Joe

Joe leek niet ouder dan zeventien, al was ze eenentwintig. Ze was klein, zelfs naar plaatselijke begrippen, en ze droeg haar zwarte haar altijd opgestoken in een knotje. Wanneer ze lachte, trok ze alleen haar linker mondhoek op. Ze lachte veel. Joe’s Engels was niet beter of slechter dan dat van de andere leerlingen, maar ze was de enige die onbekommerd tegen de regels zondigde, zonder midden in een zin terug te deinzen voor een afgrond van uitspraak of grammatica, en niet geremd door de onuitroeibare Aziatische angst om in het openbaar een figuur te slaan. Ik stelde haar vaak als voorbeeld voor de klas en maakte er een gewoonte van Joe aan te kijken als ik iets probeerde uit te leggen. Ze keek terug met oplettende ogen en dat scheve lachje, waardoor ik nooit wist of ze serieus luisterde of de spot met me dreef. 

Lesgeven aan jonge mensen in een land dat de sprong probeert te maken van een natie van rijstboeren naar een economische grootmacht is een stimulerende ervaring. Voor mijn studenten was de toekomst een wereld van onbegrensde mogelijkheden, en de gretigheid om daaraan deel te nemen vonkte en knetterde als elektriciteit in de muffe klaslokalen van Dr. Sinh. Het gretigst van allemaal was Joe.

Het was een zaterdagochtend in het begin van de zomer. De laatste schooldag. Dr. Sinhs taleninstituut maakte een afgeleefde indruk. De geüniformeerde falanx achter de receptiebalie was uitgedund tot een geeuwend meisje met een blauwe inktvlek op haar blouse, en uit een raam op de derde verdieping hingen twee mannen in overalls het schrijnend wit gebleekte reclamebord met voorheen de tekst real english for the people! van de gevel te schroeven. 

Ik ging de trap op naar mijn lokaal en deed de lichten aan, de ventilatoren. Ik veegde het bord schoon, legde ‘New Interchange 3’ voor me op het tafeltje en ging zitten wachten. Om kwart over negen waren er vier leerlingen binnengekomen. Dr. Sinh betrok zijn klanten voornamelijk van de plaatselijke universiteit, en de meeste studenten waren al op weg naar hun familie in de binnenlanden of hadden tot diep in de nacht gefeest. Ik zette een kruisje achter de namen op de presentielijst. Deborah, Mike, Benny, Joe. Omdat de buitenlandse leraren moeite hebben de echte namen te onthouden – laat staan uit te spreken –, koos elke student aan het begin van het schooljaar een Engels alias. Op een onnaspeurbare manier vond ik de namen wonderwel bij de gezichten passen. Zelfs ‘Joe’. Haar echte naam was Hong Hanh, wat zoveel betekent als ‘roze abrikozenbloesem’.

Mijn vier discipelen zaten te kwebbelen en niemand had zijn lesboek nog tevoorschijn gehaald. Ik pakte mijn eigen boek van het tafeltje en liet het in mijn tas vallen. Nu had ik hun aandacht. 

‘Wie gaat er mee koffie drinken?’ zei ik. ‘De meester trakteert.’
We parkeerden onze brommers en fietsen in de vrekkige schaduw van de kokospalmen langs de boulevard en kozen een tafeltje op het terras van Sao Bien. De vier hervatten hun gekakel. ‘Engels praten,’ zei ik, ‘de les is nog niet voorbij.’

