena. De mist beperkte zich tot het Meer. Dat gaf de doorslag. Hij ging het erop wagen. Alles wat meeging werd op een bascule gezet, het aantal kilo’s dat mee kon was beperkt. Een van de mannen die kouwe rillingen had van de malaria, ging voorin naast Dwight. Ik mocht achterin, samen met de tweede passagier naast wie ik op de vloer van de Cessna ineengedoken tussen de pakketten en dozen zat die mee moesten. Bij het opstijgen greep ik me vast aan wat ik vastgrijpen kon.

Dwight liet de Cessna haast verticaal stijgen, in de hoop, vermoedde ik, dat hij boven het gesloten wolkendek uit kon komen. Hij bleef stijgen en stijgen, maar het lukte hem niet zich uit omklemming los te komen. Mijn maag draaide zich om, een blinde angst maakte zich van me meester. Dit keer zou ik mijn strapatsen niet overleven, de laatste minuten van mijn leven leken te zijn aangebroken. Ik had me weer eens in de nesten gewerkt. En dan het vooruitzicht te eindigen op de bodem van het Meer, om er door het monster van Agustine te worden verslonden.

Hijgend deed ik mijn best om niet te kotsen en nog misselijker te worden, het zweet brak me aan alle kanten uit, alsof ik uit het water kwam. Happend naar lucht voelde ik het bloed in mijn slapen kloppen. Verder klimmen had blijkbaar geen zin. De piloot moest niet boven maar onder het wolkendek zien te komen.

Alsof we in een vrije val raakten ging het stijgen over in dalen, met een hartverscheurend gesnerp en gejank dook de Cessna nu omlaag, in de richting van het water. Misschien dat Dwight hoopte onder het wolkendek uit te kunnen komen tot hij inzag dat de Cessna ook dat niet zou halen. Er bleef weinig anders over dan te proberen zowat blindelings in rechte lijn Tentena te bereiken. Vier mannen opgesloten in een metalen kooi op weg naar het einde.

Uiteindelijk slaagde hij erin het toestel op de grond te krijgen en neer te zetten tegenover het eethuis van Agustine. Nadat ik was uitgestapt kon ik me eindelijk permitteren om vrijuit en onbekrompen over mijn nek te gaan.

Robert Vacher
Over Robert Vacher 6 Artikelen
Robert Vacher zwierf jarenlang door Zuidoost-Azië en Afrika en verbleef langere tijd in Frankrijk en Spanje. Hij schreef onder meer de roman Grensgebieden, de reisroman Spel van Troost, de verhalenbundel Vrije Val, en publiceerde in tijdschriften als De Revisor, Maatstaf, Nieuw Vlaams Tijdschrift, SIC en Gierek

1 Comment

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*