Zichzelf koesteren op de Mekong

Antonin Cee, Mekong, zonsondergang

Eens uitverkoren en voor altijd superieur

In Thailand is elke rivier vrouwelijk. Het is een mae naam, de Bommoeder van het water. Maar de Mekong (Mae Khong in het Thais) kan onmogelijk een vrouw zijn. Daar is hij veel te onstuimig voor. Ruim vierduizend kilometer rent hij door berg en dal, struikelend over zichzelf als een jonge hond die de lengte van zijn ledematen nog niet kent. Proestend, snuivend en briesend snelt hij naar zijn delta in Vietnam, springend over stroomversnellingen en watervallen. ‘s Nachts keft hij naar de sterren in korte droge stoten en als ’s morgens de zon opkomt kwispelt hij met zijn staart.

Een soepele vrouwenhand, die een welluidend akkoord aanslaat

Volgens de Fransen is de Maas een vrouw en de Rhône duidelijk een man, die zijn oevers bespeelt als een trombone, het mannelijkste van alle instrumenten. La Saône daarentegen glijdt heupwiegend door het land en is soepel als een vrouwenhand, die een welluidend akkoord aanslaat op een harp.

In Duitsland is het Vater Rhein, de stroom die de Germaanse stammen van oudsher beschermde tegen invallers, wat natuurlijk een mannelijke taak is. Maar Die Mosel met zijn gerenommeerde wijnen is een en al verleiding waar vrouwen zich al sinds het oude testament aan hebben vergeven. En in de VS is Old Man River de Mississippi, die net als Father Thames in Engeland zijn masculiene genen dankt aan de hoekige, maar weldoordachte danspassen die ze uitvoeren.

Klinkklare onzin natuurlijk. Er is niemand, die weet waarom de ene rivier een vrouw is en de andere een man. Bovendien verschilt het geslacht dat aan een rivier toegekend wordt van plaats tot plaats. Zo is in het Duits de Rhône een transseksueel die omgebouwd is tot vrouw. Maar het “ken uzelve” geldt ook hier.

Mensen voelen zich nu eenmaal goed bij een rationele verklaring, ook voor hun taalgedrag. Het waren deze dingen, die ik zat te overpeinzen toen ik de Mekong overstak van Chiang Khong in Thailand naar Huay Xai in Laos.

Hij verplaats wat lucht die zo van node is

Het is de optimalisering van natuurkracht en eigen inbreng. De man heeft het bootje schuin op de rivier gelegd en vaart onder een scherpe hoek tegen de snelle stroming in. Niet te snel ook niet te langzaam; hij kent het ritme van het water. Twee krachten die elkaar weerspannen. Het resultaat is dat we in rechte lijn de oversteek maken met een minimum gebruik aan brandstof.  Ik ben onderweg naar Luang Prabang. Als je er tuitende oren voor over hebt kan het vanuit Huay Xai per speedboat in één dag. Per slowboat in twee.

Antonin Cee, Mekong, NootDit keer ga ik per luxe boot, waar ook twee dagen voor staan.  De zon draagt een witte sluier. Het vlokkige licht, bleekt de kleibruine huid van de Mekong een paar tinten lichter. De jaarlijks terugkerende smog als gevolg van “slash and burn” en het afbranden van de rijstvelden, is al voelbaar in de lucht. Nog even en dan wordt dit hele gebied ondergedompeld in een poolnacht, waarin een apocalyptisch rode zon nauwelijks nog door kan doordringen. Tienduizenden mensen raken met ademnood in het ziekenhuis en er worden goede zaken gedaan met gezichtsmaskers alhoewel die nauwelijks helpen.

Zero tolereance naar afbranden, schreeuwt de verantwoordeijke Thaise minister elk jaar en verplaatst daarmee wat van de lucht die zo van node is. Ondertussen wijst hij ook met een beschuldigend vingertje, naar Laos en Myanmar, die het op veel grotere schaal zouden doen. En alles blijft zoals het was. Hoe stop je dit erfrecht, dat door eeuwen is ingesleten?

Ze hebben geen moment opgekeken van hun i-pad

Eenmaal door de douane aan de overkant staat een meisje met een bord met namen, waar ook de mijne op staat. “Welcome sir”. Ze wijst me naar de lounge van de maatschappij op tien passen afstand van de oever.  Ik meld me aan de balie, mijn naam wordt afgevinkt, ik krijg koffie met cake en nestel me in een gemakkelijke stoel. Enkele van de passagiers zijn er al. Het wachten is op de rest. Na een half uur zijn we compleet en stappen in een truck die ons naar de boot brengt die een kilometer of wat verderop ligt afgemeerd.