Om tien uur precies stonden Deborah, Mike en Benny op alsof ze de hese schoolbel van Dr. Sinh hier konden horen. Ze zeiden dank je wel, meester, prettige vakantie, meester en tot september, meester. Joe wuifde ze na, vanaf de straat gaf Deborah een kushandje.
‘Moet jij niet naar huis?’ vroeg ik.
Joe haalde haar schouders en een mondhoek op. ‘Vind je het niet gezellig met mij alleen?’
Als je eens wist, Joe. ‘Wil je nog koffie? Nee? Iets anders, cola?’
Ze schudde haar hoofd, het knotje danste. ‘Zullen we een stukje langs het strand wandelen, meester? Ik kan niet blijven zitten, ik ben zo… vandaag voel ik me zo… zo…’

Rob Verschuren, Toekomstdromen, HoChiMInhIk rekende af en we stapten van het terras het strand op. Joe schopte haar slippers uit. ‘Doe je schoenen uit, meester. Op het strand moet je met blote voeten lopen om het zand tussen je tenen te voelen.’
Ik deed mijn schoenen en sokken uit en hield ze in mijn hand. Joe rende de zee in. De zee was glad als cellofaan. Driehonderd meter uit de kust ging het ijsblauw over in turquoise en op de scheidslijn stak het donkere silhouet van Schildpadeiland uit het water als de rug van een oude vrouw die daar iets verloren was.
Joe rende terug en kwam naast me lopen. ‘Neem je me een keer mee naar Europa, meester?’
Ik keek omlaag in het stralende gezichtje en overwoog wat ik hierop zou zeggen. Ze praatte alweer verder. ‘Het is zo mooi hier. Zo mooi. Ik wil iemand bijten. Mag ik je bijten, meester Rob?’
‘Bijten?’
‘Bijten.’
‘Waarom wil je me bijten?’
‘Omdat ik me zo gelukkig voel.’
‘Dan wil je iemand bijten.’
Ze knikte heftig, haar knotje knikte in tegengestelde richting. ‘Wanneer ik mijn zusje lang niet gezien heb, moet ik haar altijd bijten. Omdat ik zoveel van haar houd en haar zo heb gemist.’
‘Waar?’
‘Bij de bushalte, als ze me afhaalt. Ik kan gewoon niet wachten tot we thuis zijn.’
‘Waar bijt je haar, bedoel ik.’
‘O, in de arm, in de schouder, maakt niet uit.’ Ze sloeg haar hand voor haar mond en keek met opengesperde ogen naar me op. Het was voor het eerst dat ik Joe bedremmeld zag. 

Ik glimlachte en ze grijnsde terug. Na een tijdje pakte ze mijn hand en trok me mee naar het water. We liepen door de zachte branding en ze praatte. En ze praatte. Over haar zusje en haar ouders en hoeveel ze van hen hield. Over het geld dat ze ging verdienen zo gauw ze klaar was met haar studie en wat ze met dat geld ging doen. Alles was voor papa en mama, zodat ze niet meer hoefden te werken en elke cent om moesten draaien. Ze zou voor ze zorgen zoals zij al die jaren voor haar hadden gezorgd, al kon ze dat nooit terugbetalen. Nooit. En haar zusje moest kunnen studeren. Daar ging ze ook voor zorgen. En dan ging ze reizen en de wereld zien en op een dag wilde ze mijn land bezoeken, waarvan iedereen wist dat het mooi was en schoon en dat zelfs de boeren er twee auto’s hadden. Ze bleef mijn hand vasthouden en kneep erin om haar woorden kracht bij te zetten. Nu eens sprak ze traag en dromerig en keek weg over de zee alsof haar visioenen als Aphrodite uit het schuim geboren werden, dan weer struikelde ze over haar woorden en ging sneller lopen en ten slotte renden we hand in hand door de branding en schopten het water op als bladeren in de herfst, plonzend en lachend, door geen macht te land of ter zee te stuiten, tot we hijgend stilstonden en elkaar aankeken en Joe zong: ‘O, meester, ik ben zo gelukkig vandaag!’

