Kort verhaal: Vrolijk knallen de bomvesten

Rob Verschuren, Kort Verhaal, Bomvesten

De stad is een rotte ui, denkt Asher, en misschien zijn alle steden zo. Pel de schillen een voor een weg en dit is wat je overhoudt: de klinkerstraatjes in de kille motregen, de laatste touwslagerij, de laatste kleine sigarenboer, de junks en de alcoholisten die dicht langs de gevels blijven, een handvol oorspronkelijke inwoners, oud en beverig achter de gordijnen.

Het zijn de nieuwkomers die de boel nu runnen. Scherpe mannen in deuropeningen, koe-ogige vrouwen in bollende lappen. Het zwarte hart van de stad, waar hij nu zijn weg zoekt terwijl hij probeert iedereen in het oog te houden en alle blikken te vermijden. Als hij in drie verschillende sexshops een opblaaspop heeft gekocht, een blonde, een brunette en een negerin, loopt hij op een drafje langs een braakliggend terrein naar het station. Hier neemt hij een taxi terug naar zijn hotel, dat in een noordelijke buitenwijk aan de afrit van de snelweg ligt. In zijn hotelkamer haalt hij de drie tot zakdoekformaat gevouwen poppen uit hun anonieme plastic draagtasjes en stopt ze in zijn koffer onder een zomeroverhemd. Dan pakt hij uit dezelfde koffer zijn gereedschapstas en gaat de badkamer binnen.

In een vroeger leven was Asher eigenaar van een reclamebureau. De naam van het bureau was KeurMerk. Het hield zich uitsluitend bezig met thema’s als duurzame productie en verantwoord ondernemen. Dat zijn onderwerpen waar CEO’s zich persoonlijk mee bemoeien, want dat er geld mee verdiend kan worden begrijpen ze donders goed, al hebben ze zelf niet echt een mentaal concept van deze manier van zakendoen. Daar hebben ze mensen als Asher voor. Asher was – en is – een idealist. Ooit geloofde hij in de goedheid van de mensen, maar dat doet hij niet meer. Op de burelen van KeurMerk werd niet gedronken, gerookt of gevloekt en elke vrijdagmiddag kwam de voltallige staf  bijeen voor een sharing in de grote spreekkamer.

Op een dag kreeg Asher een ongeluk. Tijdens een kundalini-meditatie trilde er iets los in zijn hoofd. De gevolgen werden in de weken daarop zichtbaar. Had hij zich in het verleden op loodgrijze winterochtenden weleens afgevraagd of de mensen werkelijk goed waren en of zijn idealisme en creativiteit niet werden misbruikt door smirkende grootkapitalisten, nu begon hij overal kwade opzet en cynisch bedrog te zien. Hij was niet langer de juiste persoon om zijn bedrijf te leiden, zoals hij de godganse dag achter zijn FSC-houten bureau zat te broeden en te mompelen over Moloch en Jaggernaut.

Een voor een gingen de klanten, geschoffeerd en uitgemaakt voor graaikraai, pakhuisrat, koopman en middelmatige HBS-er, op zoek naar een nieuw reclamebureau. Ashers nog immer groeiende woede was ongericht en allerminst discriminerend. Na een half jaar was zijn voltallige personeel vertrokken en ook zijn vrouw verliet hem. Het laatste wat ze voor haar volledig van de realiteit los getrilde echtgenoot deed, was een opname regelen in psychiatrische inrichting Dennenvreugd.

Hier schuifelt Asher door de eindeloze gangen, suf als een schorseneer en met een uitgeprocedeerde lichaamshouding, onverstaanbaar mompelend terwijl hij zint op strategieën tegen de onoverwinnelijke gekkenzorg. Na een half jaar van cognitieve therapie en farmaceutische hulpverlening komt hij tot het inzicht dat de hele wereld een gekkenhuis is en dat iemand de mensheid wakker moet schudden uit haar collectieve psychose.

Wanneer hij zich laat ontslaan, is het midden november. De bladeren zijn van de bomen en liggen te rotten in de goten van de stad. Hij heeft geen huis meer. Hij neemt zijn intrek in een Van der Valk-hotel. Het is een eenvoudig hotel voor vertegenwoordigers en bejaarden met een railjaarkaart. Niet wat hij in zijn dagen als bureaudirecteur gewend was, maar status en luxe zeggen hem niets meer.

