Kolonialisme. Van Heutsz was de beroerdste niet

De twee grootste schurken uit de vaderlandse geschiedenis heten al tijden Jan Pieterszoon Coen en Johannes Benedictur van Heutsz. Als de anti-Zwarte Pieter Akwasi ze vandaag op straat zou tegenkomen zou hij ze ongetwijfeld ‘in het gezicht willen schoppen’. (En vrijwel zeker ontslagen worden van rechtsvervolging).

Coen en Van Heutsz opereerden beiden op dezelfde plaats des misdrijfs, het voormalige Nederlandsch-Indië. Beiden gelden als ‘massamoordenaars’, Coen op Banda, nu de Molukken, en Van Heutsz in Atjeh, op Sumatra, en verdienen in de ogen van hun tegenstanders geen standbeeld, monument of enig ander eerbetoon. Hun plek is op de rommelzolder van de geschiedenis. En dan nog mag niemand het licht aan doen.

Daarmee houden de overeenkomsten op. Coen was actief in de 17de eeuw, Van Heutsz ruim twee eeuwen later. Dat maakt wel enig verschil, niet alleen qua tijd. Coen was de topman van een onderneming, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC, en zijn taak was het bevorderen van de handel. Hij ging daarbij soms over lijken maar kolonialisme en imperialisme, het veroveren van gebied voor de staat, stonden niet op zijn agenda. Van Heutsz was een generaal die in opdracht van de staat een opstandige regio in Nederlandsch-Indië moest ‘pacificeren’. Dat ging vaak meer dan hardhandig maar dat was tijdens het imperialisme in de 19de eeuw niet ongebruikelijk.

Peter van Nuijsenburg, van Heutsz, Atjeh, Biografie
Van Heutsz op het koloniale strijdtoneel
Foto op Mijn Nederlands-Indië

De Britten voerden oorlog tegen de Boeren in Zuid-Afrika en dreven de vrouwen en kinderen van hun vijanden samen in concentratiekampen, destijds een primeur. De Duitsers roeiden in hun kolonie, Zuid-West-Afrika, het huidige Namibië, twee volkeren, de Nama en Herero uit. En wat de Belgen in de Congo voor hun koning uitvraten kan met recht de eerste moderne genocide worden genoemd. Niet-Europese volkeren waren vaak wat latere massamoordenaars ‘Untermenschen’ zouden noemen. En dan keek je als brenger van de Europese beschaving niet op een inheems lijk meer of minder. Het ging om de glorie van het vaderland en, uiteraard, de winsten van het bedrijfsleven.

Je kan zeggen, het was de tijdgeest. In zijn tijd was Van Heutsz een groot man. (Coen was in zijn tijd buiten de VOC waarschijnlijk nauwelijks bekend). Maar tijden veranderen en daarmee de tijdgeest. Coen en Van Heutsz zijn tegenwoordig geen historische figuren meer, mannen die ooit van vlees en bloed waren, met hun eigenaardigheden, tegenstrijdigheden en, jawel, hun verdiensten. Ze zijn nu gereduceerd tot de representanten van het Kwaad, in casu racisme en kolonialisme. Ze worden uit hun tijd gelicht om als voorbeelden, en vooral schrikbeelden te dienen. Voor historici is zoiets een doodzonde. Je kan en mag figuren niet beoordelen naar de normen van onze tijd.

Peter van Nuijsenburg, van Heutsz, Atjeh, Biografie
Provo-actie in 1965 tegen Van Heutsz monument
Foto: Schermafbeelding @Collectie Rijksmuseum. Fotograaf Cor Jaring

Om historische figuren recht te doen, moet je ze accepteren zoals ze waren, als mensen uit een ver of minder ver verleden, met andere normen en waarden. Dat betekent niet dat je je hoeft te onthouden van een moreel oordeel maar je moet bij dat oordeel wel die tijd en de toen geldende normen verdisconteren. Je kan niet volstaan met ‘boe’, ‘bah’ en ‘schande’. Zwart-Wit, Goed-Kwaad, Deugen-niet-Deugen en soortgelijke schema’s zijn te simpel en verhelderen niets. Helemaal niet in de nu woedende discussies over racisme en het koloniaal verleden. Die gaan in de eerste plaats over al dan niet vermeende misstanden en gevoeligheden in het hier en nu en verder vooral om aan te geven dat je heus, echt, serieus ‘aan de goede kant’ staat.

Coen en Van Heutsz hebben inmiddels ieder een biograaf gekregen die zich aan dat politiek correcte gewoel hebben onttrokken. Jur van Goor, oud-hoogleraar in Utrecht, publiceerde vijf jaar geleden zijn ‘Jan Pieterszoon Coen, koopman-koning in Azië’, ook op deze site besproken. En nu heeft Vilan van de Loo met ‘Uit naam van de majesteit’ Van Heutsz uit zijn verdomhoekje op die historische rommelzolder gehaald. Dat was hoog tijd want de oud-gouverneur-generaal mag zich postuum beklagen over een zonder meer onrechtvaardige behandeling.