Waar de rotsen van de kaap in zee staken, draaiden we om en gingen terug, nog steeds door het water, maar kalmer nu en zonder te praten. Joe leek verdwaald in goudgerande toekomstdromen en ik was bezig woorden binnen te houden die ik niet mocht uitspreken. Ik had mijn hand losgemaakt uit de hare. Na een tijdje pakte ze hem weer vast.
‘Kijk,’ zei ze, ‘visjes.’
Ik keek omlaag. We stonden midden in een school babyvisjes die met elke golfslag om onze enkels spoelde, de naalddunne lijfjes zo dicht op elkaar, dat het één enkel zilveren wezen leek dat richting noch doel kende, een willoos schepsel van de branding, gevangen tussen strand en zee.
Op de rand van het terras trok ik mijn sokken en schoenen aan en rolde mijn broekspijpen omlaag. Joe bracht haar knotje in orde dat was losgeraakt. We namen afscheid en zeiden fijne vakantie en tot september en Joe stapte op haar fiets en trapte weg over de boulevard. Ik startte mijn brommer en vertrok in tegengestelde richting.

Rob Verschuren, Joe, Strand

De lessen begonnen en in de eerste weken van september dromden rijen nieuwe leerlingen voor de balie, aangelokt door de introductiekortingen waarmee Dr. Sinh zijn wankele talenimperium overeind hield. Zoals elk jaar kwam de helft van de oude studenten niet terug. Ook Joe zag ik niet meer.

Ik kreeg twee beginnersklassen. Dit verergerde mijn problemen met de lesmethode, met Dr. Sinh, met alles. De lokale leraren stopten de studenten vol spelling en grammatica en van mij werd hetzelfde verwacht. Maar ik wilde ze laten praten. Zonder angst voor fouten, met een uitspraak die min of meer voor Engels door kon gaan. Mijn leerlingen deden het slecht in de schooltoetsen doordat ik de lesboeken nauwelijks gebruikte. 

Ik werd op het matje geroepen en had vruchteloze discussies met Dr. Sinh. Op een dag trok ik een whiteboard marker open en een stroom blauwe inkt gulpte op mijn overhemd. Een van de taken van de meisjes achter de receptiebalie was de markers bijvullen, wat ze met zo’n kwaadaardige terloopsheid deden dat het me al twee overhemden had gekost. Ik trok het raam open, dat altijd dicht is vanwege het straatlawaai, gooide de marker in de struiken, pakte mijn tas en liep het lokaal uit, nagestaard door een doodstille klas.

Daarna had ik een tijdje studenten thuis. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen iemand weg te sturen die het lesgeld niet kon betalen, en al gauw deed het gerucht de ronde dat je bij meester Rob gratis Engels kon leren. Ik was nu bijna even arm als mijn leerlingen.
Een liefdesrelatie eindigde op een vervelende manier en ik begon de mensen met andere ogen te zien. Hun glimlach en sierlijkheid verhulden niet langer de hebzucht en dierlijke onverschilligheid voor alles wat geen familie was. De voordelen van leven in een land waar nog niet elke ademhaling aan wetten en regels is gebonden leken niet langer op te wegen tegen de moeilijkheden, de teleurstellingen, de armoe. 

Ik ging terug naar het vaderland en pakte mijn oude werk op. Iets met computers. Dat is wat ik zei wanneer iemand ernaar vroeg: ‘iets met computers’. Van negen tot vijf zat ik voor een scherm en deed wat er van me verwacht werd en dacht aan andere plaatsen en een ander leven. Soms dacht ik aan Joe.
Ik trouwde. Drie jaar later scheidde ik. Mijn rusteloosheid groeide zonder ooit tot actie te leiden. Zoals ingenieur Ananayev uit een verhaal van Tsjechov zag ik geen nut in welke vorm van streven ook, en leek alles me hetzelfde en van even weinig waarde in het licht van onze sterfelijkheid, flauwekul en ijdelheid, tot as en vergetelheid bestemd.

Ik werd vijftig. Mijn haar was half grijs. Wanneer ik in de spiegel keek, zag ik mijn vader. Op een ochtend in februari vond ik een brief van de gemeente in de bus. Er stond in dat ik aanmerking kwam voor een van de ‘seniorenwoningen’ die aan de rand van het dorp werden gebouwd. Op weg naar mijn werk kwam ik altijd langs de bouwput, een ongewoon troosteloos schouwspel in de mist en mest en vuile koude regen.