De Van der Valk-hotels hebben een groot voordeel. Je vindt ze door het hele land, stuk voor stuk beheerd door een lid van de uitgebreide Van der Valk-familie en allemaal hetzelfde. Dezelfde kamers, dezelfde oubollige menukaart en dezelfde muf ruikende gangen met hetzelfde roodgrijze projecttapijt. Zo kan hij overal heen reizen en is het alsof hij zijn huis meeneemt. Hij vindt een simpel ‘1-2-3 stappenplan bomvesten maken’ op het internet en zet zich aan het werk in de badkamer, zittend op de wc-pot, de onderdelen voor hem op de imitatie-marmeren vloer. De Van der Valk-hotels staan bekend om hun ruime badkamers.

Hij heeft nog geen concrete doelen gekozen, maar het kan natuurlijk geen kwaad om alvast de middelen bij de hand te hebben. Het moeten bomvesten zijn, want dat is het enige explosieve apparaat waarvan hij een montagehandleiding tegenkomt. De ingrediënten zijn gewoon in de winkel te koop. Voor het vest zelf gebruikt hij een bodywarmer met een lachwekkende hoeveelheid zakken en lusjes uit de hengelsportspeciaalzaak. Afvoerpijp, kogellagers, elektriciteitssnoer, geen probleem. De springstof is lastiger. Die moet hij maken van waterstofperoxide en aceton, een langzaam proces, niet in het laatst door de geringe capaciteit van het koelkastje in de minibar.

De website waar hij het recept heeft gevonden omschrijft het explosieve mengsel als ‘Moeder van Satan’ omdat het zo instabiel is als de pest. De vraag wie de vesten gaat dragen houdt hem lang bezig. Zelf heeft hij geen neigingen in die richting. Dan komt hij op het idee om opblaaspoppen te gebruiken. Die kan hij in luchtloze toestand overal ongezien mee naartoe nemen en op de plaats van bestemming met een onopvallend fietspompje het gewenste figuur geven.

Het is februari en erg koud. Vanuit zijn dertiende Van der Valk-hotel kijkt Asher over de parkeerplaats, waar trage gele monsters de sneeuw in richels hebben geschoven. De sneeuw begint al bruin te worden, want in onze wereld blijft niets wit en schoon. Ashers dagen hebben een vast ritme. Drie keer per dag verlaat hij zijn kamer. Zogauw hij wakker wordt haalt hij een mok koffie aan het ontbijtbuffet. Wanneer hij de kamermeisjes bezig hoort op de gang, gaat hij naar het restaurant voor het middageten. Aan zijn vaste tafeltje, met zijn rug naar een raam dat uitziet over de snelweg, slaat hij het menu open en bestelt het eerste gerecht waar zijn oog op valt. Om zes uur ‘s avonds doet hij hetzelfde. De rest van de dag werkt hij aan zijn bomvesten of kijkt televisie.

Op de televisie praten mensen tegen hem in verschillende talen en wat ze zeggen maakt hem kwaad. Hij beseft dat hij een grote voorraad vesten nodig heeft om alles wat krom is in de wereld recht te zetten. Omdat hij nog steeds niet waar hij zal beginnen, schiet het maken van de bomvesten niet op. Zo lang hij nog niet heeft besloten, blijft hij de vesten perfectioneren. Wanneer er een bijna klaar is, ontmantelt hij het. Hij haalt het plakband van de stukjes afvoerpijp en vervangt de kogellagertjes door kopspijkertjes. Hij maakt berekeningen en voert de hoeveelheid springstof op of besluit het vest te laden met een mengsel van verzinkte zeskantmoeren en halfduims houtschroeven.

Na vijf of zes dagen in een hotel, komt er een moment dat de mensen naar hem beginnen te kijken. Het is de blik van een kamermeisje op de gang. De glimlach op het gezicht van een kelner die de roestvrijstalen schaaltjes met groenten voor hem neerzet. Dan betaalt hij de rekening en neemt een taxi naar een ander Van der Valk-hotel. Er zijn er 63 in het land. Elke plaats van enige betekenis heeft zijn eigen Van der Valk-hotel in een buitenwijk aan een van de invalswegen.

Asher zit op de wc. Met zijn leesbril op het puntje van zijn neus verbindt hij stukjes koperdraad die uit gekleurde elektriciteitssnoeren steken. Hij fluit zachtjes. Wanneer hij aan zijn vesten werkt, is zijn woede bijna weg. Elke keer als hij een geluid hoort op de gang wil hij gaan kijken of hij het kaartje met Niet storen – Don’t disturb – Ne pas déranger wel aan de deurknop heeft gehangen. Soms praat hij tegen zijn gezicht in de spiegel. ‘Bezigheidstherapie is wat de dokter voorschrijft,’ zegt hij bijvoorbeeld. Of ‘Vrolijk knallen de bomvesten.’

