Kleur bekennen in de Rotterdamse metro


Één hand omklemt de roestvrijstalen stang, staand in de metro bij de uitgang. Zij staart naar buiten waar niets meer te zien valt dan een betonnen wand beschenen door de binnenverlichting van de voortrazende metro.

Zij staart en denkt aan haar geboorteland, aan haar dorp, aan haar familie die is achtergebleven toen zij haar kans greep en met hem meeging naar een veel beter leven ook al zou dat betere leven zich op tienduizend kilometer afstand van haar geboortedorp bevinden.

metrorotterdamIn de metro van Rotterdam kun je talloze verhalen fantaseren. Het veelkleurig volk zorgt daarvoor. Sommigen zijn makkelijk terug te plaatsen tussen de palmbomen, op de rijstvelden en sommigen in een armzalige omgeving, levend in de Townships, krottenwijken in Casablanca of overlevend onder willekeurig vallende bommen wat precisie bombardementen worden genoemd. Jullie willen democratie, punt uit.

Ik moet oppassen met mijn fantasie, merk ik. Een verhaal over anderen in mekaar smeden is onschuldig, een verhaal over jezelf iets minder. Voor je het beseft ben je een bon vivant, maar dan van de slechtste soort, een flierefluiter, onbetrouwbaar en vooral ook een schoft.

Zij staart naar buiten. Waar zij aan denkt fantaseer ik. Misschien denkt zij slechts wat vanavond te eten. Maar dit vind ik te basaal. Nee, zij denkt met heimwee aan haar familie. Hoe lang zij haar broertjes en zusjes niet meer heeft gezien. Ja, op foto’s via Facebook. Maar dat zijn maar foto’s. Je kunt je broertjes en zusjes niet ruiken. Niet aanraken en voelen hoe glad hun huid is.

Spijt? Heeft zij spijt? Ooit zich te hebben laten verleiden om naar dat koude hoge Noorden te verhuizen. Daar waar het leven veel beter is. Je je nooit af hoeft te vragen of er voldoende geld is om eten te kopen. Waar ze in een echt huis woont zonder ongedierte. Waar zij moeizaam probeert de taal te leren met al dat ge-GGG en rollende R’s. In het begin was alles spannend. Nieuw. Haar kersverse man een aardige charmante behulpzame kerel. Zo anders dan de mannen van haar eigen ras. Jammer dat hij zo veranderde. Soms zo ongeduldig kon zijn. Hij zou toch moeten weten hoe moeilijk het is een vreemde taal te leren. Zelf sprak hij geen woord in haar landstaal. Had ie toch ook kunnen leren. Te moeilijk, had ie gezegd.

Zij staart naar buiten en schudt het moment van ongenoegen over haar man van zich af. Onmiddellijk komt het beeld van haar geboortedorp weer terug. Hoe families ’s avonds bij elkaar zaten. Nou ja, er werd wel veel gedronken, maar daarnaast ook veel gelachen. Haar toekomst lag in het dorp. Zij zou trouwen met een dorpeling. Zij zou kinderen krijgen. Zij zou voor haar man zorgen en de kinderen opvoeden. Zo dacht je als veertienjarige. Het voorbeeld volgend van wat je om je heen zag.

Was ik achttien? Ik geloof het wel. Ja achttien was ik toen mij een man gepresenteerd werd. Niet uit ons dorp. Dan had ik ‘m wel gekend. Een ouwe vent, vond ik. Hij was al dertig. En hij zag er niet uit. Gele en afgebroken tanden. En schriel. Ja schriel was hij. Hij heeft een goed hart, zei mijn familie. Zij bedoelde natuurlijk dat ie geld had. Een boerderij met veel vee. Als ik met hem trouwde zou mijn familie daarvan mee profiteren. Wat was ik bang toen. Voor de man die mij aangeboden werd, voor mijn familie die het huwelijk wilde, voor mijn toekomst die er nu ineens heel anders uitzag dan ik mij had voorgesteld.

Zij staart naar buiten en even loopt er een rilling over haar rug. Zij denkt aan het moment dat zij wegliep. Weg van haar familie, haar broertjes en zusjes, weg uit het dorp, weg en niet wetend waar naartoe. Wat een rottijd, denkt zij nu. Ik zie het aan haar gezicht. Even vertrokken in een pijnlijke grimas. Maar het pijnlijke bleek ‘m te zitten in een schoen waaruit zij zich even lostrok om hem vervolgens weer om haar voet te schuiven.

