Peter’s Kunststukjes: Kunstenaar en vloek van de originaliteit


Peter van Nuijsenburg, kunstenaar, vloek originaliteit
…… outsider art zeggen kunstkenners….

Kunstenaar moet grensverleggend bezig zijn

 

Vraag een willekeurige museumbezoek(st)er) wat de belangrijkste kwaliteit van een kunstenaar moet zijn en tien tegen een dat hij/zij antwoordt: originaliteit.

Hij/zij zal het ongetwijfeld menen. Hij/zij kan ook nauwelijks anders. Vanaf zijn/haar kleuterjaren is hem/haar ingeprent dat kunst niet alleen iets heel bijzonders is maar ook gemaakt wordt door héééél bijzondere mensen. Geen stervelingen zoals hij/zij of de kunstjuf maar door mensen met een visie, talent en met name originaliteit. Een kunstenaar is vooral iemand die origineel is. En een goede kunstenaar is heel origineel. Daarom zegt die museumbezoek(st)er bij het zien van een werkstuk van Tinkebell dat het misschien niet mooi is, – hij/zij heeft ook geleerd dat kunst niet altijd mooi kan zijn -, maar dat het, ja, toch in elk geval wel origineel is.

Ook in ambtelijke stukken wordt dit leerstuk met overgave uitgedragen. Kunstnota’s van het betreffende departement zijn vaak onleesbaar, maar in de brei van jargon plegen als een mantra de woorden ‘vernieuwend’ en ‘grensverleggend’ op te duiken. Wat ze betekenen mag Joost weten maar wee de kunstenaar die niet ‘vernieuwend’ en ‘grensverleggend’ bezig is. Hij wordt door de officiële kunstkaste niet voor vol aangezien. Uitnodiging om het koninkrijk te vertegenwoordigen op de Biënnale van Venetië? Vergeet het maar… De uitnodiging gaat naar een collega die wel ‘grensverleggend’ etc aan het werk is, Tinkebell bijv., en daardoor meer dan een streepje voor heeft bij de selectiecommissie.

Met die vloek van de originaliteit wordt een loden last gelegd op de tengere schouders van de kunstenaar. Het is na ruim 150 jaar moderne en hedendaagse kunst bijna onmogelijk om origineel te zijn. Alles is al minstens tientallen keren gedaan. De kans is levensgroot dat jouw idee al te zien is in een galerie of museum of in de collectie van een Russische, Chinese of Arabische miljardair zit. Je kunt 10 urinoirs naast elkaar opstellen en deze installatie de Natte Droom van Marcel Duchamp noemen. Er zal ongetwijfeld iemand opstaan die jouw installatie een ‘verdieping’ van, of een ‘speels-ironisch commentaar’ op het ‘iconische’ werk van de Franse dadaist noemt, en bereid is aan te bevelen bij een kennis die toevallig in een aankoopadviescommissie zit, maar origineel, nee, dat is het met de beste wil van de wereld niet.

De vloek van de originaliteit laat ook in een ander opzicht een ruïneus spoor na. Doordat de kunstenaar geacht wordt nadrukkelijk met zijn originaliteit in de weer te zijn, schiet zijn technische vaardigheid er vaak bij in. Dat is van ondergeschikt belang. Het gaat om de ideeën, makker. Met als logische consequentie dat je, als die ideeën niet origineel zijn, eigenlijk geen kunst kan maken. Dat is dan meteen een verklaring waarom zoveel hedendaagse kunst middelmatig en slecht is. De ideeën komen uit de oude doos en de technische uitwerking is, laten we vriendelijk zijn, soms aan de gebrekkige kant.

Geen goede kunst zonder technische vaardigheid

Techniek heeft al gauw de roep ‘zielloos’ te zijn. Kil en pragmatisch. Dat kan het inderdaad vaak zijn. In de kunst zie je het vooral bij tweede- en derde-rangs kunstenaars. Ze hebben het vak in de vingers, technisch valt er op het werk niets of weinig aan te merken, maar op de een of andere manier ontstijgt het niet aan die zichtbare vaardigheid. Het schilderij stapt niet uit zijn lijst en het beeld niet van zijn sokkel. Het veroorzaakt geen ‘schokje’ zoals goede kunst doet. Het talent van de maker blijft teveel achter bij zijn vakmanschap.
En toch, zonder die technische vaardigheid is het maken van goede kunst vrijwel onmogelijk. Het leven is problemen oplossen, aldus de beroemde wetenschapsfilosoof Karl Popper in een boek met de gelijknamige titel. En oplossingen vereisen behalve ideeën ook de mogelijkheid om die ideeën toe te passen, met andere woorden, techniek.

