Krabnevel, een Vietnamese vertelling (4, slot)

 

Zeebries 1 en Zeebries 2 moeten alle zeilen bijzetten: intocht van de Russen

Grenzenloos

Tenslotte zitten alle Russen en aan beide kanten van de straat is geen stoel onbezet. Het meisje trekt haar pen en doet aarzelend een stap naar het dichtstbijzijnde tafeltje.

Son wenkt haar. ‘Eerst bier,’ zegt hij. Dan komt hij langzaam overeind en steekt het gas aan en pakt een teiltje dat onder handbereik staat en keert het om boven zijn grootste pan. Het meisje sleept kratten naar de tafeltjes en zet pullen en emmers met ijsblokken neer. Son kijkt naar de overkant. Mai trekt flessen open.

De jonge kok staat met een pollepel in een wok te roeren, met zijn andere hand strijkt hij het haar uit zijn ogen. Hij grijnst naar Son alsof hij wil zeggen: ‘Kijk ons nou eens, collega.’ Son kijkt weg. De grootste Rus van allemaal komt naar hem toe. Hij draagt een mouwloos hemd met het opschrift SMILE. Hij legt een hand op Sons schouder en begint te praten.

‘Wodka?’ zegt hij als de Rus is uitgepraat en hem aankijkt met een glimlach die zo kinderlijk open en verwachtingsvol is dat Son ook glimlacht. ‘Wodka,’ zegt de Rus, ‘sjitierje. Hij steekt vier vingers op.

‘Yes,’ zegt Son. Hij wenkt het meisje. Binnen vijf minuten is ze terug. Ze stapt van haar brommer en zet een plastic zak voor de grote Rus op het tafeltje. Die bedankt haar uitgebreid en hoffelijk. Dan brengt hij twee flessen naar de overkant, waar ze met gejuich en applaus in ontvangst worden genomen.

Rob Verschuren, Krabnevel 4, slot, Grenzenloos

De mosselen zijn klaar. Het meisje begint borden rond te delen en Son keert het volgende teiltje om boven de pan. Zo werkt hij de rij af, alikruiken, garnalen, kokkels, oesters, krabben, strandgapers en venusschelpen. Van tijd tot tijd neemt hij een slok van zijn bier en kijkt naar de overkant, waar Mai met een glimlach op haar gezicht rond rent en ook zijn meisje glimlacht nu, want de Russen zijn vrolijk en vriendelijk en ze heeft zojuist iets begrepen en dit geeft haar een warm gevoel: dat ze zo groot zijn, wil niet zeggen dat ze haar klein maken.

Voortdurend pakken gasten in allebei de restaurantjes hun bord en hun glas op en lopen naar de overkant, waar ze aanschuiven bij oude of pas gevonden vrienden. En als ook Mai met borden dampende schelpen de straat oversteekt, komt het Son juist en natuurlijk voor, want het zijn haar klanten en ze hebben bij haar besteld.

Gelach en geschreeuw sluiten de geluiden van de stad buiten en de wereld zelf. Over de straat echoën heildronken en aan Mai’s kant steekt een gezang op als een rollend onweer. Fietsers en bromfietsers staan stil om te kijken, pindaverkoopsters en lootjesverkoopsters en jongetjes die met kauwgum leuren duiken op alsof ze in hinderlaag lagen.

De twee krabben zijn verwerkt. Eerst in een pan borrelend water met zout, Aji-no-moto en enkele kruiden, dan met tangen, messen, vorken en onverschillige handen, met tanden en spijsverteringssappen. De verbrijzelde schalen en scharen rusten op de trottoirtegels. Alle teiltjes zijn leeg op een bodempje zeewater na.

Als de bus weer aan komt rijden en aan Mai’s kant stopt, steken Sons gasten de straat over met een andere pas, in een ander tempo, dan toen ze kwamen, alsof ze een zonnige kust met een poederzacht gouden strand achter zich laten. De Rus met het SMILE hemd laat zijn hand op Sons schouder rusten als hij afscheid neemt en met weidse gebaren van zijn andere hand betrekt hij in zijn dankwoord het meisje dat op haar hurken borden zit te wassen,  Mai aan de overkant en haar kok, de stad en de zwarte heuvels daarboven, de zee en het uitspansel en de sterren die zo helder stralen dat je ze zelfs hier onder de straatlampen kunt zien en de sterren die ooit gestraald hebben maar zijn opgebrand en uiteengevallen in ijle wolken sterrenstof.

Als hij is uitgesproken, kust hij Son op beide wangen en schrijdt naar de bus die op hem staat te wachten en nadat hij zich aan boord heeft gehesen sist de deur dicht en de bus rijdt weg.

Son gaat zitten en trekt het laatste flesje bier open. Het meisje giet het vuile afwaswater in de goot. Dan leunt ze over de buddyseat van haar brommer en begint puistjes uit te knijpen boven het spiegeltje. Een groepje jonge krabbenvissers komt langs op weg naar hun boot. Ze lachen en stompen elkaar onder het lopen.

Aan de overkant zit Mai voor het Mariabeeldje het geld van de avond te tellen. En er steekt een bries op van zee die alles lijkt schoon te vegen.

Rob Verschuren, Krabnevel 4, Grenzenloos

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.