Bert van Balen, metro RotterdamDaar gaat mijn verhaal. Dan maar een ander. Een jong zo te zien Marokkaans meisje met een hoofddoek. Geprononceerde neus en prachtige donkere ogen. Zij heet Adama. Tenminste dat vind ik. Ik vind zo’n hoofddoek wel sexy en vraag mij af waarom zo veel mensen iets tegen hoofddoekjes hebben. Omdat zij islamitisch zijn? Zal me een zorg wezen. Elk geloof vind ik stompzinnig dus of je nou de islam wil uitdragen of het christendom, ga je gang zolang je mij maar met rust laat. Niet aan de deur komen met gewauwel over wat de Heer met ons voorheeft en mij ook niet de Islam opdringen. Ja, maar dat doen zij nou juist wel, die islamieten. Nou, ik heb er anders nog nooit een aan de deur gehad. Zijn al die aanslagen dan aan je voorbij gegaan? Dat heeft toch niks met de islam te maken. Dat zijn gewoon gekken.

Mijn hoofddoekje met geprononceerde neus is druk bezig met haar mobieltje. Staat natuurlijk een aanslag voor te bereiden. Straks vliegen de ruiten uit de metro, vliegen glasscherven alle kanten op, valt zij hevig bloedend op de grond en roept “Inshalla”. Terwijl zij bezig is een nieuw bericht te versturen zie ik haar glimlachen. Niks aanslag maar een chat met haar vriendje. Een Moslimbroeder. Hoe zij de wereld gaan overnemen? Welnee, wanneer haar vader en moeder niet thuis zijn. Kunnen ze samen lekker chillen. Ofwel op de bank hangen en hij probeert hoe ver ie gaan kan. Ver. Erg ver. Haar zuidelijke bloed kookt. Over haar huid lopen rillingen.

Zij heeft een vreemd gevoel in haar buik. Bepaald niet onaangenaam. Ik zou best die jongen willen zijn met wie zij chat. Zo’n onhandige vrouwhoofddoekvlegel die niet precies weet hoe nou verder. Allah staat buitenspel. Zij laat een lach ontsnappen en kijkt even op van haar mobieltje om te zien wie haar vreugdelachje heeft waargenomen. Die oude vriendelijk opa die een welwillende glimlach vertoond.

Tegenover mij zit een zwarte man. Een neger, zou je vroeger zeggen, maar dit mag niet meer geloof ik. Hij heeft grijs krullend haar. Het accentueert zijn zwartheid. Dat hij zwart is ligt aan een gen dat hij bij zich draagt waardoor hij beter tegen de zon kan. Zit ie nu wel in het verkeerde land, bedenk ik. Hoelang zou hij hier al wonen, vraag ik mij af. Misschien wel z’n hele leven. Zou best kunnen dat ie hier zelfs geboren is.

Maar dit beantwoordt niet aan een zielig verhaaltje. Nee, hij is gevlucht. Waarvoor? De slavenhandel. Of is dat iets te lang geleden. Met het Nederlandse schuldgevoel zou je het niet zeggen. Dan komt het nog steeds in grote getale voor. Varen er nog steeds volgeladen schepen naar Amerika met slaven, en dat allemaal onder Nederlandse vlag.

Nee, hij is natuurlijk een economische vluchteling. Niks zielig verhaaltje. Ging in Europa waar zijn kansen veel hoger liggen, zijn geluk zoeken. Beginnend als bordenwasser in een restaurant, later opgeklommen tot chef bordenwasser en weer wat later, toen hij z’n rijbewijs had, als chauffeur bij een besteldienst waarna hij chef oliepeil werd. Mooie carrière. Zo uit de jungle zich opgewerkt naar een baan met veel verantwoordelijkheid. In het Vrije Westen.

Waarom stapt hij hier nou uit? Erasmus universiteit, staat er op het bordje aan het perron. Naast hem staat een kalfsleren aktetas die hij onder zijn arm neemt.

Hij knikt naar mij. En ik zie mijn eigen waarheid onder ogen.

 

 


Bert van Balen
Over Bert van Balen 453 Artikelen
†Bert van Balen (20 juni 1945 - 26 oktober 2018) verbleef een decennium lang regelmatig in Thailand, vooral in Chiang Mai. Bert leerde als autodidact van zijn hobby fotografie zijn beroep te maken. HIj was ook chauffeur, magazijnbediende, semi beroepszeiler, redacteur en journalist voor Kidsweek en flierefluiter. De reden tot zijn regelmatig langdurig verblijf in Thailand is terug te vinden in zijn boek: Hoera, ik heb kanker. Te bestellen via Bol.com

1 Comment

  1. Prachtig verhaal, Bert. Wat is er toch veel te beleven in de metro! Veel meer soorten mensen en verhalen dan hier….

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.