Rob Verschuren, Joe, Bouwput

Een week later zat ik in het vliegtuig naar het land waaruit ik elf jaar geleden was teruggekeerd en waar ik eens heen was gegaan omdat daar gouden draken vliegen door het grenzeloze blauw.
Ik kwam vroeg in de ochtend aan en vond een hotelletje in de toeristenwijk. Zweverig van de slapeloze nacht, maar met een onbedwingbare haast om de opwinding van lang geleden terug te vinden, liep ik door de koele steegjes waar de zon alleen rond het middaguur op het asfalt schijnt, tot de zee voor me lag in het witte licht. De zee was hetzelfde gebleven, maar voor de rest was er veel afgebroken en bijgebouwd, in de stad en in mij. Ik volgde de boulevard naar het noorden tot ik geen backpackers meer zag en ging op een terras zitten. Ik bestelde ijskoffie met een klein scheutje zoete melk, iets wat ik in geen elf jaar had gedronken.
Een meter of tien van het strand stonden twee mannen tot hun heupen in het water. Hun armen en gezichten waren zwart in het tegenlicht. Ze droegen allebei een bromfietshelm en waren bezig een net uit te hangen aan drijvers van piepschuim. 

Het terras was vol. Aan de kleding te zien kwamen er op dit vroege uur voornamelijk mannen en vrouwen op weg naar hun werk. Net als ik keken ze naar de vissers en gluurden van tijd tot tijd naar een bijzonder levendige jonge vrouw die in haar eentje aan een tafeltje midden op het terras zat. Ze draaide op haar stoel om alles en iedereen te kunnen zien, stak haar hand op naar voorbijgangers op de boulevard en sprak links en rechts tegen de gasten aan de tafeltjes om haar heen. Ze droeg een gebloemd jurkje met een diep decolleté, daarboven was haar gezicht een nachtmerrie uit een horrorfilm. Iets, zwavelzuur of vuur, had haar huid gesmolten, de helft van haar neus weggevreten, haar mond veranderd in een klodder natte klei en haar oogleden verteerd. Ze trok met opvallende gretigheid aan een dunne sigaret waarover haar monsterlijke lippen zich sloten als de bek van een kikker. Nadat ze haar koffie had afgerekend, zette ze haar rieten zonnehoed op en liep met zwierige danspasjes het terras af. Haar hand opgestoken om het verkeer te stoppen, danste ze tussen de auto’s en de brommers naar het terras aan de overkant, waar ze haar zonnehoed op een tafeltje legde, ging zitten en een sigaret opstak. 

De gasten draaiden zich weer naar de zee. Daar hadden de vissers hun net uitgehangen en begonnen nu met stokken op het water te slaan.
Ik werd wakker met het zware gevoel dat je krijgt wanneer je overdag diep hebt geslapen. Buiten was de schemering begonnen. Op de stoep voor het hotel keek ik een tijdje naar een bus die een lading Russische toeristen loste en probeerde mijn versuftheid af te schudden.
‘Taxi?’ riep een stem vanaf de straat. Ja, taxi. 

In de Toyota zag ik een stad voorbijkomen die ik kende en die nieuw voor me was. Dr. Sinhs taleninstituut was weg. Er stond nu een smal, buitengewoon hoog hotel met veel blauw glas. We reden de brug over en kwamen in een deel van de stad dat in mijn tijd weinig bekoring had gehad voor toeristen. De boulevard was overgegaan in een weg met kuilen en gaten. Loodsen en gestapelde containers onttrokken de zee aan het oog. Zelfs met de raampjes dicht kon ik de vissausfabriek ruiken. 

De weg draaide van de kust af en we reden een wijk binnen waar elk woonhuis tevens winkel of werkplaats was en alles tijdelijk leek en onveranderlijk. Op de hoek van de hoofdstraat stapte ik uit. Hier flaneerde de plaatselijke bevolking langs restaurants en straatstalletjes, bierhallen en koffietuinen, en ik liet me meevoeren door de stroom. 

