Met Chris Ebbe op Java en Bali (1): taxi

charon-linesBlue Bird Taxi

Blue Bird Taxi moet je nemen, Blue Bird Taxi, anders word je opgelicht.’ Ik sta buiten Jakarta Airport in de regen. Om mij heen mensen, mensen, mensen, een mieren hoop, een termietenheuvel. In de verte staat een blauwe bus, niet van BBT. Langs de stoeprand taxi’s, ook al van het verkeerde merk, wachtenden ervoor in lange kronkelende slierten. Hoera, een BBT komt aanrijden, een miljoen mensen dringt op, drie ervan stappen in. Dit gaat lang duren.

‘Taxi, taxi, taxi.’ Een chauffeur met pet spreekt mij aan, zwaait met een blauwe ID-kaart.
‘BBT?’ vraag ik.
‘Yes, yes.’

De chauffeur pakt mijn koffer, loopt de rijen voorbij, steekt over, verdwijnt in het parkeerterrein. Ik hobbel achter hem aan. Bij een grijze Hyundai blijft hij staan, opent de kofferbak.

‘Wait,’ roep ik.
‘Yes sir?’
‘BBT?’
‘Eh… no sir.’
Big smile.
‘How much to Permai Hotel?’
‘250.000 roepia.’

Ik stap in, we rijden weg. Opgelicht? Ik denk van wel, weet het zeker, maar voor vijftien euro en een uur later ben ik waar ik wezen moet.

Van A naar B (1)

We staan langs de kant van de weg, steken onze hand op voor een taxi. Stopt niet, de volgende ook niet. Bus 11 kunt u ook nemen, hadden we gehoord. Een Toyota minibusje komt aanrijden, een 11 op de voorruit. Hij stopt. Het schuifdeurtje staat open. We wurmen ons naar binnen, persen ons tussen de medepassagiers.

Met de wind waait stof en uitlaatgas naar binnen, vermengt zich met de warmte en lijflucht van de passagiers. Een jongeman met rugzak tikt tegen het plafond, busje stopt, jongeman stapt uit. We zijn nog maar met z’n tienen. Het lucht nauwelijks op.

Langs de weg staan nieuwe klanten, drie meiden. Ze kijken naar binnen, stappen teleurgesteld achteruit, te vol denken ze. De chauffeur buigt zich over de lege stoel naast hem, opent het portier, wenkt, wijst naast zich en naar achteren. Twee van de meiden gaan bij hem zitten, de derde komt bij ons. Haringen in een blik, alleen de tomatensaus ontbreekt.

Van A naar B (2)

Een man wijst naar een rood koekblik langs de kant van de weg. ‘Bajai, bajai,’ roept hij en doet een deurtje open. We stappen in, schuiven met ons achterste over de hompige kussens. De man klimt op het zadel voorin, start de oude bromfietsmotor. Het hort, het stoot. We knetteren nachtelijk Jakarta in.

Onze chauffeur geeft gas, rammelend rijden we gelijk op met mede-koekblikken. Links en rechts  passeren de scooters met snelheden alsof zij de TT van Assen rijden. We maken een U-bocht, rijden tegen het verkeer in. Felgele ogen komen op ons af, worden groot als schotels.

Op het nippertje ontwijken we de aanstormende auto’s. We komen tot stilstand op de stoep voor het WTC Mangga Duo. ’12.000,’ zegt de chauffeur. ‘Spannender dan in een roller coaster,’ vinden wij. En dat voor maar vijfenzeventig eurocent. (17 februari 2015)

Jalan Mangga Besar Raya

We lopen over de Jalan Mangga Besar Raya, de weg waaraan ons hotel ligt. In het midden raast het verkeer in geordende chaos. Honderden scooters duiken ronkend in de jalan jalan tikus, de muizenpaadjes tussen de auto’s, die tot mijn verwondering voornamelijk van de nieuwste bouwjaren zijn, met glanzend ongebutst koetswerk.

De ventweg is als een dorpsstraat in de Middeleeuwen, gaten en keien, poelen met bruinzwart water. Twee ratten scharrelen onbevreesd in de goot. Langs de kant overal nerinkjes waar je nasi met vis kunt eten en saté ayam of soto kambing. Je kunt je schoenen laten repareren in het stalletje van de kleermaker, half zo groot als het hok van een schildwacht. Een maker van obat, inlands medicijn, wil ons iets engs aansmeren.

Een verkoper van doerians verleidt ons. Bij een volgeladen rek zoekt hij een rijpe uit. Met zijn hakmes splijt hij de stekelige vrucht. Het ruikt zoet, een geur die ik niet ken, een aroma waarvoor wij in het Nederlands geen woord hebben.

Hoezo stinkende doerian waarover ik in mijn jeugd las? Stinkend, het oordeel van de Hollander, wiens neus niet veel meer rook dan de geur van spruitjes. Ik pulk een stukje vrucht uit de stekelige schil. Het vruchtvlees smelt in mijn mond, zacht als lobbig geklopt slagroom. O goden, naar uw ambrozijn taal ik niet meer.

Met een viersterrensmaak in de mond lopen wij verder. Op de grond staat een kooi met slangen, een levende kluwen kabeltouw. In de kooi ernaast richt een grote zwarte slang zich op langs het gaas, zijn tong flitsend in en uit zijn bek waarin je moordend gif vermoedt.

Onder het afdak van het slangeneethuis heeft de bazin de kop van een slang klemvast in haar hand. Zilverwit blinkend kerft een lemmet een cirkel om zijn kop waarna de baas het vel van zijn kronkelende slachtoffer stroopt.

Chris Ebbe
Over Chris Ebbe 204 Artikelen
Chris Ebbe, vader van twee dochters, grootvader van drie kleinkinderen. Chris is begonnen als onderwijzer, werd daarna leraar biologie en decaan aan een middelbare school in Spijkenisse. Heeft evenals zijn vrouw, kunsthistorica, een brede belangstelling voor alles wat te maken heeft met stad en platteland, mens en natuur, kunst en architectuur. Werkt, gewapend met familieverhalen en na genealogisch onderzoek, aan een roman.