We zijn met een man of zestien en ik neem mijn medereizigers eens op. Allemaal stelletjes en zo te horen van Franse komaf. Een enkel Duits echtpaar met een tweekoppige kroost net voorbij de kleuterjaren. Ze hebben tot nu toe geen moment opgekeken van hun i-Pad.

Uitzondering is een alleenreizende man, een boom van een vent. Hij lijkt wat op de Gaulle, niet wat zijn trekken betreft, maar meer in zijn kleding, die net als bij de generaal te klein bemeten lijkt. Zijn ogen waar iets droevigs in zit, zwemmen rond als kwallen in een stel dikke brillenglazen. In de lounge had me al vriendelijk toegeknikt. Een soloreiziger, die een geestverwant herkent. Onze boot, met houten romp en opbouw, is 34 meter lang weet ik uit de brochure. Met haar nieuw aangebracht verfje ligt ze er uitnodigend bij. Eenmaal aan boord verspreidt iedereen zich naar eigen goeddunken over de rieten fauteuils in de midscheepse “salon”.

Het water draait pirouettes rond de onzichtbare rotsen

De gids stort een welkomswoordje over ons uit in redelijk verstaanbaar Frans en Engels, dat hij opzout met wat algemene informatie.
De Mekong ontstaat in China en stroomt door Tibet , Birma, Laos, Thailand, Cambodja en Vietnam en is de grootste rivier in zuid- Oost Azië. De totale waterverplaatsing aan de monding bedraagt 457 kubieke kilometer per jaar, wat maar een schijntje is vergeleken met de Amazone, want die gooit er twintig keer meer uit.

 

Antonin Cee, Mekong, Salonboot

Het publiek laat het gelaten over zich heen komen. Een paar stellen halen een spel kaarten te voorschijn en beginnen aan een partijtje belote. Anderen friemelen wat met hun smart phone en er worden selfies gemaakt.  De trossen gaan los, we stoten af en daar gaan we over wat sommige reizigers de mooiste rivier ter wereld hebben genoemd. Ik begeef me naar de voorplecht en tuur over het water, dat pirouettes draait rond onzichtbare rotsblokken onder het oppervlak.

Ergens op de schuinte van de oever liggen twee neergestorte krabak bomen in de vorm van een kruis. Hoog daar boven op een van de hellingen waar het bos is weggebrand, slaat een vrouw haar spade tussen enkele verkoolde boomstronken. Boven haar op de top van de heuvel blinkt een pagode op een onmogelijke plek.

En passant ontdekte hij Angkhor

Ware heiligheid zoekt de hoogte en zet zich graag in een verheven zetel. In Nederland hebben we de geologische mogelijkheden niet. Vandaar dat we verslingerd raakten aan de hemeldravende Gotische kerk en de nephemel van de Barok. Ze zijn erop gericht je verpletteren. “Vanuit de diepte roep ik u aan o heer”. Een Boeddhistische tempel mag best op een hut lijken, dat is helemaal niet erg. Hier langs de Mekong zijn heuvels zat, waarop ze neergezet kunnen worden om het allerhoogste ideaal uit te dagen.

Even later krijg ik gezelschap van de twee bootsmannen, die zich met hun ontbijt op een bankje installeren. Maar voordat ze zelf een hap nemen worden eerst de “chao nam”, de geesten gevoerd die aan het rondraaiende water toebehoren. Ze krijgen een paar brokken plakrijst gedompeld in pikante soep. Als ze weer aan het werk gaan, komt daar de “de Gaulle” aan als een aflossing van de wacht. Hij knikt me weer eens toe met een besmuikt lachje op zijn langgerekte hoofd en gaat in een boekje zitten bladeren. Zo af en toe kijkt hij op en tuurt over de rivier alsof hij elk moment een weeromslag verwacht.

“Hij moet dit ook allemaal gezien hebben”, zegt hij ineens en kijkt me aan met zijn droeve hondenogen. “Een anderhalve eeuw geleden, toen we nog en heel andere kijk op het leven hadden. Hij houdt zijn boek op en tikt op de omslag. “Ken je hem?”