Van Heutsz was een ‘selfmade man’. Hij was de zoon van een mislukte, alcoholische beroepsmilitair en dat was in de standenmaatschappij van die tijd een bijna onoverkoombare handicap. Niettemin wist hij op te werken tot de hoogste rangen in het leger. Als je destijds in de krijgsmacht carrière wilde maken ging je naar Indië en als je er vaart achter wilde zetten ging je naar gebieden waar je je kon onderscheiden. Van Heutsz ging naar Atjeh.

Atjeh was voor de koloniale bezetter een rampgebied. Het was een broeinest van piraterij en islamitisch verzet. De voorgaande pogingen om het gebied onder controle te brengen waren op niets uitgelopen. Het was goedschiks geprobeerd, via vergeefse pogingen om met de plaatselijke leiders tot een akkoord te komen. En kwaadschiks via strafexpedities. Die leverden de deelnemers vaak hoge onderscheidingen op, de Militaire Willems Orde werd met gulle hand uitgereikt, maar Atjeh bleef opstandig. Van 1873 tot 1898, had de oorlog aan meer dan 7.500 militairen en 30.000 Atjehers het leven gekost.

Dat was de situatie toen Van Heutsz er in 1898 aantrad als gouverneur. Van Heutsz zette op twee kaarten: goedschiks én kwaadschiks. Als het moest werd de kling meedogenloos ter hand genomen maar hij werkte ook aan de verheffing van de inheemse bevolking. Alleen de opstandelingen waren de vijand. De andere Atjehers zouden een voor die tijd humane behandeling  krijgen. Het zou nog jaren duren voor Atjeh voorgoed ‘gepacificeerd’ was maar de methode-Van Heutsz bleek een redelijk werkend recept. In het vaderland was hij een held.

In de kolonie zelf werd hij vaak minder gewaardeerd. De gouverneur die op zou klimmen tot gouverneur-generaal van de hele archipel bleek meer te zijn dan alleen een houwdegen. Hij was zeker voor de koloniale verhoudingen een ‘verlicht man’. Hij keek minder naar kleur dan in de sociëteit van Batavia werd gewenst. Een Indische edelman werd op een hoge post benoemd. Een Indo, iemand met Nederlands en inheems bloed, kon dankzij Van Heutsz een ongekende carrière in het leger maken. De gouverneur-generaal zag het evenmin als zijn taak om het christendom te verspreiden en schafte, oh gruwel, ook nog het verplichte eerbetoon van de ‘inlander’ jegens de ‘toean blanda’ af.

Dat was niet de bedoeling. Het zou wel eens het begin van het einde van de Nederlandse heerschappij kunnen zijn. En de gouverneur maakte het helemaal te bont toen hij ook nog vrouwen op hoge posten in het bestuursapparaat wilde toelaten. Dat ging niet door, maar Van Heutsz had het inmiddels bij de meeste sociëteitstijgers en in de koloniale pers wel verbruid. Hij werd het mikpunt van roddel en achterklap, ook over vermeende buitenechtelijke escapades, van de ‘ploertige men’, zoals hij dat verbitterd noemde. Hij was niet echt rouwig toen hij in 1909 de deur van zijn residentie achter zich dicht trok. ‘In Indië heb ik geen enkele vriend gemaakt’, zou hij gezegd hebben tegen een voormalige medewerker, de grote Islamkenner Christiaan Snouck-Hurgronje.

Peter van Nuijsenburg, van Heutsz, Atjeh, Biografie
Ook koloniale erfenis. Oud KNIL-militairen leggen in 1979 krans bij van Heutsz monument
Foto Nationaal Archief/Wikimedia

Na zijn terugkeer in de polder was hij een tijdlang een gevierd man. Het hele establishment wilde zijn vriend zijn. Koningin Wilhelmina zag in hem een vertrouwensfiguur. Hij ging met wisselend succes in zaken, – hij was met name geïnteresseerd in de luchtvaart-, en was als vers lid van de betere kringen actief in het liefdadigheidswezen. Hij liet zich die rol van steunpilaar van de gevestigde orde graag aanleunen, maar helemaal senang heeft hij zich in zijn na-Indische periode waarschijnlijk niet gevoeld. Hij stierf in 1924 bijna vergeten in het Zwitserse Montreux maar kreeg een paar jaar later in Amsterdam als ‘de vredestichter van Atjeh’ een staatsbegrafenis met alle poeha en fanfare van dien.

Zoals Van Loo het verhaal vertelt, en dat doet ze voortreffelijk, kan je alleen maar vaststellen dat Van Heutsz,  zoals dat ooit heette, een meer dan ‘verdienstelijk vaderlander’ was. Natuurlijk waren er vlekken, hier en daar forse, en vlekjes op zijn blazoen, en dat werd ook door tijdgenoten wel erkend, maar je kan je terecht afvragen of die zijn huidige roetzwarte reputatie rechtvaardigen. ‘Van Heutsz was de kwaadste niet’, citeert Van Loo uit een artikel van de chroniqueur van de Atjeh-oorlogen Paul van ‘t Veer toen het Van Heutsz- monument (nu het monument Indië-Nederland) in Amsterdam weer eens was beklad.

