Luctor et Emergo in grachtengordel (slot): pistool

De infame redding van Scribentus

Wat voorafging: Directeur Everhart Kohlschreiber heeft zijn in zwaar weer geraakte uitgeverij verhuisd van de Amsterdamse grachtengordel naar – godbetert – Culemborg. Er moet echter meer gebeuren. Zijn redacteuren dienen hun auteurs te dwingen tot het produceren van een geheide bestseller. Het redactiecollectief werkt niet echt mee. Zeker niet de rijpe maar nog steeds aantrekkelijke Sophie. Zij houdt bestsellerproducent Gustav voortdurend uit de wind.  Everhart voelt zich door alles en iedereen verlaten en besluit het varkentje zelf te wassen. Hij pakt een pistool.

Femmy Fijten, Scribentus, Pistool
Op zijn TomTom reed Everhart de route naar zijn huis in Abcoude, links, rechts… hij hoefde niet na te denken. Rustig reed hij reed over de brede door beuken omzoomde laan naar zijn vrijstaande pand. Toen hij de met Waalsteentjes bestrate oprit inreed zag hij tot zijn verbazing een bekende blauwe Fiat. Hij parkeerde de Mercedes Sonderklasse ernaast. Van wie was dat aftandse ding ook weer, vroeg hij zich af? Het schoot hem te binnen. De pianoleraar van de meisjes! Niet dat ze ooit een riedeltje hadden leren spelen. Voor hen had hij een aparte pianokamer ingericht achter het huis. Het was niet om aan te horen. Zijn vrouw nam toen ook les, of deed ze dat nog steeds? Zij speelde overigens best aardig.

Hij deed de deur open en liep naar binnen. De kamer was verlaten. Hij riep: “Lidewij?”, haalde de schouders op, ging zitten en pakte zijn iPad. Niet veel later liep ze de kamer binnen en ging voor hem staan. Het viel het hem weer op hoe mooi zijn vrouw was. De blozende wangen, stralende ogen. Hoe kon het dat de tijd geen vat op haar had? Hij hoorde voor de deur een auto starten en wegrijden.

“Emiel,” zei ze, wijzend in de richting van het wegebbende geluid. Hij wist het weer, de naam van de pianoleraar. “Ik ga bij je weg,” vervolgde ze.
Ze liep de kamer uit, hij volgde haar.
“Weg?”
Ze knikte. “We hebben niets meer samen,” ze trok haar zwarte mantel aan, sloeg een groene sjaal om, pakte haar handtas en een kleine koffer. Vervolgens liep ze door de deur naar buiten. Ze wandelde op hoge hakken tiktakkend de oprit af. Het rollende koffertje ratelde achter haar aan over de steentjes. Op de stoep sloeg ze rechtsaf.

Hield ze het met de pianoleraar? Wanneer waren de kinderen met les begonnen? Vanaf hun tiende?

Hij liep terug de kamer in, ging zitten en keek om zich heen. Links en rechts design. Glad, strak, hol. Elk geluid in de kamer klonk afstandelijk. Op dit moment zou hij zich niet eens een scheiding kunnen veroorloven. Waarom wilde ze hem ineens verlaten? Toen de zaken floreerden, sprak ze daar niet over. Maar die pianoleraar had toch ook geen sou? Die gasten verdienden het zout in de pap niet. Zij zou toch nooit in armoe kunnen leven met haar hang naar dure kleren, tasjes en schoenen. Wijven zijn alleen gelukkig als er wat te halen valt, dienst en wederdienst, dacht hij verbitterd.

Gustav, Gustav móest schrijven. Een bestseller. Wat zei Sofie ook weer? Met het pistool op het hoofd. Ik ben benieuwd of hij niet wat te voorschijn kan toveren in een dergelijke situatie, dacht Everhart. Hij lachte binnensmonds. In een vertrouwelijk onderonsje had Gustav een keer verteld dat hij altijd schreef, maar dat hij ook dingetjes voor zichzelf deed die hij niet wilde publiceren. Die ‘dingetjes’ zouden hem van pas kunnen komen. Zo’n auteur denkt dat hij geen verplichtingen heeft, dat hij voor kunst met de grote K anderen kan laten barsten, in zijn mooie landgoed, met zijn dure spullen. Likken ze je lul om uitgegeven te worden, als ze gevierd zijn, krijg je ze niet meer in beweging.