Dat geldt ook voor de kunst. Stel, een schilder legt de laatste hand aan een portret van een man met bril. Alles klopt, de verhoudingen, de kleurstelling, en, het moeilijkste van alles, het licht. Maar er is iets dat hem niet bevalt. Er ontbreekt iets. De schilder ziet dat het licht weerspiegeld moet worden in een brilleglas. Zonder die weerkaatsing is het schilderij misschien wel goed maar zeker niet af. Maar hoe krijgt hij die schittering er in? De schilder prakkiseert zich suf. Hij komt er niet uit. Tot hij een ingeving krijgt. Hij brengt een kleine, snelle toets helder witte verf aan, een minieme streling van het penseel, meer niet en voila, het licht flonkert op het brilleglas. Het probleem is opgelost, dankzij de vaardigheid van de schilder.

Vergezocht, zegt u? De schilder heet Edvard Munch en het schilderij, een meesterwerk, is het portret van zijn collega Jensen Hjell uit 1885.

 

Peter van Nuijsenburg, kunstenaar, vloek originaliteit
Melancholie – Edward Munch

 

Een paar jaar geleden maakte de Amerikaanse bestseller-auteur Malcolm Gladwell furore met zijn ‘10.000 uren regel’. In zijn boek Outliers stelt hij dat je, om daadwerkelijk in iets te kunnen uitblinken, er minstens 10.000 uur bloed, zweet en tranen in moet zijn geinvesteerd. The Beatles bijv. werden de beste band van de wereld door nachtenlang op te treden in een obscure Hamburgse club, zegt Gladwell. Zijn stelling was wel erg uit de losse pols, veel meer dan ‘oefening baart kunst’ is het niet, en onderzoekers hebben er inmiddels de vloer mee aangeveegd. Niettemin, Gladwell heeft geen ongelijk. De (grote) meesters uit de Gouden Eeuw hadden jaren harde scholing in het atelier van een strenge leermeester achter de rug.

Dat is ook de enige manier om je te onttrekken aan de vloek van de originaliteit. Als je weet dat alles al -tig keer is gedaan, je in musea struikelt over installaties die even goed van P. Puk of Jan L. kunnen zijn, zit er weinig anders op dan binnen de tradities van een discipline of genre te werken en die tradities op te rekken. Dat vereist behalve veel talent een grote investering in technische vaardigheid. Dat hoeft geen oubollig of afgekloven werk op te leveren. Alle grote, ook moderne kunstenaars (Matisse, Picasso, Giacometti) hebben het gedaan.

 


Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 233 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.

2 Comments

  1. Een vraag voor de auteur van dit stuk: is een schrijver ook een kunstenaar in de zin zoals hierboven beschreven, maar niet zoals de auteur schreef, dat namelijk is journalistiek en verder niets mis mee, maar mag niet worden gerekend tot de kunst? Wanneer dat zo is geldt voor de schrijver dezelfde beperking, namelijk dat alles al eens is gezegd en steeds in andere woorden weer het daglicht ziet. Ook dan komt het op vakmanschap aan om nog een prikkel te verwekken. Kunst is veeleer de waan waarin wij zijn gaan geloven, een waan met dunne boog, een vervreemding ook van wat ons bekend is geworden. Maar zelfs een schrijver die zo schrijft wordt niet als een kunstenaar beschouwd, wellicht dat de dichter een uitzondering kan maken, een mooi gedicht, gecomprimeerde taal waarop met een pennenstreek een streep licht wordt aangebracht. Maar ja, taal is een moeizaam medium dat zich als kunst niet zal tonen, vanwege het alledaagse en de volharding leeft; ook ik kan spreken en schrijven, dus geen kunst. Met een kwast ligt dat net iets anders hoewel het ontegenzeggelijk streken kent. Het is geen pleidooi, meer een gewaarwording van de verschillen die nooit zullen worden overbrugd.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.