Ik had honger, het ontbijt in het vliegtuig was mijn laatste maaltijd geweest, maar ik wilde alles terugvinden voordat ik op zo’n plastic kinderstoeltje aan een plastic tafeltje ging zitten – de uitstallingen van schelpdieren en krabben en wriemelende garnalen, de eenden aan spitten boven de roodgloeiende houtskool, de pruttelende soepketels en de schelle roep van de klantenlokkers en de chaos van geuren, en de meisjes die gearmd liepen, en langsreden op scooters en fietsen, de meisjes met lange blote benen en lange losse haren. Ik stak een kop boven de massa uit, de vrouwen achter de stokbroodkraampjes en de suikerrietpersen en de vrouwen die op hun hurken maïskolven roosterden boven vuurpotten van gebakken klei, keken glimlachend naar me op en gebaarden naar hun waren.  

Een dik jongetje met een opgeschoren Mohawkkuif zat op een krukje met een verveelde en vijandige uitdrukking naar de voorbijgangers te kijken. Hij richtte de bout waarop hij zat te kluiven als een pistool op mijn borst en kneep een oog dicht. Zijn moeder – of dat nam ik aan – stond achter haar eendenkraampje met een klant te praten, een oude man in pyjama. Ze glimlachte naar me en wees op haar uitstalling. ‘Bang, bang!’ gilde het boosaardige Boeddhaatje. 

Ik stak mijn tong uit en liep verder. Toen bleef ik staan. Van een afstandje keek ik naar de vrouw achter het stalletje. Ze stond in te hakken op een halve eend. Met het hakmes schoof ze de stukken in een piepschuimen bakje en het bakje deed ze in een plastic zak. Ik wachtte tot de klant in pyjama was vertrokken en liep terug. ‘Joe?’ zei ik.
Ze keek me vragend, maar zonder belangstelling aan.
‘Bang, bang, bang!’ brulde het jongetje, ‘Fuck you, dead you, bang!’
Zijn moeder hief haar hand alsof ze hem een klap wilde geven. Hij schoof met krukje en al een eindje weg en zette zijn tanden in de bout. Onder het knagen bleef hij naar me loeren met een uitdrukking van haat die vreemd en verontrustend was op het gezicht van een kind van misschien zeven of acht jaar oud.

De vrouw begon de borden en schalen achter het glas van haar vitrinekastje aan te wijzen. ‘Geroosterde eend,’ zei ze, ‘gekookte eend, eendenbloed, eendenpoten, rijstepap.’ De Engelse woorden kwamen er moeizaam uit en ze sprak met een sterk accent. Ik wees werktuigelijk op een bord. Ze pakte een halve geroosterde eend en legde hem op het hakblok. 

Ze was dikker dan de Joe van elf jaar geleden, maar niet veel. Haar haar was kort en zonder zichtbaar model geknipt, het knotje was verdwenen. Verdwenen was ook de gretigheid in haar ogen. Die waren ondoorzichtig en berekenend, alsof het vuur was opgebrand en de warmte vervlogen. Ze waren het oudst aan haar, de ogen. Haar huid was nog glad en jong, zoals gewoon is bij de vrouwen in dit land. Ik begon te twijfelen, maar ik had haar zien glimlachen.
‘Joe,’ zei ik, ‘kun je je meester Rob nog herinneren?’
Ze schoof de stukken eend op een bord en schepte er een pollepel gele rijst naast. Ze goot zoetzure saus in een kommetje en liet een handjevol groen over de rijst dwarrelen. Toen keek ze op, maar ze keek langs me heen.
‘Je bent oud geworden,’ zei ze, en ik wist dat ze zich die ochtend aan zee herinnerde en medelijden met me had, zoals ik medelijden had met haar.

Vanaf de straat riep een vrouw. Joe riep iets terug en vroeg of ik er bier bij dronk. Tiger?
‘Oké,’ zei ik. Alles wat je wilt. ‘Joe?’
‘Ja?’
‘Hoe laat ben je hier klaar?’
‘Als ik alles verkocht heb, hoezo?’
‘Kunnen we ergens wat gaan drinken?’