Maar als de tijdgeest zich tegen je keert, is er kennelijk geen houden aan. Dat begon bij Van Heutsz al vrij snel na zijn dood, ging in de ‘wilde jaren 60’ van de vorige eeuw in de hoogste versnelling en is sindsdien eigenlijk nooit een tandje teruggeschakeld. De schakeringen, inkleuringen en nuances van een heel leven vervagen tot er weinig meer overblijft dan een karikatuur. En soms zelfs dat niet. Dan wordt een historische figuur hooguit een naam waarop de (voor)oordelen van een andere tijd worden geprojecteerd en/of de kop van jut in een ‘Kulturkampf’ waarin hij part noch deel aan kan hebben. Dat is met zowel Coen als met Van Heutsz gebeurd. En het is helaas een illusie te denken dat zelfs een voorbeeldige biografie daar ooit verandering in kan brengen.

Peter van Nuijsenburg, van Heutsz, Atjeh, Biografie

 

Vilan van de Loo: Uit naam van de majesteit. Het leven van J.B. van Heutsz. Uitgeverij Prometheus. Prijs: €29,95.

Ook op Trefpunt Azië: Loopgravenoorlog tegen geschiedvervalsing

 

Peter van Nuijsenburg
Over Peter van Nuijsenburg 223 Artikelen
Journalist en publicist Peter van Nuijsenburg (1951) werkte in het verleden bij De Telegraaf, Elsevier en persbureau GPD, het Financieele Dagblad en diverse omroepen. Hij was correspondent in Johannesburg, Berlijn, Tokio en Rome. Peter was voorheen ook parlementair en economisch redacteur. Hij is liefhebber en kenner van kunst en cultuur. Bij dagblad Trouw publiceerde hij boekbesprekingen. Beroepsmatig en (meer recentelijk) als toerist was hij in Thailand en andere Asean–landen.

3 Comments

  1. Eind 18de eeuw was bij wijze van spreken eergisteren. De gruwelen uit WW1 en 2 zeggen we toch ook niet dat je die ‘in de normen en waarden van die tijd’ moet zien? We hebben het hier niet over vele eeuwen geleden, zeg het oude Rome. Daarom mag het ook niet verbazen dat Coen enzo ook de nodige kritiek kregen, dat ze te ver gingen. Volkomen logisch dus die kritiek toen en nu nog steeds. Hoezo andere tijd? Maar het doel heiligde blijkbaar de middelen: handelsbelangen, economie, strategisch belang, dat maakte het okay om de oorlog te verklaren, een land te annexeren met inlanders die zich daar dan tegen verzetten.

  2. Citaat:
    ‘ Van Heutsz was een generaal die in opdracht van de staat een opstandige regio in Nederlandsch-Indië moest ‘pacificeren’. Dat ging vaak meer dan hardhandig maar dat was tijdens het imperialisme in de 19de eeuw niet ongebruikelijk.’

    Dat is perse onjuist. Nederland erkende in 1824 de onafhankelijkheid en soevereiniteit van het sultanaat Atjeh. Om een aantal redenen verklaarde Nederland in 1873 Atjeh de oorlog. De belangrijkste reden was de peperteelt in Atjeh en de bloeiende handel na het openen van het Suez kanaal. Nederland wilde daarvan profiteren, zoals dat ook gebeurde bij de vele andere oorlogen in Indonesië. ‘Oorlog is handel en handel is oorlog’, verkondigde J P Coen al 200 jaar daarvoor. De Atjehers waren niet opstandig maar verdedigden hun vrijheid. Die verovering van Atjeh duurde 40 jaar, van 1873 tot 1914 en ook daarna waren er nog kleinere en grotere opstanden.
    Van Heutsz was inderdaad niet de beroerdste. Zijn opvolger als militair leider, Frits van Daalen was heel wat beroerder.
    Het voetvolk van het ‘Nederlandse’leger bestond trouwens voornamelijk uit Javanen, Afrikanen, Chinezen en andere vaak gedwongen soldaten. Zij stierven het meest. Daar is helaas geen standbeeld voor.
    Zie ook:
    https://www.trefpuntazie.com/boek-koloniale-oorlogen-indonesie-piet-hagen/

    • O ja, nog even over dit citaat ‘ Je kan en mag figuren niet beoordelen naar de normen van onze tijd.’Dat is waar. Maar wat de Nederlandse regering toen deed, namelijk het gewelddadig annexeren van het sultanaat Atjeh ging in tegen de staatkundige normen van die tijd. O wacht, die golden alleen voor Europa en niet voor Azië en Afrika.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*