Het is een boek van Mouhot, die Franse avonturier, waarin hij verhaalt over zijn expedities op de Mekong, die hij als eerste westerling ondernam vanuit Cambodja. En passant “ontdekte” hij toen ook Angkhor en bezweek uiteindelijk aan malaria in de Laotiaanse jungles. “Heel andere tijden”, beaam ik. “Nauwelijks meer voor te stellen”.

Mijn antwoord schijnt hem te bevallen, want hij knikt goedkeurend, zoals bij een scholier die zijn huiswerk gemaakt heeft. “Toen geloofden we nog ergens in,” zegt hij, zijn boekje tussen duim en wijsvinger heen en weer zwaaiend. “We dachten dat we de wereld in onze zak hadden. Wij westerlingen bedoel ik. We koloniseerden, exploiteerden, gingen op ontdekking zoals die Mouhot en stelden ons daar geen vragen over. Vol zelfvertrouwen waren we. Het kwam ons allemaal rechtens toe. We leefden in de veilige waan dat we superieur waren. Het beste wat de evolutie ooit had voortgebracht”.

“Misschien is dat hier en daar nog steeds zo”, zei ik om hem wat uit zijn tent te lokken. Hij barstte in lachen uit, diep en gorgelend zoals het water om ons heen en kneep zijn droeve ogen samen. “Kan je best eens gelijk in hebben. De macht der gewoonte misschien. Maar het komt nog maar weinig voor. Het is eerder het tegendeel. We zijn dat superioriteitsgevoel ergens onderweg kwijtgeraakt. Dat is misschien zelfs wel de reden, waarom het zo slecht gaat in Europa”.

Erik Kuijpers, Siam Siam 11, MouhotHij staarde weer over de rivier en ik moest onwillekeurig denken aan een ingezonden brief die onlangs in een van de Thaise magazines stond. “Stop met het idealiseren van westerlingen”, schreef deze brievenschrijver, “want ze kijken allemaal op ons neer”. Als voorbeeld haalde hij dat boek van Henri Mouhot aan, die de Siamezen beschreven had als hebbende “lege, indolente ogen gespeend van intelligentie en platte, brede neuzen met wijduitstaande neusvleugels”. Niet al te complimenteus, al moet het gelet op de plastische ingrepen die vele Thais laten uitvoeren ter verspitsing van hun neus wel indruk gemaakt hebben.

De Thaise taal heeft zijn eigen subtiliteiten en weet via persoonlijke voornaamwoorden loepzuiver weer te geven in welke klasse iemand thuis hoort of hoe over hem gedacht wordt. Het woord “zij”, waarmee hij de farang in zijn brief aanduidde was “puak man”, dat zeker niet flatteus is en zowat het laagste is wat er is. Terloops had deze brievenschrijver het ook over de Chinezen, die betiteld werden als “jak”, ook een behoorlijk denigrerend woord, dat in het Nederlands misschien het best vertaald kan worden als “spleetogen”. Een dergelijke ingezonden brief zou in Nederland wegens gebrek aan politieke correctheid niet zijn afgedrukt. In de engelstalige Thaise pers zou hij het waarschijnlijk ook niet gehaald hebben, maar de Thaise pers lijkt met andere maten te meten.

Mouhot schreef zijn reiservaringen neer in de tijd dat Europa nog volop aan “nation building” aan het doen was en de wereld aan zijn voeten dacht te hebben. Daar hoort kennelijk een zekere vorm van “racisme” bij. Thailand is er zeker onder de militaire junta van nu, nog steeds mee bezig en schijnt daar ook niet aan te ontkomen. Ik houd het maar op “the clash of civilisations”.

Ik zoek de midscheepse “salon” weer op, bestel een donkere “beer Lao” en breng de dag voornamelijk lezend door in Sjon Hauser’s boek Mekong met als enige intermezzo, een laotiaanse buffet lunch, die aan boord geserveerd wordt. Tegen het eind van de middag naderen we Pak Baeng, halverwege Luang Prabang, waar we de nacht gaan doorbrengen in een lodge van de cruise maatschappij. Ooit was dit een nietszeggend dorpje langs de rivier in een land met hoegenaamd geen wegen. Er was slechts een primitief guesthouse en iets dat moest doorgaan voor een dicotheek ondergebracht in een hut met een vloer van aangestampte aarde. Nu is het een belangrijke pleisterplaats en vanaf Huay Xai ook over de weg heel goed te bereiken.