Hij loopt de kamer in. Het matte winterlicht valt door de vitrage zonder iets prijs te geven over de tijd van de dag. Het vest waaraan hij heeft zitten werken legt hij in de koffer en hij gaat op de rand van het bed zitten met zijn handen in zijn schoot. Hij kijkt een tijdje naar zijn handen. Dan voelt hij onder het vest in de koffer en trekt een van de drie opblaaspoppen tevoorschijn. De blonde. Waar is het pompje? Hij vindt het pompje en, na enig zoeken, het ventiel van de pop. ‘Test, test, test,’ zingt hij op het ritme van het pompen. Hij pompt tot ze op barsten staat. Ze lijkt op Corrie van Corrie en de Rekels in haar hoogtijdagen.

‘Huilen is voor jou te laat, ik kom niet meer,’ neuriet hij wanneer hij de pop leeg laat lopen. Op kousenvoeten stampt hij de laatste lucht eruit. Corrie is zijn type niet. Hij legt het opgevouwen poppenvel terug in de koffer en doet de koffer op slot. Door de spleet in de vitrage kijkt hij over de lussen van opritten en afritten naar de wijk aan de overkant van de snelweg. De daken glimmen en de meeuwen vliegen weg naar het noorden, waar de stad uitdooft in de grove, witbesneeuwde winterkluiten van een oeverloos braakland. Hij gaat op bed liggen en zet de televisie aan.

Op de televisie feliciteert de  koning de eerste Elfstedentochtwinnaar van Papoea-Nieuw-Guinese afkomst. De wind, geboren in de Siberische toendra, die stijf van permafrost en jachtsneeuw over de bevroren Balkan en de onbegaanbare Autobahnen veegt en om de spits van de Walburgakerk van Drogeham huilt, laat het tentdoek waaronder een blaaskapel het Friese of Papoea-Nieuw-Guinese volkslied staat te spelen klapperen. De gezamenlijke inspanningen van de wind en de muzikanten maken het niet eenvoudig het commentaar van de verslaggever te volgen. Wat Asher en de elf miljoen Nederlanders die aan het tv-scherm gekluisterd zitten meekrijgen is: ‘…wachte winnaar… outsider… ooit van… op[…?] … zelf vragen.’

De elf miljoen kijkers zien hoe de koning de winnaar een gehandschoende hand toesteekt en vervolgens, omringd door bodyguards en dignitarissen, afnokt naar het paviljoen waar hij in gezelschap van het Elfstedencomité, de commissaris van de koning en de hoofdsponsors een lichte koek-en-zopiemaaltijd zal gebruiken. De verslaggever stapt op de winnaar af, die rillend van de kou naar zijn nieuwe sokken in de kleuren van de Friese vlag staat te kijken. Een blond melkmeisje heeft ze hem zojuist in de hand gedrukt.

De verslaggever draait de verstijvende schaatscrack een kwartslag zodat hij in de camera kijkt en zegt in de microfoon: ‘Wat het hele land zich op dit moment zit af te vragen, eh…’ (hij kijkt op het vel papier dat hij in zijn hand houdt, maar daar vindt hij geen naam, alleen een rugnummer, want zijn naam is een geheim dat een Papoea ongaarne prijsgeeft) ‘wat wij allemaal van jou willen horen: Hoe voelt het?’ Hij duwt de winnaar de microfoon voor de klapperende tanden. Op dat moment zet de blaaskapel de Koekoekswals in en het antwoord komt fragmentarisch door. Wat de kijkers opvangen is: ‘… afkomst… nationa[…?] … kunnen fier… glorieuze… groeten doen… in Popon[…?] … en aan tante…’

Buitenlanders, denkt Asher. Hij is weer kwaad. Buitenlanders en andere Papoea’s, dat is een goed doelwit. Het Koninklijk Huis ook. Misschien nog beter zelfs. Dat zijn voor driekwart Duitsers. Hij is er nog niet uit.

 

Dit verhaal van Rob Verschuren werd in 2015 door juryvoorzitter Renate Dorrestein uitgeroepen tot winnaar van de schrijfwedstrijd ‘Zin en waanzin’

 

 

 

Gerelateerde berichten

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 47 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

1 Comment

  1. Met veel plezier deze essay gelezen en zelfs herlezen, heeft elementen van een Kafka novelle zoals Die Verwandlung.
    Complimenten voor de wijze waarop stijl- en taalelementen worden gebruikt om uitdrukking te geven aan een beeld of beleving: “waar de stad uitdooft in de grove, witbesneeuwde winterkluiten van een oeverloos braakland”. Mooi!

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.