Mijn vrouw ziet helaas alles

Mijn vrouw ziet alles. Altijd en overal. Maar speciaal de wevermieren die een blad aan het dichtnaaien zijn. Of de geboetseerde nesten van solitaire bijen tussen de plankwortels van een dipterocarpusboom. De piepkleine pitta’s tussen het struweel. Wat is dat voor een vogeltje?, wil ze weten. Ze kijkt verwachtingsvol naar me op. Ik ben tenslotte bioloog. Soms wou ik dat ze niet zo veel zag.

Het begon al tijdens mijn studie. Bij de moeder van een vriend. Ze had grijs krullend haar. Een bril op haar neus die haar ogen groter en donkerder maakte dan ze al waren. ‘Zeg Andrééé…’ We stonden in haar tuin. Haar ogen doorboorden me. Ze had haar handen op elkaar. Daartussen zat iets. ‘Zeg Andrééé…jij studeert toch biologie, hè?’

Er was geen ontkomen aan. Ik wou zeggen, dat ik met mijn studie gestopt was en dat ik nu niet-westerse sociologie studeerde. ‘Ja mevrouw.’

‘Dan weet jij vast wel wat dit voor een beestje is.’ Ze sprak het uit met een zeker venijn. Een beetje neuzig. Een halve glimlach sloop rond een mondhoek. De met pigmentvlekken bevolkte handen gingen open. Over haar handpalm kroop een onooglijk beestje.

Ik wou zeggen, dat we de kleine beestjes nog niet gehad hadden. ‘Ach mevrouw, wat leuk…dat is een heel bijzonder beestje. Hij behoort tot de Orde der Genidae.’ Ze keek me langdurig aan, haar glimlachende mondhoek ging omlaag, een wenkbrauw omhoog. Ik heb het nog lang moeten bezuren.

Jarenlang bleef ze me achtervolgen. Of ik haar kon vertellen hoe snel het snelste dier op aarde was, hoeveel eieren zeeschildpadden legden, wat het meest giftige dier was, hoe lang een python kon worden. Steevast moest ik toegeven, dat ik het niet wist. ‘Geen idee, mevrouw.’ Waarop ze hoofdschuddend wegliep en met een zucht zei: ‘Wat leren ze je daar in godsnaam op die universiteit?’

De biologen wisten het helemaal niet

Het is het trauma dat de meeste biologen achtervolgt. In de regel weten wij niet hoe lang stokstaartjes drachtig zijn, hoeveel water een hortensia moet hebben, wanneer de mandarijneend paart. Dat zijn dingen die vroeger op de wikkels van ‘Topdrop’ stonden en niet op het curriculum van de universiteit. “Wist u dat zeepokken in verhouding tot hun lichaam de langste penis hebben van het hele dierenrijk?” Nee dat wisten wij niet. Dat wist niemand. En biologen wisten het helemaal niet.

Elk dropje was apart verpakt. En op elke wikkel stond een vraag

“Wist u dat de gestreepte bunzing het ergste stinkt van alle dieren?”

th
Gestreepte bunzing

Nee, dat wist ik niet. En waarom dan wel? Omdat het in het Guinness Book of Animal Records staat? Omdat een gestreepte bunzing eens met zijn stank negen leeuwen op afstand hield, terwijl hij intussen hun prooi aan het oppeuzelen was?

En is het wel zo? Is niet eerder de mens de grootste stinkerd op aarde? Guru Kailash Singh uit India, ooit uitgeroepen tot de meest stinkende mens ter wereld, omdat hij zich in 37 jaar niet gewassen had.

Wist u dat de Rafflesia nog erger stinkt? Dat hij een geur verspreidt van Limburgse kaas, rottende vis, zweetsokken, zoete bloemen, bleekwater en mottenballen? Dat je hem op een kilometer afstand kunt ruiken? Dat er mensen flauwgevallen zijn van de stank, omdat ze te dichtbij kwamen? Mijn God, dat wist ik ook al niet.

Guru+Kailash+Singh2
Guru Kailash Singh

 

Mijn vrouw hoort ook alles

Mijn vrouw ziet alles. Als wij in het oerwoud lopen, word ik voortdurend herinnerd aan mijn biologische onwetendheid. Maar één keer had ik de rollen omgedraaid. Dat was in September 2012 in Borneo. Helaas was het van korte duur.

We staan bij de ingang van het Gunung Gading National Park. In ons guesthouse in Kuching hebben we een briefje gezien, dat de Rafflesia bloeit. Dat doen ze maar een keer in de negen maanden en slechts gedurende zes tot zeven dagen. Ik wil weten hoe hard hij stinkt. Het ondergaan. De geur opsnuiven van Limburgse kaas, rottende vis, zweetsokken, zoete bloemen, bleekwater en mottenballen. Bewijzen dat ik op mijn benen kan blijven staan. Een ander kiest de rollercoaster in Eurodisney. Ik ga voor de Rafflesia.

GunungGading10

Een gids heeft ons opgepikt. Edmond heet hij. Met zijn drieën trekken we het oerwoud in. De weg gaat langzaam omhoog. We moeten een paar kilometer lopen voordat we bij de Rafflesia’s zijn. Het is stil. De stammen van de dipterocarpusbomen dempen alle geluiden. Mijn vrouw heeft al drie onbeduidende vogeltjes gespot. Mij drie keer verwachtingsvol aangekeken. ‘Zeg Andrééé…’, zingt het door mijn hoofd. Eén vogeltje leek op een winterkoninkje. Met grote ogen kijkt ze me aan. ‘Een winterkoninkje? Hier in de tropen?’

Ineens staat ze stil. ‘Hoor je dat?’