 

Antonin Cee, Mekong, Reisverhaal

De lodge ligt een kilometer of wat voor het eigenlijke dorp. Mijn bungalow kamer op palen biedt prachtig uitzicht op de Mekong, waarin de zon met zijn bloedoorlopen oog een laatste handvol licht gooit.

Als afsluiting van de dag besluit ik wat te gaan zwemmen en daal weer af naar de rivier, die hier een strandje heeft weten te scheppen. Als ik daar aankom loop ik “de Gaulle” weer tegen het lijf, die blijkbaar hetzelfde idee heeft. Hij heeft zijn zwembroek al aan. We lopen het water in en laten ons meevoeren door de snelle stroming, broederlijk naast elkaar voortdobberend. De rivier legt haar armen om me heen en maakt me gewichtloos. Onderwijl vertelt “de Gaulle” me dat hij postbode was en ik probeer me die grote, lange man voor te stellen op zijn scootertje met brieventassen, maar dat lukt me niet. Jean Pierre blijkt hij te heten. Voortdrijvend op de Mekong, die van haar water hier en daar een wuftige pijpenkrul draait, geven we elkaar de hand. Ondertussen vertelt hij. Een erfenis van een verre tante stelde hem in staat vervroegd met pensioen te gaan en nu reist hij rond. Nu eens hier dan weer daar, op alle continenten.

“Weet je” zegt hij, zich omgooiend als een karper en zich op zijn rug leggend, “ik heb heel wat van de wereld gezien. “En hoe meer ik zie, hoe meer ik tot de conclusie kom, dat er maar één continent is dat de wereld kan redden en dat is het oude Europa. Dat is de enige plek, waar genoeg bewustzijn is gebouwd om zich om haar te bekommeren. De enige plek met een wereldmoraal, dat zich aan het wel en wee van andere plekken op deze aardbol iets gelegen laat liggen. Het is de enige hoop die rest”.

Ik doe er het zwijgen toe en denk: zo te horen heeft de Europese beschavingsmissie nog niets aan kracht ingeboet. Gebruiken zijn hardnekkig. We zijn een onverbeterlijk ras en blijven ons superieur voelen tot onder onze teennagels. Onderwijl vraag ik me af of de evolutie van mens en maatschappij zich iets aan moraal gelegen laat liggen of gewoon haar eigen gang gaat wars van alles van wat wij mensen van plan zijn. Zag Zarathoestra achter alle zedelijkheid niet alleen maar een geheime wil tot macht? Maar wellicht is het beter te dwalen met hoop dan met wanhoop.

 

 

 

 

Gerelateerde berichten

Antonin Cee
Over Antonin Cee 124 Artikelen
Antonin Cee woont sinds eind jaren tachtig in Chiangmai en voert themareizen uit. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Montpellier in Frankrijk en werkte enige tijd als redacteur bij The Nation in Bangkok. Ook schreef hij artikelen voor verschillende Nederlandse, Belgische en Engelstalige magazines. Met zijn dertienjarige dochter vormt hij een eenoudergezin en brengt elk jaar enige tijd door in Zuid-Frankrijk. Hij publiceerde een bundel met verhalen uit Thailand getiteld ‘Tussen Eigen en Ander’, dat per internet te bestellen is bij www.freemusketeers.nl en in Thailand via tusseneigenenander@hotmail.com. Eveneens verkrijgbaar in de Nederlandse en Belgische boekhandel (ter besparing van verzendkosten).

2 Comments

  1. Antonin Cee op zijn best. Wat een juweeltje is dit verhaal.
    De nuanceringen die hij in culturen aanbrengt, de wijze gedachten.
    Maar vooral die subtiele waarnemingen van de omgeving zijn wondermooi.

  2. Dwalen met hoop, en niet met wanhoop, wijze woorden, maar toch in de wind geslagen. Ik heb niet zoveel hoop meer en goddank een leeftijd bereikt dat ik die ook niet hoef te koesteren. Een hele geruststelling overigens. Een wereld die in orde is, een axioma, en aan een minzaam stromende rivier de brokken van wat het zou kunnen zijn geweest, een droom die men waarschijnlijk meermalen moet nareizen om het ware ervan te leren zien. Het thema reizen blijft onuitgeput. Deze insteek bevalt me wonderwel.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.