Zorgvuldig zocht hij de rommel bij elkaar. Een oud pistool, munitie. Uit welke erfenis het kwam kon hij zich niet herinneren. Ontraceerbaar. Hij had geen kwaad in de zin, maar voorzichtigheid was geboden. Discretie was zijn tweede natuur. Hij haalde diep adem, wreef zich met beide handen over zijn gezicht. Morgenochtend zou hij gaan.

De villa lag afgelegen, maar was vrij eenvoudig ongezien te benaderen. Zijn auto kon hij kwijt bij het naburige verzorgingshuis waar hij onopvallend tussen die van andere bezoekers stond. Van daar kon hij gemakkelijk via de achtertuin naar die van Gustav, met een particulier kruip-door-sluip-door wegje dat alleen de schrijver en zijn intimi kenden.

Van eerdere bezoeken herinnerde hij zich dat de achterdeur los stond. Hij voelde aan de klink en duwde hem naar beneden. De deur ging geluidloos open. De lange gang was leeg. Eerst kwam hij langs een paar kamers. Een ervan, wist hij, was Gustavs werkkamer. Hij legde voorzichtig zijn hand op de klink. De deur zat op slot. Vervolgens sloop hij naar de keuken, midden in het huis. Tot zijn stomme verbazing stond Gustav daar in zijn badjas thee te zetten.

“Ben je nog ziek?” vroeg Everhart.
Gustav schrok zichtbaar en draaide zich om. “Everhart?”
“Sofie meldde dat je niet lekker was, dus ik dacht ik ga mijn medeleven betuigen.” Gustav fronste zijn wenkbrauwen en keek hem aan. “Mij mankeert niks.”
“Volgens mij vertelde Sofie dat je last had van je schrijfklier, zoveel zelfs dat je mij niet uit de brand kunt helpen.” Everhart lachte terwijl zijn ogen strak op Gustav gericht bleven. “Misschien heb je haar niet begrepen. Jij hebt werk op de plank en je gaat dat mij overhandigen.”
“Ik schrijf niet meer.”
“Geef mij wat je nog in de la hebt. Het is de enige manier waarop we kunnen overleven, jij en ik, en Sofie. Dat kun je haar toch niet aandoen? Al die jaren heeft ze je gesteund. Ze heeft je groot gemaakt.”
Gustav schudde zijn hoofd.
“Denk je echt dat je hiermee wegkomt?”

Gustav nam een slok van zijn thee. “Ook wat drinken?”
Everhart snoof en pakte het pistool uit zijn binnenzak. Hij duwde de loop tegen Gustavs hoofd, kneep zijn ogen half dicht en fluisterde met zijn tanden op elkaar: “Dit is geen lolletje Gustav, ik heb niks meer te verliezen.”

Gustav hief zijn handen ten hemel: “Je vraagt om je eigen ondergang.” Hij pakte de sleutel van zijn kamer van een sleutelrekje dat in een keukenkast bevestigd was. Voor Everhart uit liep hij naar zijn studeerkamer. Daar opende hij de deur. In deze ruimte hadden ze vele vriendschappelijke gesprekken over zijn manuscripten gevoerd. Gustav schoof een la open en pakte er een lichtgroene, kartonnen map uit. ‘Voor Lidy’ stond er in elegante letters op geschreven. Hij overhandigde hem aan Everhart. Die legde de map op het bureau en sloeg hem open. Er zaten met de hand beschreven papieren in. Everhart voelde de dikte van de stapel om in te schatten om hoeveel vel het zou gaan.

“Dat is een flinke kluit. Ik zet er een paar typistes op en dan kan het nog voor maart verschijnen.” Hij begon te lachen. “Je begrijpt natuurlijk dat dit een grap is. Maar ik ben je eeuwig dankbaar, je hebt ons gered.”
“Ik had het je willen besparen.”

Everhart had het klopje op de deur niet gehoord. “Waar blijf je nou met de thee? Ben je hier?” De deur ging open.

In de deuropening zag Everhart zijn vrouw staan. Gekleed in een loshangend pyjamajasje, waardoor haar borsten en haar vagina zichtbaar waren. Haar donkere krullen zaten door elkaar en haar lippen waren rozerood en vol, alsof ze tenminste een half uur had gezoend. Zo had hij haar al twintig jaar niet meer gezien. Wat deed zijn vrouw hier? In deze toestand? Gustav?
“Lidewij?
“Evert?”
“Ik kwam wat halen,” prevelde hij en wees op de map.