Ze draaide zich om en bukte om een blikje Tiger uit een doos te halen die achter haar op het trottoir stond. Met een knikje in de richting van het dikke jongetje, dat zijn kluif op de grond had laten vallen en nu een eetstokje doormidden zat te breken, zei ze: ‘Ik ben getrouwd.’
‘Laat je man meekomen.’
Ze lachte. Het scheve lachje dat ik zo vaak in gedachten had gezien en dat nu iets melancholieks had, of misschien was het iets cynisch.
‘Die ligt zijn roes uit te slapen wanneer ik hier klaar ben.’

Ik wist niet wat ik hierop moest zeggen. Op dat moment kreeg ik een steek in mijn kuit. Ik keek om en zag Joe’s zoontje wegspringen. Hij had het afgebroken eetstokje in zijn hand en maakte woeste schermbewegingen in de lucht. Joe schreeuwde met overslaande stem. Het jongetje liet zich op zijn krukje zakken en ging zitten mokken. Ik keek naar zijn pafferige, pruilende gezicht zoals je in de dierentuin naar iets kijkt dat kruipt achter glas, ondanks mezelf gefascineerd. Toen ik me weer omdraaide, stond Joe rijstepap in een pannetje te scheppen dat een schoolmeisje met een brilletje en vlechten voor haar ophield. Mijn bord had ze op een tafeltje aan de straat gezet, het bierblikje ernaast. 

Ik at en keek naar de straat en probeerde een naam te geven aan wat ik voelde. Een elfje van een lolita kwam voorbij op een elektrische fiets, vijf lootjesverkopers, een vuilniscontainer, voortgeduwd door twee vrouwen in blauwe overalls en reflecterende vesten.
Ik legde mijn eetstokjes op de afgekloven eendenbotten, verkreukelde het Tigerblikje en trok mijn portemonnee uit de achterzak. Achter het stalletje stond een oude vrouw. Joe en haar zoontje waren nergens te bekennen. 

‘Waar is de andere dame?’ vroeg ik, maar ze begreep me niet. Ik betaalde en begon te lopen, door de mensenstroom en daarna alleen, langs de donkere loodsen en de containers en de rokende vissausfabriek. De hele weg terug naar het hotel liep ik, in de warme nacht door het landschap van de verloren jeugd.
Op de brug leunde ik tegen de reling en keek landinwaarts over de rivier. Waar de scheefgezakte paalwoningen van de visserswijk hadden gestaan, spiegelde een ketting van neonrestaurants zich in het zwarte water.

Sao Bien bestond nog, het terras was leeg op dit uur. Ik deed mijn slippers uit en liep op blote voeten verder over het strand. Boven Schildpadeiland hing een volle maan en over het pad van maanlicht liep ik de zee in. Een school zilveren visjes spoelde om mijn benen, te klein voor de mazen van het net van de mannen met de bromfietshelmen, maar niet lang meer misschien.

Rob Verschuren, Joe, Strand2

 

Rob Verschuren ©2013

“Joe” is een verhaal uit de bundel “Stromen die de zee niet vinden” van Rob Verschuren.
Uitgegeven door “In de Knipscheer”.
ISBN 978 90 6265 945 6 NUR 301

Afgelopen jaar kwam zijn roman “Tyfoon” uit.
Voor een recensie zie: https://www.trefpuntazie.com/boekrecensie-tyfoon-van-rob-verschuren/

Een nieuwe roman wordt begin volgende jaar verwacht.
Rob Verschuren heeft hiervoor subsidie gekregen van het Nederlands Letterenfonds.

Foto’s:
Suvving: Vietnamese scholiere
Vietnam Tours

 

 

Rob Verschuren
Over Rob Verschuren 41 Artikelen
Een half leven lang op weg naar het Zuiden, heeft Rob Verschuren via België, Frankrijk en India in 2009 Nha Trang, Vietnam bereikt. Nu hoeft hij niet meer verder. In zijn hangmat aan de Zuid-Chinese Zee schrijft hij reclame voor klanten en fictie voor zijn plezier.

2 Comments

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*