Met Chris Ebbe op Java en Bali (4): militér

Militér

Bandung, garnizoensplaats ten tijde van het KNIL, is dat nu van het Indonesische leger. Veel kazernes over de stad verspreid, smetteloos witte gebouwen met veel groen er omheen.

Voor de poort van de kazerne Siliwangi staat een standbeeld van een soldaat met opgeheven geweer in zijn gestrekte arm, geflankeerd door een tijger met opengesperde bek, bij het Opleidingscentrum Pantsertroepen (staat er echt zo in het Nederlands) berijdt een huzaar een steigerend paard. Van de koloniale tijd is niets te herkennen.

Opa Ebbe, onderluitenant bij het KNIL, heeft dienst gedaan in de kazerne Tjimahi, die met ingang van 1942 door de Jap is gebruikt als concentratiekamp.milliter

In het Merdekamuseum gaat het over de strijd tegen de Nederlanders en Japanners. We zien foto’s van Soekarno en Hatta en andere helden van de revolutie. Een kopie van de Proklamasi waarmee de nieuwe republiek werd uitgeroepen ligt prominent in een vitrine.

Bij de poort van een van de kazernes vragen we aan de wachtcommandant of we een foto mogen maken. Geen probleem, maar buiten het hek nemen. Waar we vandaan komen, vraagt hij in gebrekkig Engels. ‘Belanda, Holland,’ zeg ik.

Een viertal soldaten voegt zich bij ons, zij buigen met de handen voor de borst, plat tegen elkaar, schudden ons de hand, grote glimlach om de mond. Vriend en reisgenoot Fred vraagt mij om de foto van Samira te laten zien. In het Indonesisch legt hij uit dat zij mijn overgrootmoeder is en dat de man naast haar voor haar leest en schrijft, omdat zij analfabete is.

Plotseling begint iedereen te lachen. ‘Vertaal, vertaal’, vraag ik. Fred: ‘Ik heb gezegd dat jij net zo dom bent als je overgrootmoeder.’ Ik knik bevestigend. Gelach.

Dan wijs ik naar mezelf en zeg: ‘Militèr Belanda, kaptèn,’ daarna steek ik mijn vinger uit naar Fred en zeg: ‘He soldier’. Geschater.

Bij het afscheid breng ik mijn hand naar mijn pet en salueer. De soldaten gaan staan, rechten hun rug en salueren terug met hun gezicht in gepaste militaire plooi.

Ontwikkelingshulp

Bandung stond voor de oorlog bekend als Parijs van Java, stad van de mooie gebouwen in art-deco stijl, die doen denken aan Frank Lloyd Wright, stad van de mode en het mondaine uitgaansleven waar in de Sociëteit Concordia feesten en partijen werden georganiseerd voor de hoge ambtenaren en officieren van het KNIL, met hun dames uiteraard.We rijden door de stad. Vanuit de taxi zien we de zorgvuldig gerestaureerde koloniale gebouwen, sommige met een tuin met exotische bomen met grote bladeren en bloemen in de kleuren paars, roze en geel. Langs de weg miniwarungs waar, als overal, nasi, soto en saté wordt verkocht en gehandeld in mango, papaja, kokosnoot en doerian.

In een straat met rijen werkplaatsen, niet groter dan twintig vierkante meter, kun je je scooter laten repareren, markteconomie van de middeleeuwen. Tussen opgestapelde blikken, geplet karton en met olie besmeurde lappen staat een karretje met literflessen benzine, een scooter stopt om te tanken.

Onder begeleiding van de ronkende en snorrende Symfonie van het Verkeer rijden we door eindeloze lintbebouwing met overal en altijd mensen. Mannen met blote benen liggen te slapen of roken met vrienden een sigaret, moslimmeisjes met hoofddoek en schooltas lopen naar huis, huisvrouwen doen inkopen, een soepvrouw met haar nering op haar hoofd zoekt balancerend haar weg in de menigte.

De weg stijgt, links en rechts verschijnen tuintjes met groenten, verrijzen palmbomen met kokosnoten, liggen sawa’s met jonge aanplant. Een keuterboer hakt met zijn padjol in de klei, een vrouw roert in een wok boven een gasbrander, kindertjes rennen zorgeloos heen en weer langs de weg. We houden ons hart vast.

Taman Wisata Alam, het doel van ons uitstapje. We rijden het parkeerterrein van het natuurpark op. Als gieren die hoog in de lucht circulerend naar een prooi hebben uitgekeken, duiken de verkopers van souvenirs op ons af. Nu even niet, denk ik, duw ze opzij, loop naar het hek en kijk in de krater van de dode vulkaan, op de flanken as in Vijftig Tinten Grijs, in de diepte een poel bruin regenwater, aan de overkant witte pluimen van stoom en gassen uit de fumarolen, een zuchtje wind brengt de geur van zwavel, voorbode van de hel.

Ik draai me om. Zijn er nog, de verkopers. Fred en ik laten ons vermurwen onder het mom van ontwikkelingshulp. We dingen af, dat wel, kopen pennen en sleutelhangers en armbandjes van vulkanisch glas, betalen te veel voor een afbeelding van een wajangpop, een collage van gekleurde papiersnippers, flarden gebatikt doek en flinters bamboe. Ho stop, zo is het genoeg gebaren wij.

Een nieuwe verkoper dient zich aan met twee houten eenden met gebrandschilderd verenkleed. We weigeren. Met het omlaag vliegen van de prijs, neemt de smartelijke uitdrukking op zijn gezicht toe waarin wij zijn tobbende vrouw en kroost met oedeembuikjes menen te zien. We geven hem ieder tienduizend roepia en roepen onze chauffeur. ‘Mooi hè, die vulkaan’, zeggen we tegen elkaar, als we wegrijden.

Bandung, 1 december 2014

 

Chris Ebbe
Over Chris Ebbe 204 Artikelen
Chris Ebbe, vader van twee dochters, grootvader van drie kleinkinderen. Chris is begonnen als onderwijzer, werd daarna leraar biologie en decaan aan een middelbare school in Spijkenisse. Heeft evenals zijn vrouw, kunsthistorica, een brede belangstelling voor alles wat te maken heeft met stad en platteland, mens en natuur, kunst en architectuur. Werkt, gewapend met familieverhalen en na genealogisch onderzoek, aan een roman.