Zijn dochters waren de deur uit. Zijn geld was verdampt. Het voortbestaan van de uitgeverij was onzeker. En nu bleek dat Lidewij hem had bedrogen met zijn beste auteur. Het zweet brak hem uit en zijn hart klopte in zijn keel. Toen herpakte hij zich, keek naar zijn pistool. Hij zwaaide met zijn wapen en schreeuwde: “Als het moet ga ik tot het uiterste om de zaak te redden.”

Lidewij liep op hem toe en zei: “Evert, genoeg nu. We kunnen er als volwassen mensen uitkomen. We hielden al zoveel jaar niet meer van elkaar. Ik was al vertrokken, weet je nog.” Met een soepele beweging haalde ze het wapen uit zijn hand. Everhart zeeg neer in de clubfauteuil die voor het bureau stond.

“Waarom jij, eikel, godverdomme. Ik heb altijd de kastanjes voor je uit het vuur gehaald. Bij elke andere uitgeverij was je eruit geflikkerd. Maar ik heb in jouw talent geloofd, nooit heb ik verzaakt.” Hij keek naar Gustav, en vroeg zich af wat zijn knappe vrouw in deze kleine, grijze man zag. Gustav haalde zijn schouders op.

“Je hebt een manuscript in handen. Dat wilde je toch zo graag?” zei Lidewij. Ze had haar pyjamajasje dichtgeknoopt en stond met haar armen over elkaar naar Everhart te kijken. Moeizaam stond hij op, hij depte zijn voorhoofd met een zakdoek, die hij vervolgens weer terug in zijn broekzak stopte. Everhart boog zich naar de groene map op het bureau en nam deze onder zijn arm. Met hangende schouders slofte hij de gang uit en ging dezelfde weg terug als die hij was gekomen.

Op de parkeerplaats van het verzorgingshuis ontmoette hij een dame die hem toesprak: “Heeft u ook familie hier? Een geweldig huis vindt u niet?” Hij knikte. Ze glimlachte naar hem en ineens voelde hij zich licht worden en hij keek naar de map in zijn hand en sprak: “Het is mijn redding.” De vrouw schudde haar hoofd, waarschijnlijk begreep ze niet wat hij bedoelde, maar voor ze iets kon vragen, liep hij weg.

Met geheven hoofd droeg Everhart zijn lot. “Als mens ben ik gebroken,” sprak hij tegen zijn personeel, “als uitgever kon ik niet anders dan dit meesterwerk publiceren, belangrijker dan duizend-en-een nacht, dé literaire Kamasutra.”
Everharts agenda stond vol, hij was nooit meer thuis voor 8 uur. Het literaire, erotische, werk van Gustav van Walraven ‘Hoogverraad’, brak alle records.

Een jaar na het uitkomen van de bestseller zat Everhart een shagje te roken, voeten op zijn bureau en bedacht: het is tijd om terug naar de Herengracht te gaan.:

Femmy Fijten
Over Femmy Fijten 122 Artikelen
Femmy (Lagerwaard) Fijten (Schiedam 1953, †Arnhem 20-07-2017, groeide op in Den Haag en studeerde biologie in Leiden. In 2010 heeft ze van het levensverhaal van haar oom een roman gemaakt. Dat is Terug naar Bandung geworden. Ze heeft daarvoor een reis naar Indonesië gemaakt en heeft zich verdiept in de geschiedenis. De Arnhemse uitgeverij Nieuwe Druk heeft het boek in 2013 gepubliceerd. Haar tweede roman is een logisch vervolg op haar eerste: Vaarwel Soerabaja is uitgekomen in oktober 2015. Het verhaal speelt zich weer in Nederlands-Indië af. Femmy voltooide haar derde en laatste roman, In het spoor van Birma, kort voor haar overlijden. Dit zeer persoonlijke boek verscheen september 2017 eveneens bij Nieuwe Druk. Daarnaast schreef Fijten korte verhalen. In maart 2013 is de Verhalenbundel Niets is wat het lijkt uitgekomen bij Fenisko, waarvoor een van haar korte verhalen is geselecteerd, nl Maxima cum laude. In december 2013 is de verhalenbundel Lezen en laven uitgekomen, een selectie van Ton van Eck en Femmy Fijten, weer bij Nieuwe Druk met daarin haar verhaal Ocean Spirit. Bij dezelfde uitgeverij eveneens door Van Eck en Fijten geselecteerd, de verhalenbundel 'Arnhem met een scheve blik', met twee verhalen van Femmy. Wrange vruchten I en II.