‘Wat?’

Ze legt haar vinger voor haar mond en draait haar ogen opzij naar haar oor. ‘Hoor je dat niet?’

Complete stilte.

‘Krekels. Hoor je dat echt niet?’

Mijn vrouw ziet niet alleen alles, ze hoort ook alles. ‘Hoor je die krekels?’ Ze heeft het me al tientallen keer gevraagd. En alle keren moet ik bekennen, dat ik ze niet hoor. Dat mijn gehoor achteruit is gegaan. Dat ik de hoge tonen niet meer hoor. Dat ik het geluid van krekels altijd zo mooi vond en dat ik het zo jammer vind, dat ik ze niet meer hoor. En elke keer vraagt ze me het opnieuw. Zwijgend loop ik verder.

Na 500 meter is er een klein pad, dat het bos in gaat. Vlak voordat we er ingaan, sta ik stil. Mijn vrouw kijkt me vragend aan. ‘Hoor je iets?’

Met mijn hand maak ik een gebaar dat ze stil moet zijn.

Ze kijkt om zich heen. ‘Wat is er?’

Ik steek mijn neus in de lucht. Beweeg een paar keer met mijn neusvleugels. ‘Ik ruik ze.’

Ook mijn vrouw steekt haar neus in de lucht.

‘Ruik je ze niet?’, zeg ik.

Ze fronst haar voorhoofd, kijkt naar beneden naar haar neus. ‘Wat ruik je dan?’

‘Rafflesia’s.’ Ik kijk haar onderzoekend aan. Nee? Ruik je dat echt niet?’

Mijn vrouw probeert het nog een keer.

‘Misschien ruik je het, als we wat dichterbij komen.’

We lopen verder het oerwoud in. Edmond voorop. Dan mijn vrouw en dan ik. Ze is stil. Ze ziet geen kleine vogeltjes dit keer. En ook over de krekels doet ze het zwijgen. Wel hoor ik haar nu en dan de lucht opsnuiven. Na een half uur zijn we er.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Rafflesia tuan-mudae

Er staan een paar Rafflesia’s. De eerste is nog in de knop. De tweede is al vergaan. De derde begint net te bloeien. We lopen door. En dan zien we de vierde. Hij staat volop in bloei. Een diameter van 68 centimeter. Hij lijkt op een oranje plastic handtas, zo maar door iemand achtergelaten in het oerwoud. Mijn vrouw ademt diep in door haar neus. ‘Ik ruik nog steeds niets’, zegt ze.

‘Oh jawel hoor’, zeg ik. ‘Ruik je dat echt niet? Het is niet te harden.’ Ik loop op de bloem toe. Op de vijf slippen zitten gelige stippen. In het midden zit een soort plastic vel met middenin een rond gat. Daaronder een plateau met uitsteeksels. Dat zijn de uitsteeksels die de geur verspreiden, weet ik. Blauwe glimmende vliegen gaan naar binnen en even later weer naar buiten.

Ik breng mijn neus naar het ronde gat vlak boven de uitsteeksels.

‘Ruik je wat?’, vraagt mijn vrouw.

‘Niet te harden’, zeg ik. ‘Ik val bijna flauw.’

Ik ga nog verder naar beneden, zodat mijn hoofd door het gat gaat. Het past precies, alsof ik een geboortekanaal binnenga. De aasvliegen vliegen links en rechts van mijn hoofd naar buiten. Mijn neus hangt nu in de uitsteeksels.

‘Ga je niet te ver?’, zegt mijn vrouw bezorgd.

‘Je hebt mannetjes en vrouwtjes’, hoor ik Edmond zeggen.

‘Is dit een mannetje of een vrouwtje?, vraagt mijn vrouw.

‘Dat kun je zo niet zien. Dan moet je met je vingers langs de rand van de schijf voelen.’

‘Schat, kan je even voelen?’, zegt mijn vrouw. ‘Kom alsjeblieft terug met je hoofd.’

Ik haal mijn hoofd door het gat terug. Een soort wedergeboorte. Met mijn hand ga ik in de bloem en voel onder de schijf. ‘Wat moet ik voelen?’, vraag ik.

‘Zitten er uitsteeksels of is de rand glad?’, vraagt Edmond.

Ik strijk met mijn hand langs de schijf. ‘Hij is glad.’

‘Dan is het een vrouwtje’, zegt Edmond, ‘en die stinken niet.’

De terugweg ging een stuk sneller.

 Meer weten?

 

 

Gerelateerde berichten

André van Leijen
Over André van Leijen 145 Artikelen
André van Leijen (1947), bioloog en vader van een dochter en een zoon, heeft les gegeven aan de Hogeschool Rotterdam en aan een middelbare school in Spijkenisse en in Vlaardingen. Hij ontwikkelde er lesmateriaal voor de natuurwetenschappelijke vakken en publiceerde in diverse bladen. Na zijn pensionering reisde hij met zijn Slowaakse vrouw twee jaar over de wereld, van Spitsbergen tot aan Kaap de Goede Hoop en van Vuurland tot het uiterste noorden van Canada. Daarna streken ze neer in Thailand en vervolgens in Schiedam. Van deze thuisbasis willen ze de wereld verder verkennen. Intussen werkt hij aan een boek.

8 Comments

  1. Zo zijn die moeders nu eenmaal; ook als het vrouwspersoon (nog) geen moeder is.
    Ken ik die Frits, Andre?

  2. Raffesia’s hmm… zou het kunnen dat deze bloem gebruikt wordt in de parfumindustrie, beste andré?. Ik meen de door jou beschreven geur al meermaals te hebben opgesnoven in de lift ter hoogte van de oksels van enkele collega’s van me.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.